InterviewGeloofstraditie

Beelden passen prima in de kerk, vindt theoloog Alfred Bronswijk. ‘Als we God niet in beeld krijgen, raakt hij buiten beeld’

Het altaar in de Domkerk in Utrecht, beschadigd bij de Beeldenstorm in de zestiende eeuw. Beeld Alamy Stock Photo
Het altaar in de Domkerk in Utrecht, beschadigd bij de Beeldenstorm in de zestiende eeuw.Beeld Alamy Stock Photo

Veel protestanten hebben vanouds moeite met beelden in de kerk, maar dat is nergens voor nodig vindt de gereformeerde promovendus Alfred Bronswijk. ‘De Bijbel is geen beeldenbestormend boek.’

Protestanten vergissen zich wanneer ze zeggen dat beelden in de kerk niet passen. Hun beroep op het jodendom dat van aanvang af aan beeldloos zou zijn geweest, berust op een misvatting. Dat betoogt de Deventer theoloog Alfred C. Bronswijk (79), die deze maand aan de Radboud Universiteit in Nijmegen promoveert op God en zijn beelden.

Het fundament voor uw proefschrift is eigenlijk in uw kindertijd al gelegd. U zag rijk versierde katholieke kerken en dacht: goh, waarom hebben wij gereformeerden dat niet?

“Klopt, zij het dat mij was ingeprent dat katholieken er volkomen naast zaten. Alleen de gereformeerden hadden het bij het juiste eind. Toch gingen we in Haarlem met kerst naar de nachtmis, wat in die tijd redelijk uniek was voor protestanten. Ik herinner mij m’n fascinatie voor wat ik daar zag. Die fascinatie is mijn hele leven gebleven.”

Met als resultaat deze dissertatie.

“Het was een geweldig genoegen om de rode draad van mijn leven in dit proefschrift uit te benen. Als protestant ben ik opgevoed met vanzelfsprekendheden, bijvoorbeeld rond beelden in de kerk. Dat die vanzelfsprekendheden berusten op constructies, daarover werd niet na­gedacht.”

De belangrijkste constructie komt voort uit Exodus 20, waar geschreven staat dat je geen andere goden dan JHWH mag aanbidden. Dus daarom geen (afgods)beelden.

“Het jodendom is lange tijd een ­polytheïstische godsdienst geweest. Men aanbad naast JHWH andere goden, zoals Baäl en de vruchtbaarheidsgodin Asjera. Daar heeft Exodus 20 inderdaad een einde aan willen maken. Maar! Het beeldverbod van het jodendom, zoals we dat nu kennen, is pas rond de achtste eeuw ontstaan, en niet al in de tijd van Mozes. Met andere woorden: beeldloosheid behoort niet tot de oer­traditie van het jodendom, al sug­gereren het Exodusverhaal en de Tien Geboden van wél.”

De Reformatie heeft het beeldverbod van Exodus 20 overgenomen. Waarom?

“Omdat ze geloofden dat het jodendom van het begin af aan beeldloos was. Dus, was de vervolgredenering, moet dat voor ons, als voortzetting van het jodendom, ook gelden. Nog eind negentiende eeuw heeft de Duitse protestantse theoloog Von Harnack die suggestie van een totaal beeldloos jodendom bevestigd.”

Terwijl, zo blijkt uit uw proefschrift, in het Syrische Dura-Europos een volledig beschilderde synagoge is opgegraven uit de derde eeuw, waaronder zelfs afbeeldingen van naakte vrouwen.

“Die opgravingen dateren van 1932 en waren eind negentiende eeuw, de tijd van Von Harnack, dus nog niet bekend. Men baseerde zijn con­structie louter op de Bijbel en de ­Romeins-Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus.”

Ook het jonge christendom werkte met beelden. In datzelfde Dura-­Europos is een christelijk huiskerkje opgegraven met een vroege afbeelding van Christus. Was dat misschien omdat ze dachten: dat beeldverbod is louter voor de joden ­bedoeld?

“Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag. In het Nieuwe Testament is in elk geval niets te vinden over een beeldverbod. Jezus heeft een discussie over het beeld van de keizer en zegt: geef de keizer wat des keizers is. Rabbijnen willen de munt van keizer Tiberius niet aankijken, maar Jezus trekt zich daar niets aan. Ten tweede: de vroege christenen weken van heel veel af: besnijdenis, sabbat, offer en ga zo maar door. Je kunt hen niet gelijkstellen met het oude jodendom. Ze waren een volledig nieuwe tak van sport. Vanaf eind tweede, begin derde eeuw zie je hen een beeldcultuur ontwikkelen – onder meer prachtige catacomben in Rome, en ook dat kerkje in Dura-­Europos.”

U schrijft dat het bij de eerste christenen niet zozeer ging om de wet van Mozes, maar om de navolging van Christus.

“En meer dan dat. Ook de incarnatie: God materialiseert zich in Christus. Dus mag je beelden gebruiken. Dat is de sleutel van de Grieks- en oosters-orthodoxe theologie: door de incarnatie is elke beeldschuwheid ver­leden tijd. De Bijbel is geen beelden­bestormend boek.”

Van enige beeldschuwheid is inderdaad weinig te merken in Grieks- en oosters-orthodoxe kerken.

“De vroege kerk heeft op het Tweede Concilie van Nicea in 787 vastgelegd dat de beeldtraditie dateert uit de tijd van de apostelen. Ik kan dat beamen noch ontkennen. Wat ik wel weet, is dat de christelijke beeldtraditie al zeer oud is. Ook de reliekverering heeft heel oude papieren binnen het christendom. De protestanten ontkennen met hun beeldverbod eigenlijk vijftien eeuwen ­geloofstraditie.”

Hebben katholieken dan misschien toch een beetje gelijk, om even terug te komen op het begin van dit interview?

“Laat ik het zo zeggen: historisch ­gezien continueren katholieken wat eeuwenlang waarheid was, en nemen protestanten een wisseltje zijwaarts. Wat ik daarmee bedoel? In het Bijbelse gebod staat: gij zult geen vreemde goden aanbidden. Wat zijn vreemde goden? In de tijd van Israël waren dat de Babylonische en Assyrische goden, enzovoort. Maar in de tweede, derde eeuw komen beelden van Maria en Christus in de kerk. Dat kun je toch moeilijk vreemde goden noemen? Zoals ik in mijn proefschrift zeg: de vroege kerk heeft niets anders gedaan dan het kerstenen van de Grieks-Romeinse beeldcultuur.”

Veel mensen koppelen de Beeldenstorm aan Luther, terwijl hij niet per se tegen beelden in de kerk was.

“Luther was tegen het veréren van beelden, niet tegen het máken ervan. Het kantelpunt lag voor hem niet ín het beeld zelf, maar in wat jij ermee doet. Heel modern gedacht. Bezoek eens een lutherse kerk in Duitsland en je ziet volop beelden. En ook uitgebreide altaren met schilderingen. Lutherse voorgangers dragen gewaden. Denk verder aan de lutheraan Bach die prachtige missen componeerde. Nee, het verzet tegen beelden vond je met name bij de ­calvinisten. Lutheranen en calvinisten waren in Duitsland dan ook ­water en vuur.”

Calvijn heeft het sacrale beeld uit de kerk verbannen en daarmee de iconoclastische (beeldloze) traditie binnen het protestantisme ingezet. Wat was zijn theologische onderbouwing?

“Ik noem hem een spiritualist. Hij ging niet uit van kritiek op de bestaande godsdienst, zoals Zwingli, maar van de vraag: wat is de ware vorm waarin God moet worden gediend?

“Calvijn beriep zich daarbij op ­Johannes 4, waarin Jezus tot een ­Samaritaanse vrouw zegt: dien God in geest en waarheid. Materie wordt daarbij niet genoemd, dus concludeerde Calvijn: geen beelden in het geloof. Hij baseerde zich daarbij ­grotendeels op de theologie van de Duitse protestant Karlstadt, de oervader van het iconoclasme. Die noemde katholieken beeldenkussers.”

Pas vier eeuwen later wordt dat protestantse iconoclasme ter discussie gesteld, en wel bij monde van de Duits-lutherse theoloog Paul Tillich (1886-1965). Wat is zijn bijdrage ­geweest?

“Hij is de pionier van het moderne beelddebat voor protestanten. Tillich laat de geschiedenis achter zich, haalt katholieke beeldtheologen als Bonaventura en Thomas van Aquino aan, en concludeert: we kunnen alleen via menselijke symbolen over God spreken en ons op die manier met hem verbinden. Het is, denk ik, heel belangrijk dat we God in beeld krijgen, anders raakt hij búiten beeld.”

In uw proefschrift proef ik een groot verlangen om de Protestantse Kerk in Nederland vol beelden te zetten. Klopt dat?

“Ha! De beeldcultuur leeft helemáál niet onder protestanten. Dat heb ik vorige week weer eens gemerkt toen ik op de radio werd geïnterviewd over mijn dissertatie. Een bozige protestant mailde mij: ‘Waar haalt u het vandaan? God zelf heeft beelden verboden!’ Mijn eerste hatemail, ­eindelijk!”

Met uw dissertatie wilt u een dialoog op gang brengen tussen katholieken en protestanten. Hoe moeten we dat voor ons zien?

“Protestanten weten weinig over beeld en geloof. Dat is jammer, want wie altijd heeft geslapen op het biljart van de gewoonte, weet niet hoe lekker het bed van de kennis ligt. Ik zou de rijkdom van de christelijke beeldcultuur graag openleggen voor protestanten door, om te beginnen, een discussie te entameren tussen protestantse en katholieke theologen.”

Lees ook:

Die Beeldenstorm viel wel mee

De Beeldenstorm, die 450 jaar geleden plaatsvond, is nog altijd omgeven door misverstanden. Het was verre van de ongecontroleerde volkswoede die de legende ervan maakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden