null Beeld

In de schaduw van de MinaretEildert Mulder

De grootvader van Pakistans atoombom was de eerste moslim die de Nobelprijs voor natuurkunde won

Eildert Mulder

Zondag overleed de ‘vader’ van de Pakistaanse atoombom, de nucleaire spion Abdul Qadeer Khan. Aan corona, 85 jaar oud. Een volksheld ging heen. Diep betreurd.

Maar het lelijke explosief, Pakistans trots, had ook een ‘grootvader’, de wereldberoemde natuurkundige en Nobelprijswinnaar Abdus Salam (1926-1996). Ook zonder hem zou de ‘islamitische kernbom’ er misschien nooit zijn gekomen. Toch was hij omstreden. Reden: hij was aanhanger van een ‘foute’ islam, de ahmadiyya. Eind negentiende eeuw ontwikkelde de beweging zich vanuit India rondom een soort messias, die zichzelf zag als de teruggekeerde Jezus. Volgens de orthodoxie is de leer van de ahmadiyya in strijd met het dogma dat Mohammed de laatste profeet was.

Spion Khan, de vader dus van het vernietigingswapen, was in Nederland berucht. Hij zette de nationale leeuw en zijn veiligheidsdiensten te kijk. In de jaren zeventig werkte hij bij het bedrijf Urenco in Almelo, dat gespecialiseerd is in verrijking van uranium, een techniek die gebruikt kan worden voor de vervaardiging van atoombommen. Khan, die in de jaren zestig studeerde in Delft, smokkelde de geheimen van dat procédé naar Pakistan. Een afgang voor Nederland. Maar in de hele moslimwereld, niet enkel Pakistan, werd Khan een icoon.

In zes maanden loste hij een natuurkundig raadsel op

Khan oogstte de lauweren, maar minstens evenveel hadden de Pakistaanse nucleaire ambities dus te danken aan Abdus Salam. Want hij zette met tomeloze energie het natuurkundig onderzoek in Pakistan op de rails. Zijn belangstelling was breed. Hij had ook een top­expert kunnen worden in Engelse literatuur. Maar de hunkering naar de kleinste deeltjes, de zwarte gaten in het heelal en andere natuurkundige wonderen wonnen het pleit. Na zijn promotie op jeugdige leeftijd daagden vakgenoten hem uit binnen een jaar een natuurkundig raadsel op te lossen, waarop tot dan toe geleerden wereldwijd zich vergeefs kapot hadden gebeten. In zes maanden was hij eruit. Eén van zijn bewonde­raars was Robert Oppenheimer, de man van de Amerikaanse atoombom.

Afwisselend was Abdus Salam docent in Pakistan, Engeland en de VS. Hij kreeg hoge functies bij de Paki­staanse overheid, maar lag daarmee ook wel overhoop. Onderwerpen die universiteiten verwaarloosden onderwees hij thuis aan selecte groepjes studenten. Daarmee kweekte hij een wetenschappelijke elite.

Hij werkte het liefst aan vreedzame toepassingen van kernenergie. Maar na de door Pakistan verloren oorlog met India (1971) pleitte hij fel voor een Pakistaanse kernbom. In 1974 verliet hij zijn land, met slaande deuren, vanwege een wet die bepaalde dat ahmadi’s geen moslims waren. Zelfs hun gebedshuizen mochten ze niet langer moskeeën noemen. Werklieden schilderden in die gebouwen zwarte verf over de geloofsbelijdenis, onder toeziend oog van de politie.

Een klunzig grafschrift

In 1979 kreeg Abdus Salam de Nobelprijs voor natuurkunde. Bij de uitreiking las hij voor uit de Koran. Volgens zijn grafschrift bewees hij de eenheid van God. Het waren woorden van de leider van de ahmadiyya-islam, ofwel de ‘kalief van de messias’. De steen roemde hem ook als de eerste moslim die de Nobelprijs voor natuurkunde kreeg. Het bevoegde gezag paste de anti-ahmadi wet toe en verwijderde het woord moslim. Er staat daardoor nu nogal klunzig dat hij de eerste ontvanger van de Nobelprijs voor natuurkunde was. In werkelijkheid was dat, in 1901, de Duitser Wilhelm Röntgen. Pakistan eerde Abdus Salam nog wel met een postzegel.

In de rubriek ‘In de schaduw van de minaret’ leest u bespiegelingen over de islamitische wereld van Eildert Mulder, arabist en oud-redacteur van Trouw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden