Interview Djamila Rebeiro

‘Braziliaanse vrouwen zwijgen niet meer’

Djamila Ribeiro: ‘Als ik vertel dat ik filosofie heb gestudeerd reageren mensen heel verbaasd. Ze beseffen niet waaróm ze dat doen.’ Beeld Patrick Post

Hoe reageer je op seksistische en racistische politici? De Braziliaanse filosofe en activiste Djamila Ribeiro heeft daar ervaring mee. Op bezoek in Nederland licht ze haar ideeën en strategieën toe.

 Vorige week noemde hij Greta Thunberg een pirralha – een ettertje. Eerder vertelde Jair Bolsonaro een vrouwelijke parlementariër dat ze het niet waard was verkracht te worden. De Braziliaanse president, sinds 1 januari aan de macht, heeft het beledigen van vrouwen, zwarte landgenoten en critici van zijn beleid tot zijn handelsmerk gemaakt. Het is een van de redenen dat hij wel de ‘tropische Trump’ wordt genoemd. 

Bolsonaro’s aanhang, de Brazilianen die hem vorig jaar aan de macht hielpen, nemen de president zulke uitspraken niet kwalijk.  Zo serieus is het toch allemaal niet bedoeld? Maar daar denkt filosoof en activist Djamila Ribeiro (1980) anders over. In haar boeken, artikelen, blogs en instagramposts betoogt ze onder meer dat haattaal een klimaat van racisme en seksisme rechtvaardigt. Voor haar werk ontving ze begin deze maand in het Koninklijk Paleis in Amsterdam de Prins Claus Prijs.

Ze is net aangekomen uit Brazilië en arriveert een uur te laat, in een dikke witte trui, op de afgesproken locatie aan de gracht, het kantoor van het Prins Claus Fonds. Straks heeft Djamila Ribeiro één avond vrij om Amsterdam op eigen houtje te ontdekken. Daarna volgt een druk programma met optredens, een bezoek aan het Anne Frank Huis, en natuurlijk, de prijsuitreiking. Nu neemt ze de tijd om vragen te beantwoorden over het Brazilië van nu, een land dat bij Nederlanders vragen oproept. Want hoe kan een gemixte bevolking als de Braziliaanse kiezen voor een man als Bolsonaro? Hoe valt zijn zege te verklaren? “De Braziliaanse kerk heeft grote invloed in de media”, legt Ribeiro uit. “Daardoor is groot wantrouwen ontstaan tegen een politiek die gelijkheid centraal stelt – vooral die tussen man en vrouw.”

Waaruit blijkt die macht van de kerk dan?

“Het een na grootste televisiestation is in handen van de Universal Church of The Kingdom of God, de grootste kerk in Brazilië. Die is in het parlement ook ruim vertegenwoordigd, bovendien is de burgemeester van Rio de Janeiro een bisschop en de gouverneur ook. Vooral in de favela’s heeft de kerk veel invloed. Ze biedt een gevoel van gemeenschap, ze helpt de armen aan voedsel en ze vertelt hen dat hun leven beter wordt als ze naar de kerk komen. Ze verkopen hoop.”

En ze steunen Bolsonaro? Die doet toch heel onchristelijke uitspraken?

“Oh, yes. Maar Bolsonaro geeft alleen interviews op hun christelijke kanalen. Zo ontstaat het idee dat hij familiewaarden verdedigt. Van links wordt op zulke zenders het tegenovergestelde beweerd. Links zou willen dat je kinderen homoseksueel worden. Linkse mensen zouden babyflesjes uitdelen in de vorm van een penis. En mensen geloven dat.”

U profileert zich niet alleen als feminist, maar ook als zwarte feminist. Hoe belangrijk is dat nog in Brazilië? Dat is toch allang een raciale meltingpot?

“Dat is de romantische mythe. Brazilianen geloven vaak dat hun land niet racistisch is omdat het nooit rassenwetten heeft gekend zoals de VS of Zuid-Afrika. Dat er zoveel zwarte Brazilianen zijn, versterkt nog de indruk dat alles hier met elkaar mixt. Toch is dit een heel racistisch land. Alleen het bewustzijn is er niet – dat is het probleem.”

Met dat probleem heeft Djamila Ribeiro ervaring. Dankzij haar vader, een van de oprichters van de communistische partij in de havenstad Santos, werd haar intelligentie vroeg ontdekt. Maar op de scholen die Ribeiro bezocht, zaten weinig arbeiderskinderen en nog minder zwarte meisjes. “Racisme merk je vooral op school”, legt ze uit. “Ik was een heel eenzaam kind omdat niemand naast me wilde zitten.” Elke dag kreeg ze grappen over haar huidskleur en haar haar, sommige kinderen scholden haar uit. Ondanks haar prestaties bleef Ribeiro het doodeng vinden om een vraag te stellen of voor de klas te komen.

Thuis kreeg ze hele andere ideeën mee. Haar vader verwachtte niet alleen hoge cijfers, maar ook trots op haar Afro-Braziliaanse uiterlijk. Zo liep hij de hele stad af om voor haar een zwarte pop te kopen. “Ik was een uitzondering. De meeste mensen hebben de luxe niet om na te denken over racisme. Ze ontkennen vaak dat ze zwart zijn, ze noemen zich brown of chocolate. Ze zeggen tegen me: ‘Jij bent toch niet zo zwart’, en dat is dan bedoeld als compliment. Zelfs mensen als ik ontkennen vaak dat ze zwart zijn. Want het is een politiek statement: als je dat toegeeft, moet je ook tegen racisme in opstand komen. Ik weet hoe pijnlijk dat kan zijn. Dus ik begrijp het wel als mensen zeggen ‘Ik ben zwart, maar daar heb ik het liever niet over’.”

Hoe ging dat op de universiteit? Was u daar ook omringd door witte studenten?

“Het was moeilijk, want ook in Brazilië betekent filosofie studeren dat je je bezighoudt met witte Europese mannen: Duitse, Franse en Griekse. Maar toen ik ging studeren was ik al 27 én activist. Ik wilde me verdiepen in vrouwen als Simone de Beauvoir. Mijn begeleider zag haar uitsluitend als ‘de vrouw van Sartre’, maar is toen wel ‘De tweede sekse’ gaan lezen; dat boek kende hij helemaal niet. Voor mijn master heb ik gelogen. Ik vertelde dat ik me wilde verdiepen in Sarte en De Beauvoir. In werkelijkheid wilde ik het werk bestuderen van Judith Butler en zwarte filosofen zoals Audre Lorde.”

Wat trok u precies aan in Simone De Beauvoir?

“De manier waarop ze over vrouwen denkt. Dat je niet wordt geboren als vrouw, maar tot vrouw wordt gemaakt. Die discussie speelde op de universiteit helemaal niet – dat vond ik interessant. Want je kunt haar denken ook betrekken op huidskleur. Zwarte vrouwen lijken voorbestemd voor laaggeschoold werk. In de media zijn ze onzichtbaar. Als ik vertel dat ik filosofie heb gestudeerd reageren mensen heel verbaasd. Ze beseffen niet waaróm ze dat doen, wat hun onbewuste verwachtingen zijn, terwijl ik dat juist cruciaal vind. Het bewijst dat niet iedereen dezelfde kansen krijgt.”

Uw strijd voor gelijkheid wordt soms gezien als ‘linkse ideologie’. Of als ‘omgekeerd racisme’. U zou tv-zenders willen dwingen zwarte mensen aan te nemen.

“Mensen zijn bang voor het onbekende. Toen president Lula van de Arbeiderspartij aan de macht was, van 2003 tot 2011, kregen zwarte Brazilianen en vrouwen kans te studeren – ik ook. Daardoor zaten bevoorrechte Brazilianen ineens in de klas met studenten die vroeger hun huis zouden hebben schoongemaakt. Ze stemden niet vóór Bolsonaro, ze stemden tégen de Arbeiderspartij. Want die had daarvoor gezorgd. Bovendien kwam Lula uit een hele arme familie, hij was een ongeletterde arbeider. Dat vond de gevestigde orde bedreigend. En toen werd hij ook nog opgevolgd door de eerste vrouwelijke president, Dilma Rousseff. Ze was gescheiden, ze woonde met haar dochter. Dus was ze volgens de Brazilianen geen vrouw zoals een vrouw moest zijn.” Met een schamper lachje: “Geen echte vrouw.”

Vorig jaar maart werd Marielle Franco vermoord, een gemeenteraadslid in Rio de Janeiro – lesbisch, zwart, niet bang om zich uit te spreken. Bent u zelf bang vermoord te worden?

“Soms. Na de moord op Marielle Franco waren we bang. Maar inmiddels is de feministische beweging enorm gegroeid. Er wordt nu gepraat over seksisme en racisme. Ook door mensen die het niet met ons eens zijn. Er is publiek debat.”

Op social media? Dat is toch hét platform van nepnieuws, haatcampagnes en polarisatie?

“Social media zijn in Brazilië inderdaad enorm belangrijk – maar feministen weten ook hoe ze die kunnen inzetten. Onze berichten worden vaker opgepikt door kranten en televisie. Vrouwen zwijgen niet meer, dat is in Brazilië iets heel nieuws. Vooral zwarte vrouwen hebben nooit een stem gekregen. Dat is ook niet zo gek als je bedenkt dat de slavernij in Brazilië pas in 1888 is afgeschaft, terwijl er daarna niets is gebeurd om de sociale mobiliteit te bevorderen. Vroeger waren zwarte vrouwen slaaf, nu doen zeven miljoen zwarte vrouwen nog altijd huishoudelijk werk. Niemand vraagt waarom dat zo is. Alsof het een natuurlijk gegeven is.”

Vandaar uw belangstelling voor de Amerikaanse filosofe Judith Butler: zij benadrukt dat sekse en ras sociale constructies zijn. Zwart zijn is niet wat je bént, maar hoe je wordt gezien.

“Butler praat over ras, als een van de weinige filosofen, dat waardeer ik. Maar ze doet nog iets anders. Ze laat zien dat haatdragende taal ook echt haat is, en geen onschuldig gebabbel. Bolsonaro heeft zwarte Brazilianen lui genoemd. Zijn aanhang noemt zo’n uitspraak moedig. Maar volgens Butler is haattaal geen expressie van vrije meningsuiting. Het doet ook iets: het versterkt de sociale structuur die mensen kan controleren of vernietigen.”

In Nederland leeft soms de gedachte dat we haatdragende taal beter dood kunnen zwijgen.

“Dat lijkt me geen goed idee. Brazilië heeft er heel lang over gezwegen en kijk wat dat ons heeft opgeleverd.”

Maar als je die aanvallen serieus neemt, versterk je ze toch?

“Dat is waar, het heeft geen zin te reageren op absurde beschuldigingen. Maar je kunt wel laten zien wat Bolsonaro’s programma betekent. Dat weten mensen vaak niet. Ze zijn bang voor penisvormige babyflesjes, maar intussen verliezen ze hun land of wordt abortus gecriminaliseerd.”

Hebt u wel contact met Braziliaanse christenen?

“Dat probeer ik wel. Ik ben links, ik ben niet christelijk. Linkse feministen kijken soms neer op christenen en dat stoort me. Er zijn ook progressieve priesters en kerken waar wordt gepraat over huiselijk geweld en die de strafbaarheid van abortus bestrijden – want dat geldt hier als een misdaad. Veel Braziliaanse vrouwen zijn christelijk, ook vrouwen in de favela’s. We moeten begrijpen hoe belangrijk het geloof voor hen is. We moeten met hen praten.”

Lees ook: Samen tegen homofobie én racisme

Filosoof Judith Butler komt op voor homoseksuelen en transgenders. Van rechts-conservatieve verdedigers van homobelangen moet zij niets hebben. ‘Homofobie is hier niet pas gekomen met de nieuwkomers.’'

Lees ook: Hup, witte mensen, we moeten met het heden aan de slag

Op haar veertiende ontdekte  Eva Meijer dat er veel minder vrouwelijke schrijvers gelezen werden dan mannelijke. Voor haar lijst besloot ze dus vooral vrouwen te lezen (er waren wat mannen verplicht). Bij Engels las ze bijvoorbeeld Maya Angelou, Toni Morrison en Alice Walker.

Lees ook: Hoe ver reikt de koloniale schuld en hoe lang kan ze als alibi fungeren?

Zijn Frantz Fanons zwart-witideeën uit ‘Zwarte huid, witte maskers’ nog bruikbaar in de multiculturele samenleving? Stephan Sanders vindt van niet.

.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden