InterviewTheo Wobbes

Arts en filosoof Theo Wobbes wil de kijk op het lichaam verruimen

Beeld Colourbox, bewerking Trouw

We zijn ons lichaam en we hebben het. De dokter ziet vooral het laatste, de filosoof het eerste, stelt medicus en filosoof Theo Wobbes. Hij wil de kokerblik van beiden verruimen.

Het ­lichaam heeft een januskop, zegt emeritus hoog­leraar chirur­gische ­oncologie Theo Wobbes (74). Het is zowel een biologisch ding, als het kloppende, ademende huis van vlees en bloed dat de mens is.

Dat dubbelidee ontleent Wobbes aan zijn inspirator, de Duitse filosoof Helmuth Plessner. Die beschreef het lichaam als Körper en als Leib. Dat Leib is het lijf waar je in woont, het lichaam dat je bent. Körper is waar je je in de expositie ‘Body Worlds’ aan kunt vergapen, het lichaam dat je hebt en waarvan studenten geneeskunde de anatomie moeten leren.

Laatst heeft Wobbes voor artsen in spe een voordracht gehouden om die twee aspecten te belichten. De biomedische wereld, stelt Wobbes, concentreert zich op dat Körper, het lichaam-ding dat zich aan biologische wetten houdt. Maar het ervaren Leib raakt bij dokters volgens hem zo gemakkelijk uit zicht, dat een patiënt er als subject bij betrokken is. “Je kunt een diabetes­patiënt omschrijven als iemand met te veel suiker in zijn urine door een slecht werkende alvleesklier, je kunt ook zeggen dat het lichaam, het hele zijn is aangetast en dat de patiënt daardoor heel anders in de wereld staat. Dat dubbele perspectief was nieuw voor die studenten. Ze wisten niet eens dat ze dat niet wisten en vroegen: waarom ­horen we daar zo weinig over?”

Het halve verhaal van Ötzi

Voor Wobbes, auteur van het recent gepubliceerde boek ‘Het lichaam als centrum en voorwerp’, staat vast dat je als onderzoeker veel te weten kunt komen door bestudering van dat Körper. Neem de man die vijfduizend jaar geleden in het Ötztal stierf. Zijn lichaam werd in het Italiaanse Alpenijs gemummificeerd om in 1991 tevoorschijn te smelten. Door technologisch onderzoek weten we wat ‘Ötzi’ heeft gegeten, in welk ­seizoen hij stierf, wat de doodsoorzaak was – getroffen door een pijl – en nog veel meer. Maar, zegt Wobbes, we weten niet hoe Ötzi zijn ­leven heeft ervaren, hoe hij in dat ­lichaam de Kopertijd beleefde, hoe het was om Ötzi te zijn. We kennen zijn Körper, niet zijn Leib – en dus maar het halve verhaal.

Wobbes is zelf een kind van de Körper-traditie, zijn vader was horlogemaker. “Kwamen mensen met een kapot uurwerk bij hem langs, dan zag hij al snel wat eraan mankeerde. Het zal wel in de genen zitten – ik ben ook handig – dus ik ben chirurg geworden en ik had net als m’n vader gauw in de gaten wat er bij een patiënt aan de hand was.”

Theo Wobbes

Na zijn emeritaat stortte Wobbes zich op de techniekfilosofie, een tak van de wijsbegeerte die hem als chirurg al langer bezighield. Uit het ziekenhuis was hij vertrouwd met ethici en moraalfilosofen die in de medisch-ethische commissies zaten. Zij buigen zich over de morele kwesties van het medisch handelen – mag dit, kan dat, en onder welke voorwaarden? Maar filosofen die de wijsgerige vooronderstellingen van het medisch vak bestuderen, zijn er veel minder, stelde Wobbes tot zijn verbazing vast. “Ik heb een niche gevonden”, zegt hij lachend. In 2019 promoveerde hij op het posthumanisme. Nu schrijft hij over de eenzijdigheden van zijn oude en nieuwe vakgenoten, de dokters en de filosofen. Medici, en zeker ‘snijdende specialisten’ van wie hij er zelf een is, hebben vooral gevoel voor het Körper, de weinige filosofen die reflecteren op het medische metier, concentreren zich juist op de fenomenologie, het leibliche, op de beleving van de patiënt.

De dokter en de filosoof hebben in Wobbes’ ogen beiden een koker­visie; zijn missie is hun blik te verruimen. Hoe is hij daartoe gekomen? “Ik was jaren chirurg en dat pure handwerk, dat wist ik zo langzamerhand wel. Toen ontdekte ik het werk van Plessner. De techniekfilosofie kende ik al, maar daarin was de techniek toch vaak een monster dat we gecreëerd hebben. Iets griezeligs dat de mens bedreigt. Plessner zegt juist dat we kunstmatig van nature zijn. Veel positiever dus, techniek hoort bij ons wezen, ze helpt ons ons smartelijke bestaan te verlichten. Dat sprak me aan. En anders dan een dier kunnen wij onszelf van een afstandje bekijken en daarover nadenken.”

Onze Mitwelt

Dat nadenken over wat we zijn en doen, doen we als het ware buiten het lichaam om. Dat is – nog zo’n Plessner-term – onze ‘excentrische positionaliteit’. De mens leeft buiten het lichaam, en hij weet het. Daarom is het onzin dat we ons brein zijn, zegt Wobbes. Dat brein hebben we zodat we deel uit kunnen maken van de omgeving, de Mitwelt, de cultuur die onze individuele psychologie en ons lichaam vormt en kneedt.

Körper, Leib en Mitwelt hebben een driehoeksverhouding waarin, benadrukt Wobbes, alle drie even ­belangrijk zijn. Ze beïnvloeden elkaar onophoudelijk. Een fenomeen waarbij de Mitwelt een cruciale rol speelt en inwerkt op Leib en Körper, illustreert Wobbes aan de hand van het ‘open been’. Dat is een wond die doorgaans tergend traag geneest. Daarbij biedt een praatgroep van lotgenoten soelaas. “Een ondersteunende en begripvolle omgeving kan wonderen doen”, stelt Wobbes. En bij de ziek­te van Parkinson, een progressieve neurologische aandoening, heeft een neppil vaak ‘gunstige effecten op de rigiditeit van de spieren’.

En wat heet nep? “Psychologische en sociale factoren hebben invloed op biologische processen. De witte jas, de geruststelling, de sfeer en vooral de goede verstandhouding tussen therapeut en patiënt dóén iets. In placebo’s zitten geen werkzame stoffen, maar ze brengen wel iets teweeg, ze zetten neurobiologische mechanismen in gang. Dat sommige mensen wel en andere niet gevoelig zijn voor een placebo, kan zelfs in het genoom zijn verankerd, in het ‘placeboom’.”

Dokters zijn gepokt en gemazeld in het körperliche, maar in beschouwingen die geesteswetenschappers over hun vak schrijven, ontbreekt dat element nogal, meent Wobbes. “In filosofische en ethische reflecties over de geneeskunde worden de körperliche aspecten veelal over het hoofd gezien.”

Dat heeft verstrekkende gevolgen. Neem het inbrengen van een cochleair implantaat, een apparaatje dat doven weer iets kan laten horen. Ethici hebben wel oog voor de sociale gevolgen binnen de dovengemeenschap (Wat is er mis met doofheid? Is onze cultuur niet volwaardig?), maar niet voor de complicaties die kunnen optreden bij het implanteren van dit hulpmiddel.

Diepehersenstimulatie

Of neem diepehersenstimulatie die parkinsonpatiënten van hun trillen af kan helpen. Helaas gaat het daarbij vaak mis, bij tot wel 34 procent van de ingrepen treden complicaties op, zegt Wobbes. “De trans­humanisten vinden dat we onszelf met zulke technieken moeten verbeteren, zo stijgen we boven onszelf uit. Maar ze zien niet dat je het lichaam heel wat aandoet. Dat heeft consequenties.” Die verdisconteren deze filosofen niet. Ze hebben, aldus Wobbes, gewoon hun huiswerk niet gedaan.

Theo Wobbes, 'Het lichaam als centrum en voorwerp', Eburon, 308 pagina's.

In zijn boek gaat Wobbes ook in op de gevolgen die stress hebben op de mens. Je hartslag gaat er niet alleen van omhoog, de spanning gaat onder je huid zitten en blijft daar, je kunt er onomkeerbare schade door oplopen. Tot in je genen aan toe. Daarin worden schakels omgezet die niet ­altijd zijn terug te zetten, waardoor je bevattelijk wordt voor ernstige aandoeningen. Wobbes: “Je mag de sociale krachten die stress veroorzaken, niet negeren. Mensen kunnen er blijvend door uit evenwicht raken, wat hun leven schaadt en uiteindelijk de maatschappij geld kost.”

Dat is wat we tijdens de coronacrisis zien – waarbij alle aandacht uitgaat naar besmettingscijfers en de ic-bezetting, en weinig naar de stress-effecten van de lockdown op de langere termijn. Wobbes: “We concentreren ons te sterk op het körperliche van vandaag. De stressgevolgen kun je pas later vaststellen, dat maakt het lastig voor het beleid nú, maar die ef­fecten zijn er zeker. En vergeet niet de effecten die we nog helemaal niet kennen. We weten niet hoe mensen die van de lockdown-beperkingen een klap krijgen, eruit komen.”

Minder een horlogemaker

Zou rustend arts Wobbes met zijn ­filosofische nu een andere dokter zijn? “Voor de meeste patiënten niet, maar sommigen zou ik inderdaad anders benaderen. Op m’n 35ste was ik chirurg en dan gá je ervoor, maar als je wat ouder wordt, word je beschouwender. Bescheidener ook.” Hij is, stelt hij tevreden vast, minder een horlogemaker geworden. “En soms denk ik: was ik maar eerder wat wijzer geweest.”

Theo Wobbes zegt het Pontius ­Pilatus na: ecce homo. Zie de hele mens, met zijn of haar Körper, Leib en Mitwelt. “Ik weet wel wat er allemaal technisch kan, körperlich dus. Maar wat doe je de patiënt aan, leiblich, hoe werkt dat sociaal en psychologisch door in haar Mitwelt? Er kan veel, maar soms leidt het tot niets. Dus ik zou niet altijd meer tot het gaatje gaan.”

Theo Wobbes, ‘Het lichaam als centrum en voorwerp’., Eburon, 308 blz., € 29,50.

Lees ook:

Zodra de arts een diagnose stelt, ga je je als zieke gedragen

Onder druk van patiënten en politiek gaat de Gezondheidsraad zich buigen over onbegrepen ziekten: klachten zonder gekende aandoening. Is de patiënt daarmee geholpen? Marli Huijer en Cees Renckens denken van niet.

‘Je moet durven erkennen dat je leven niet is zoals je van tevoren hoopte’

Voor breekbaarheid is geen ruimte in de huidige prestatiemaatschappij. We moeten vooral laten zien dat we sterk zijn en onze ellende kunnen overwinnen. Onzin, zeggen anderen. ‘Accepteer dat het leven niet altijd is zoals je hoopte.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden