EssayTanny Dobbelaar

De denkbeelden van Hannah Arendt kunnen helpen bij het verwerken van de coronacrisis

null Beeld Nanne Meulendijks
Beeld Nanne Meulendijks

‘Geen mens kan leven tussen oorzaken’, vond filosoof Hannah Arendt (1906-1975). De denkbeelden van Arendt kunnen van betekenis zijn bij het verwerken van de coronacrisis, ontdekte Tanny Dobbelaar.

Met verkleumde handen aten we onze boterhammen op een bankje. We keken langs de wuivende grassen van de Piet ­Oudolftuin naar het perfect gecomponeerde gebouw van Museum Voorlinden. Het was na de eerste intelligente lockdown, vóór de tweede. De musea waren sinds kort geopend, cafés en restaurants nog steeds dicht.

We hadden de hele riedel doorstaan, mondkapje op, desinfectie van de handen, afstand houden, kaartjes in een time-slot ­reserveren. Ach, al hadden we onze blote ­lijven met goudverf moeten beschilderen, dan hadden we dat gedaan, als we maar konden gaan kijken naar kleuren en vormen, betoverende, grappige en soms ook dodelijk saaie, zelfingenomen kunst.

Hannah Arendt

De Duits-Joods-Amerikaanse politiek denker Hannah Arendt (1906-1975) was een briljante leerlinge van Martin Heidegger en Karl Jaspers. Ze moest Duitsland ontvluchten voor de nazi’s en kwam via Parijs terecht in de Verenigde Staten waar ze onder meer schreef over totalitarisme.

In filosofische kringen staat ze vooral bekend om De menselijke conditie en Het leven van de geest. Een breder publiek kent haar door de term ‘de banaliteit van het kwaad’, die ze gebruikte voor Eichmann, de man die terechtstond vanwege de organisatie van de deportaties en moord op miljoenen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Mijn vriendin, ouderenspecialist, had vandaag haar vrije dag bevochten op de ­genadeloze roosters van het verpleeghuis, met zijn tekort aan artsen, een teveel aan ­patiënten en een overvolle ‘coronavleugel’. Bezoekers van haar verpleeghuis worden ­tegenwoordig in de hal opgevangen door jonge mensen die in opleiding zijn tot ­stewardess: zo kunnen ze goed oefenen in omgaan met agressie.

‘Applaus voor theater, voor musea, voor muziek’

Mijn vriendin en ik hadden elkaar maanden niet gezien. Terwijl we van schilderij naar schilderij liepen, bespraken we de ­invloed van de lockdown op ons leven.

‘Wij van de witte jassen moeten ook maar eens gaan klappen’, zei mijn vriendin de ouderenspecialist. ‘Applaus voor theater, voor musea, voor muziek. Ik kan me wel de hele week uit de naad werken, maar waar doe ik het voor als musea gesloten blijven? Ik heb ook mijn voeding nodig!’ Het zou geweldig zijn geweest als de ­witte jassen haar idee hadden uitgevoerd.

In plaats daarvan bleef de gezondheidszorg gereduceerd tot aantallen zieken op de ic, aantallen doden, percentages positieve testen en de fameuze R die maar stijgt en daalt, gevolgd door geestdodende discussies over diezelfde cijfers. Waarom was dit allemaal zo onverdraaglijk?

Mogelijk antwoord

Onverwacht gaf Hannah Arendts onvoltooide en laatste werk Het Leven van de geest – dat onlangs opnieuw werd uitgebracht – me een mogelijk antwoord. In dat absoluut moeilijk leesbare boek, ondanks onverwacht ironische terzijdes, trof ik zinnen en concepten die me helpen om deze tijden ietsje beter te begrijpen.

‘Geen mens kan leven tussen oorzaken’, schrijft Arendt als ze onderscheid maakt tussen waarheid en betekenis. In deze tijden van Viruswaarheid doet dat onderscheid wellicht wat ouderwets aan – heeft niet ­iedereen zijn eigen waarheid? Maar Arendt is minder geïnteresseerd in wat je kan kennen of weten dan in de manier waarop het denken vorm krijgt.

Waarheid zoeken is volgens haar een zaak van het gezond verstand dat opereert op een veld van feiten en oorzaken, zoals in de wetenschap. Die formuleert concrete vragen waar in principe een afdoend antwoord op mogelijk is.

Betekenis daarentegen komt van de rede die zichzelf juist onbeantwoordbare vragen stelt. Het dagelijks leven produceert ervaringen die we met ons verstand niet aankunnen. Dan treedt de rede in werking: die zoekt naar betekenis en genereert nieuwe vragen, verhalen en ideeën die meestal niet zo praktisch zijn, maar die je het gevoel ­geven dat je leeft. Denken is niet altijd even nuttig, maar het gebeurt, zegt Arendt. Denken maakt ons menselijk.

Cijfers geven geen antwoord op onbeantwoordbare vragen

Haar onderscheid tussen waarheid en ­betekenis komt van pas als je naar coronadebatten kijkt. Cijfers bevredigen het verstand, maar ze geven geen antwoord op onbeantwoordbare vragen als: in welke wereld zijn we opeens beland? Zo bezien leveren de kille cijfers hooguit ongerichte onrust op.

Flitsen van antwoorden komen eerder uit onverwachte hoek, zoals in het beeld van de zwarte hoed over het gelaat van de Britse koningin Elisabeth die de uitvaart van haar man bijwoont. Haar handtas is haar enige gezelschap. Ontroerd was ik ook door de herdenkingsdienst die Duitsland hield voor de coronaslachtoffers: dat is een ­bewuste poging om vorm, dus betekenis, te geven aan deze onvoorspelbare tijden.

Zo’n herdenking zou Arendt op prijs stellen, vermoed ik. Ze schrijft dat staatsmannen twee zaken tegelijkertijd moeten kunnen. Ze moeten inzien dat burgers zeer verschillende werkelijkheden leven en dat ze tegelijkertijd gebruik maken van ‘het vermogen communicerend te bemiddelen tussen de burgers en hun opinies, zodat de ­gemeenschappelijkheid van de wereld verschijnt’.

Arendt noemt die gemeenschappelijkheid van de wereld ook wel de sensus communis. Die maakt dat we in één wereld ­leven, die onafhankelijk is van wat je er ­privé over denkt.

Arendts oordeel lijkt op een toverdoos

In het laatste deel van Het leven van de geest, dat over ethische oordelen gaat, geeft Arendt de sensus communis nog een andere rol. De sensus communis moet namelijk ook in een oordeel terugkeren, anders kan het eigenlijk geen (goed) oordeel zijn. Dit idee vereist enorm veel toelichting, maar ik houd het oneerbiedig kort.

Arendts oordeel lijkt op een toverdoos: als je een concreet geval beoordeelt – die film is slecht, die politicus is goed – creëer je tegelijk iets abstracts, een norm over wat goede films in het algemeen zijn, of goede politici.

Wie niet goed kan oordelen, is ronduit dom, stelt Arendt. Die komt niet verder dan een intuïtief ‘het-bevalt-me-of-het-bevalt-me-niet’. Wat oordelen dus inhoudt, is dat het egoïsme en je privésmaak overstijgt. Preciezer: in een goed oordeel claim je voor jezelf geen uitzondering. ‘Moorden is goed’ is daarom een kwalitatief beroerd oordeel, omdat je moeilijk met droge ogen kunt ­beweren dat iedereen zou moeten moorden.

Oordelen verruimt je denken

Echte oordelen verwijzen dus impliciet naar de gemeenschap. Een oordeel vereist empathie, je inleven in je medeburgers. Met andere woorden: oordelen verruimt je denken, stimuleert je verbeelding en appelleert aan andere mensen.

Daarom gaat er iets grondig fout als mensen stoppen met oordelen. Als ze zich niet veilig voelen en overgaan tot ‘innerlijke emigratie’ – een term die Arendt reserveert voor intellectuelen als haar leermeester Karl Jaspers, die tijdens het nazibewind tot de oppositie behoorden, maar Duitsland niet verlieten. Bij innerlijke emigratie verruil je een publieke rol in de buitenwereld voor een beschutte plek in een wat huiselijker privéwereld. Je spreekt je niet meer ­publiekelijk uit. Dat is een ernstig verlies voor iedereen.

Hoewel Arendt bij innerlijke emigratie dacht aan het overleven in een totalitair ­regime, zie je nu hetzelfde fenomeen. Mensen die eerst frank en vrij hun mening ­uitten, kruipen in hun schulp. Niet omdat de vrijheid van meningsuiting is opgeheven, maar omdat ze de beledigingen en bedreigingen van hun vaak anonieme medeburgers niet meer verdragen.

De coronacrisis is een stresstest gebleken, voor ziekenhuizen, de horeca, het ­bestuur en onze mentale weerbaarheid, maar ook, met Arendt in de hand, voor de kwaliteit van het publieke debat over deze crisis.

Arendt zou Engel en Van Ranst niet gelijkwaardig noemen

Als Willem Engel van Viruswaarheid de Belgische viroloog Marc Van Ranst uitdaagt voor een debat over hun tegengestelde standpunten, dan doet hij alsof ze beiden buurmannen zijn met een conflict over de hoogte van de heg. Toch zou Arendt ze niet gelijkwaardig noemen. Van Ranst vertegenwoordigt in zijn publieke rol de sensus ­communis, dat hele intersubjectieve stelsel waarin we één wereld veronderstellen en waarin we overeenstemming over de feiten proberen te krijgen, hoe vaak dat ook mislukt.

Waar Van Ranst het debat met Engel ­weigerde, heeft biomedicus Chi Lueng Chiu een toon gevonden waarop hij weloverwogen met Engel kan discussiëren (te vinden op YouTube). Hun beider gesprekstechniek is fascinerend. Beiden kiezen een volstrekt andere strategie.

Chiu bestrijdt met actuele biomedische literatuur stellingen als dat covid ‘maar een griepje’ is. Engel lijkt die wetenschappelijke data te bekritiseren, maar beschuldigt feitelijk de halve wereld van corruptie en bedrog. Chiu blijft er rustig onder. Ik niet. Dit is geen debat over feiten. Engel ondermijnt hier de gemeenschappelijke sensus communis. Dat is ernstig.

Laatst zag ik in een paper van een wiskundige een aantal zinnen die begonnen met ‘wij’, in de trant van: wij observeren zus, wij concluderen zo. Deze ‘wij’ accepteert een wiskundige werkelijkheid waarin onenigheid niet bestaat. Dat contrasteert nogal met het ‘wij’ van de intersubjectieve wereld.

De mannen van het denken

Arendt bekritiseert vaker ‘de mannen van het denken’ die hun eigen manier van denken willen beschermen en hun gevoel voor verantwoordelijkheid voor de gemeenschap hebben verloren. Ze zou ook wetenschappers en politici bekritiseren die zich blindstaren op de cijfers en vergeten dat goedwillende burgers meer, echt veel meer nodig hebben.

Het zou al helpen als politici geen clichés meer gebruiken. Dat eindeloze licht aan het einde van de tunnel! Ze kunnen stoppen met managerstaal te bezigen (‘sturen op ic-capaciteit’). En ze kunnen zoeken naar nieuwe, betekenisvolle formuleringen, ­ingebracht door frisse geesten, geïnspireerd door de fundamenten van ons leven, met ­alle verhalen die daarbij horen (vrij naar de bestseller van Ramsey Nasr). Niet alleen witte jassen snakken naar mentaal avontuur.

Het leven van de geest
Hannah Arendt (vertaald door Dirk De Schutter en Remi Peeters)
uitgeverij Ten Have
800 blz.
€ 49,99

Lees ook:

‘Ik wil dat jij bent.’ Simpele woorden die de kern van vrijheid raken

‘Ik wil dat jij bent.’ Deze aan de kerkvader Augustinus toegeschreven woorden echoën door in Het leven van de geest, het laatste en onvoltooide werk van de Duits-Joodse politiek denker Hannah Arendt (1906-1975), dat onlangs verscheen. Columnist Welmoed Vlieger werd geraakt door Arendts reflecties op de ‘gedachteloosheid’ waarin de belangeloze liefde – dit eenvoudige ‘ik wil dat jij bent’ – verdwijnt.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden