BoekrecensieDe laatste wildernis

Bij een Britse tocht door de natuur is de filosofie nooit ver weg

null Beeld

Robert Macfarlane, De laatste wildernis. Vertaling: Nico GroenAthenaeum-Polak & Van Gennep; 344 blz. € 20,99

★★★☆☆

Robert Macfarlane is een Brits schrijver die vooral bekend is om de verschillende boeken die hij schreef over de (wilde) natuur, waaronder zijn eerste Mountains of the Mind (2003), The Old Ways (2012), en The Lost Spells (2020). Zijn tweede boek The Wild Places – vertaald als De laatste wildernis – verscheen in 2007 en is onlangs opnieuw uitgegeven.

Door aanhoudende lockdowns en avondklokken snakt iedereen ernaar even te kunnen vluchten. Daar biedt literatuur – en vooral het genre ‘nature writing’ – een welkome ontsnapping. De lezer kan zelf misschien geen besneeuwde bergtoppen beklimmen of in heldere zeeën snorkelen, maar kan zich wel laten meevoeren door de tochten van Macfarlane over de hoogvlakten van Rannoch Moor of het afgelegen eiland Ynys Enlli en zich voorstellen te slapen op ‘matrassen van zacht veen’.

Macfarlane leunt in zijn beschrijvingen op onder anderen monniken, dichters en kunstenaars, waarbij hij tegelijkertijd vraagtekens zet bij het idee dat het liefhebben van wildernis iets is dat pas sinds de Romantiek is ontstaan. Zo schrijft hij over een kopiist uit de tiende eeuw die lang genoeg pauzeerde om een opmerking in het Gaelisch naast zijn Latijnse tekst te schrijven: “Het geschitter van de zon op deze bladzijde is me vandaag aangenaam”.

Filosofische kunstvorm

Het is mogelijk om filosofie te beoefenen zonder gebruik te maken van de gangbare filosofische gereedschapskist. Dat wil zeggen, je kunt filosofie bedrijven zonder te leunen op historische of hedendaagse filosofen, zonder conceptuele onderscheidingen te maken, zelfs zonder expliciete filosofische vragen te stellen. Het kán, maar het is moeilijk om erin te slagen. Veel ‘filosofische’ kunstvormen – vaak met de verplichte vleugjes Nietzsche hier en daar – komen niet veel verder dan betweterige maatschappijkritiek. Het is dan ook mooi dat Macfarlane zich precies niet als doel heeft gesteld een ‘filosofisch’ boek te schrijven. En toch is het dat.

Of beter: toch kun je De laatste wildernis zo lezen. Macfarlane vertelt simpelweg over zijn tochten, en het mooie is: als lezer kun je algauw niet om de filosofie heen. Wat is ‘wildernis’? Bestaat die eigenlijk wel? Is het niet een beetje bourgeois om je te beklagen over verdwijnende wildernis wanneer we ook meer welvaart en woningen willen?

Redenen om dit boek niet te lezen

Dit boek heeft soms toch een beetje hetzelfde effect als vrienden en familieleden die terugkomen van een tocht en daarover in geuren en kleuren vertellen en hun foto’s laten zien van platgeslagen berglandschappen die er in het echt ongetwijfeld machtig moeten hebben uitgezien. Zo treedt er toch een zekere vermoeidheid op na de zoveelste beschrijving van steile hellingen, hazen die over de velden rennen en al die torenvalkjes. Macfarlane doet zijn best met rijke beschrijvingen, maar soms zitten juist die rijkheid en de bijvoeglijke naamwoorden hem in de weg.

Redenen om dit boek wel te lezen

Het is niet verbazingwekkend dat Macfarlane, wanneer hij weer veilig terug is in zijn lokale beukenbos bij Cambridge, tot de conclusie komt dat hij eigenlijk helemaal niet naar de verre uithoeken had hoeven gaan. De ongereptheid zit hem ook in ‘onkruid dat opschiet uit een barst in een stoep’ of ‘een boomwortel die onbeschaamd door het asfaltpantser heen breekt’. Dat is de echte kracht van dit boek: het lezen ervan is rustgevend en zijn natuurbeschouwingen bieden een oefening in mindfulness.

Als dat inderdaad de kracht van het boek is, roept dat tegelijkertijd ook vragen op of de natuur van brexit-land voor de Nederlandse lezer de meeste inspiratie oplevert, en of het geschreven woord wel de beste vorm is. Neem bijvoorbeeld het fotografische werk van Awoiska van der Molen over de overdonderende macht en schoonheid van de verlaten natuur. En wat literatuur betreft zal de Nederlandse liefhebber van de (nabije) wildernis zich misschien beter kunnen wenden tot het boek De Expeditie Achtertuin van twee avonturiers die door eigen land trokken. 

Maar als het gaat om de typische rust die opmerkzaamheid van de wereld om ons heen teweeg kan brengen, kan niemand – ook Robert Macfarlane niet – het Natuurdagboek van Nescio overtreffen: “Eerst een lief zonnetje, daarna scheen nog zoo’n beetje uit de wolken, later triest zacht weer”. Baas boven baas.

Lees ook:

Wandelend door de Britse natuur schreef Robert Macfarlane ‘De laatste wildernis’. Maar hij verkende ook de  huiveringwekkendste diepten van de aarde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden