Zin in het alledaagse

De dag nadat ze haar zoon begroef, genoot ze van het zomerweer. Hoe kan dat?

Beeld Lars van den Brink

Welk verhaal geeft uw leven zin? In deze reeks vertellen Trouw-lezers hun zingevingsverhalen. Vandaag: Els Langemeijer-van Eijndthoven (71). ‘De zin in het leven wordt me aangedragen, misschien wel doordat ik mijzelf gedragen voel, wetende dat ik niet dieper kan vallen dan in de handen van God.’

Een dag na de begrafenis van Tobias ging ik met mijn zus wandelen. Geen dag is zo erg als de dag ná een uitvaart, want die is loodzwaar en oorverdovend stil. Toen we door de Rhoonse grienden liepen, riep ik: ‘Wat is het hier mooi!’ Mijn zusje keek me aan: ‘Ik snap er niets van, jij hebt gisteren je zoon begraven en nou zeg je: Wat is het hier mooi. Hoe kan dat in vredesnaam?’ O ja, dacht ik, dat is eigenlijk wel idioot. Het was een prachtige zomer in 2003, het jaar dat Tobias overleed.

Na alle ellende zijn mijn man en ik om de tafel gaan zitten. ‘Hier moeten we iets mee’, zeiden we tegen elkaar, ‘we zijn te jong om te zeggen: het hoeft allemaal niet meer’. Ik was toen, in 2003, midden vijftig, maar ik voelde mij als een negentigjarige zonder toekomst, die nog slechts leeft op haar herinneringen.

Levenslust

Halverwege de jaren zeventig lag de toekomst nog open. Ik werkte destijds op het Amsterdamse Laboratorium voor Ontleedkunde, waar ik Richard leerde kennen, die daar als aanstaand arts onderzoek deed. In 1976 zijn we getrouwd. Het leven lachte me toe, ik bruiste van levenslust.

Zwanger worden ging niet vanzelf, maar met behulp van de medische wetenschap was ik in 1978 in verwachting. Er volgde een spannende zwangerschap, want na 26 weken besloot de baby ter wereld te komen. Veel te vroeg, toentertijd was de ondergrens van levensvatbaarheid 32 weken. Met weeënremmers lukte het het kind binnen te houden. Bij 32 weken hebben we uitgebreid gevierd dat we in de veilige zone aanbeland waren.

Helaas voelde ik een paar weken later geen leven meer. Bij onderzoek bleek dat de baby zich verstrengeld had in de navelstreng. Drie dagen later is Daniël dood geboren. Ik heb hem niet gezien, er zijn geen foto’s gemaakt of afdrukken van handjes en voetjes. In die tijd vond men het beter dat een vrouw een doodgeboorte maar zo snel mogelijk moest vergeten en zich moest richten op een volgende zwangerschap. Wat een ontstellende misvatting!

Luiers aan de waslijn

Een jaar later raakte ik weer zwanger en na 32 weken werd Esther per keizersnede geboren. Oók veel te vroeg, maar na een moeilijke start mocht ze na negen weken ziekenhuis naar huis. Eindelijk luiers aan de waslijn!

Nóg een jaar later was ik opeens spontaan zwanger. Ook deze baby wilde er na 32 weken uit. Er volgde weer opname in het ziekenhuis en bij 38 weken mocht de geboorte plaatsvinden. Uiteindelijk werd ook Tobias met een keizersnede geboren. Na de bevalling liep ik wondinfecties, abcessen en een darmafsluiting op. Ik moest opnieuw geopereerd worden. Na ruim drie maanden ziekenhuis mocht ik eindelijk naar huis. Mét een baby, die ik inmiddels vijf weken niet had gezien. Want ja, de moeder had allerlei infecties en daar moet je een couveusebaby verre van houden. Moeder en kind scheiden, hoe kónden ze het bedenken in die ‘goede oude tijd’.

De eerste weken met Tobias thuis dacht ik telkens: wanneer komt de echte moeder hem nou halen? Na deze moeilijke hechtingsperiode braken er rustige jaren aan. De kinderen groeiden goed op, wij waren een gezellig gezinnetje met twee kinderen. Voor mijn gevoel drie. Een doodgeboren kind bestaat alleen in je eigen hart en over dat eenzame verdriet is het lastig praten. Maar naast dat verdriet was er gelukkig genoeg ruimte om ook te genieten.

Tien jaren van rampspoed

Toen braken er tien jaren van rampspoed aan. Ze begonnen in 1993. Mijn man, Richard, krijgt op 47-jarige leeftijd endeldarmkanker. Na de operatie, bestralingen en chemokuren moest hij leren leven met een stoma.

Een jaar later wordt er bij Esther een hersentumor geconstateerd. Ze is dan vijftien jaar. Zij wordt geopereerd, maar de diagnose is eigenlijk vanaf het begin infaust. Ook zij krijgt bestralingen en chemo. In mijn gezin van vier, had ik twéé mensen tegelijkertijd aan de chemokuren.

In 1995 krijg ik schildklierkanker. Mijn operaties en behandeling kreeg ik tussen de chemokuren van Esther door. Esther overlijdt in 1996, op 17-jarige leeftijd.

We zijn net als gehalveerd gezin een beetje opgekrabbeld, als Tobias in 2000 een ernstig ski-ongeluk krijgt. Bij een botsing op een andere skiër worden alle snijtanden, boven en onder, compleet met kaakbot uit zijn gezicht geslagen. Pas na drie jaar specialistische tandheelkundige zorg herstelt zijn aangezicht.

In 2002 keert bij Richard de kanker terug. Na een uitgebreide operatie heeft hij nu óók een urostoma.

Dan is het 2003. ‘Tot zondag, moedertje’, zei Tobias op vrijdagavond toen hij naar zijn eigen huis ging. Op zaterdagavond staan er twee politiemensen voor je deur: in één klap was ik geen moeder meer. Tobias was ook overleden, 22 jaar oud. Een plotselinge dood is het meest afgrijselijke wat je kunt meemaken.

Betrokken op elkaar

Een paar maanden na het overlijden van Tobias zaten Richard en ik aan tafel. We moesten onder onze stolp van verdriet vandaan kruipen, het gevoel van ons afschudden van ‘het hoeft allemaal niet meer’. Alleen hoe? Er is geen knop. Gelukkig zijn er veel mensen die voor je koken, je in de gaten houden.

Richard en ik zijn enorm op elkaar betrokken geraakt. We beseften: ooit zijn we zo ook begonnen, met z’n tweeën. Het leek alsof we opnieuw aan ons huwelijk begonnen. Zo raar. Het verdriet zullen we altijd in ons dragen. Ik zou het niet kwijt willen, het heeft ons gevormd als mens. Wij zijn veel gaan wandelen, er gaat een helende kracht uit van de natuur.

En we zijn bewust de maatschappij weer ingegaan. Richard is opnieuw gaan studeren, ik ben gaan schilderen, ik zing in twee koren en we zijn samen gaan sporten. Het hielp ook dat ik een baan kreeg op Tobias zijn middelbare school waar ik al als vrijwilliger werkte.

Zo hebben we langzaam, heel langzaam, weer zin aan ons leven kunnen geven. Want ik vind beslist niet dat mijn leven zinloos is: ik heb een partner om voor te leven en onze relatie is heel intens geworden. De zin in het leven wordt me aangedragen, misschien wel doordat ik mijzelf gedragen voel, wetende dat ik niet dieper kan vallen dan in de handen van God. Ik heb sterk het gevoel: ooit komt alles goed en daar vertrouw ik op.

Heeft u ook een zingevingsverhaal te vertellen? E-mail naar: zingeving@trouw.nl.

Lees ook:

Zingevingsverhalen

In de verhalenreeks ‘Zin in het alledaagse’ vertellen Trouw-lezers hun zingevingsverhalen. Lees hier de afleveringen terug. En klik hier voor de podcastserie die bij deze verhalenreeks verschijnt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden