Expositie

De jaren zestig door de ogen van Freek de Jonge: ‘De persoonlijke God is onhoudbaar geworden’

Freek de Jonge in Museum Catharijneconvent. ‘De hele infrastructuur van religie is vernietigd.’ Beeld Werry Crone.
Freek de Jonge in Museum Catharijneconvent. ‘De hele infrastructuur van religie is vernietigd.’Beeld Werry Crone.

In Museum Catharijneconvent opent zaterdag de tentoonstelling Van God los? over de roerige jaren zestig waarin alles dat gezag had het moeilijk kreeg. Trouw ging alvast kijken met ervaringsdeskundige bij uitstek Freek de Jonge.

Stijn Fens

Alsof hij geen 78 is en die hele jaren zestig bij wijze van spreken nog moeten beginnen, beklimt Freek de Jonge de trappen van Museum Catharijneconvent in Utrecht. Zijn tred verraadt enige gretigheid. Op de bovenste verdieping wacht de tentoonstelling Van God los? op hem. De schrijver en cabaretier mag alvast een kijkje nemen nog voordat het grote publiek daartoe in de gelegenheid is. “Dat losraken van God is door de jaren heen mijn grote thema geworden. Allerlei dingen waar je een hekel aan had en waar je van dacht ze te hebben achtergelaten, keren zich uiteindelijk tegen jou en tegen de samenleving.”

In het voetspoor van conservator Tanja Kootte, die Van God los?samenstelde, betreedt De Jonge (1944) de donkere expositieruimte. “Ha, Bomans!”, zegt hij en blijft staan bij een tv-scherm waarop te zien is hoe de schrijver in 1966 aan Mies Bouwman de crisis in de rooms-katholieke kerk uitlegt door middel van het sinterklaasverhaal. De Jonge: “Het mooie van religie was dat daar allerlei facetten in zaten die je troost gaven op gebieden waar je troost verdiende. Maar die ook vragen stelde op gebieden waar je vragen moest stellen. Dat systeem is weg. Die hele infrastructuur is vernietigd en nu zitten we met overvolle wachtkamers in de geestelijke gezondheidszorg.”

Gerard Reve op tv. Beeld Werry Crone
Gerard Reve op tv.Beeld Werry Crone

Barsten in de zuil

Van God los? vertelt aan de hand van onder meer foto’s, tv-fragmenten en gebruiksvoorwerpen het verhaal over de jaren zestig, een van de meeste onstuimige periodes van de Nederlandse geschiedenis. Rond 1960 leek de positie van de kerk nog onaantastbaar, veilig en wel binnen de eigen zuil. Ze beheerste het dagelijkse leven van de gelovigen. Maar al snel ontstonden er barsten in de zuil en verloren niet alleen de kerk, maar ook veel andere instituties zoals vakbonden en politieke partijen, langzaam maar zeker hun gezag. Alles wat heilig leek, moest ontheiligd worden. Van politieman tot pastoor. “Wij vragen ons in de tentoonstelling af of de Nederlanders werkelijk van God los zijn gekomen”, zegt Tanja Kootte. “Zo blijken die jaren zestig als je terugkijkt eigenlijk veel religieuzer dan we altijd hebben gedacht.”

Freek de Jonge is de ervaringsdeskundige bij uitstek als het om de jaren zestig gaat. Vanaf 1968 vormde hij samen met Bram Vermeulen het duo Neerlands Hoop in Bange Dagen, dat met een ongekende energie het cabaret-establishment te lijf ging en al snel op de knieën dwong. Bram en Freek worden tegenwoordig ‘iconen’ van de jaren zestig genoemd. Maar Freek is ook zoon van een dominee. Onlangs schetste hij in het boek Kom Verder! nog een liefdevol portret van zijn vader. Die vader duikt om de haverklap op tijdens De Jonge’s tocht door de jaren zestig. “Deze tentoonstelling gaat natuurlijk ook over hem.”

null Beeld Werry Crone
Beeld Werry Crone

Homoseksualiteit uit de taboesfeer

Zoals bij het beroemde tv-fragment uit 1963 te zien is waarin bisschop Bekkers zegt dat het bepalen van het kindertal een zaak van de gehuwden was, hun “gewetenszaak, waarin niemand treden kan.” Het wordt afgewisseld met een radiofragment waarin dominee Alje Klamer twee jaar eerder homoseksualiteit uit de taboesfeer haalde. “God wil dat u als vrij mens leeft”, hield hij de homoseksuele luisteraars voor.

“Klamer is mijn vader als predikant opgevolgd in Westernieland”, vertelt Freek. “Er was een moment in Zaandam, ook in de jaren zestig, dat er iemand in de gang op de schouder van mijn vader stond te huilen. Daar liep je als kind dan langs op weg naar je kamer. Je voelde je opgelaten. Later bleek het een man te zijn die in een verkeerd lichaam zat. Mijn vader heeft als dominee met al die mensen gesproken, maar het nooit in het openbaar opgenomen voor homofielen, zoals ze toen genoemd werden. Het zat niet in zijn karakter om strijdbaar te zijn. Hij volgde veel meer de weg van de geleidelijkheid.”

Zijn vader overleed in 1968 en heeft nooit de grote opgang van zijn zoon op de Nederlandse podia meegemaakt. “Dat beroemde jaar 1968 is voor mij in alle opzichten een begin geweest. Het overlijden van mijn vader was voor mij daarin beslissend. Pas toen kon ik me overgeven aan die jarenzestigtoon en vrijuit spreken. Mijn vader ergerde zich al aan dat zinnetje ‘Vader is een nul’ in Op een mooie pinksterdag. Vond ie verschrikkelijk.”

Periode van vernieuwing

We lopen de zaal in die het nieuwe elan laat zien dat in de jaren zestig de Nederlandse kerken bezielde. “Dit vind ik angstaanjagend”, zegt De Jonge. Hij kijkt naar een foto van Nederlandse bisschoppen die op Schiphol in priesterpak bij een vliegtuigtrap staan, op weg naar het Tweede Vaticaans Concilie in Rome. Dat werd tussen 1962 en 1965 gehouden en luidde een periode van vernieuwing in binnen de rooms-katholieke kerk. “Je zou er eigenlijk een foto naast moeten hangen dat ze weer terugkomen uit Rome: in vrijetijdskleding met een bermuda aan.”

Even later staat De Jonge stil bij een aantal foto’s over de oecumene, nog zo’n voorbeeld van nieuw zestigerjaren elan. “Mijn vader was een groot voorstander van de oecumene. Hij heeft ook in de rooms-katholieke kerk van Zaandam gepreekt, samen met de doopsgezinde dominee. Dat mag zeker tegenwoordig niet meer.”

Als hij de zaal van het nieuwe elan weer verlaat, loopt hij langs een muur met daarop een levensgrote foto van kerkelijke nieuwbouw uit de jaren zestig: kaal, veel baksteen en functioneel. De Jonge: “Het is de tijd van ontheiliging en oude mannen met hoeden op die hoofdschuddend bij zo’n gebouw staan en zich hardop afvragen: ‘Moeten we echt met z’n allen echt die kant op?’”

Zelf is De Jonge naar de kerk gegaan totdat hij het ouderlijk huis verliet. “Dat was vrij laat, omdat ik nogal lang over de middelbare school heb gedaan. Toen ik eenmaal in Amsterdam studeerde ben ik nog één keer naar de kerk gegaan. Ik werd ontgroend en dat vond ik vreselijk. Op zaterdagavond werd toen gezegd: ‘Wie morgen naar de kerk moet, mag nu weg.’ Weg was ik. Ik ben nog naar de kerk gegaan ook. Stel je voor dat ze het gingen controleren.” Daarna liet hij de kerk achter zich, maar zette zich nooit af tegen de wereld van zijn vader. Integendeel: die koestert hij. “Het oordeel over de dingen werd lange tijd aan God overgelaten en nu doen we het zelf. De ramp is niet te overzien. Kijk maar op sociale media.”

null Beeld Werry Crone
Beeld Werry Crone

Protestmuur

Even later houdt De Jonge halt voor een muur, een protestmuur nog wel. “Hier mogen bezoekers onderwerpen agenderen”, legt conservator Tanje Kootte uit. De Jonge pakt de blauwe stift die aan een touwtje hangt en schrijft ‘Waarom moet alles anders?’ op de nog maagdelijke muur. “We zijn met de secularisatie dingen kwijtgeraakt waar we nu veel aan gehad zouden hebben. De mens is een evolutionair wezen. Er zit een genetische aansturing in ons allemaal om ons te ontwikkelen. Daarbij maken we keuzes zonder te beseffen wat daarvan de consequenties zijn.”

En zo loopt De Jonge door de tentoonstelling, die ook zijn jaren zestig laat zien. Weg van uniformen, weg van theologie. Hij herkent D.C. Lewis die uit de speakers schalt met Mijn Gebed, een klassieker uit 1970. Nostalgie is De Jonge trouwens vreemd. “Vind ik helemaal niks. Het is valse hoop en troost.”

Voor we het weten staan we in de laatste zaal, die kaal aandoet en volgens Tanja Kootte draait om kantelende godsbeelden. “Wij mogen tegenwoordig zelf bepalen hoe God en Jezus eruitzien.” Zo is er een kruisbeeld te zien dat is gemaakt van sloophout. Jezus is nauwelijks meer herkenbaar. Op de muur wordt de vraag herhaald of we nu echt van God los zijn. De Jonge: “Als mensen naar mij toekomen en vragen: ‘Ben je gelovig?’ dan zeg ik: ‘Een mens moet wel gelovig zijn, want hoe kun je anders leven?’ Maar de persoonlijke God is onhoudbaar. Het idee dat er iemand daarboven zit te besturen en de lakens uitdeelt is onmogelijk. We mogen nu dus onze eigen God scheppen en dat is natuurlijk een buitengewoon tragische bevrijding. Dat kunnen we helemaal niet.”

Het laatste object van de tentoonstelling is Target van de Brabantse kunstenaar Jacques Frenken. We zien de kruisiging van Jezus. Het kruishout is vervangen door een schietschijf. Freek de Jonge: “Dat van God loskomen is het resultaat van ons eigen denken, van onze eigen evolutie. Zover is ons verstand gekomen. Vergelijk het met het uit huis gaan van je kinderen. Die willen ook niet meer terug. Eigenlijk zijn we in de jaren zestig massaal het huis uitgegaan.”

Van God los? De onstuimige jaren zestig. Vanaf 19 februari tot en met 28 augustus in Museum Catharijneconvent te Utrecht.

Lees ook:

De katholieke kerk wil nabij zijn, en dat kan niet meer

De grote kracht van de rooms-katholieke kerk in Nederland is lange tijd haar nabijheid geweest. De kerk was overal, zeker onder de grote rivieren, in elk dorp, in elke wijk. Dat is een molensteen geworden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden