Allerzielen: om hem in liefde los te laten

Vandaag, op Allerzielen, de dag waarop de rk kerk  overledenen herdenkt, memoreert schrijver Kees Verheul de kracht van een eeuwenoude liturgische tekst, het ‘In paradisum’. 

Uit de toespraak bij de begrafenis van mijn man Kees Smit op Oud Eik en Duinen in Den Haag, 29 september 2018

[…] Dan iets over de muziek van straks. Toen ik opperde dat ik bij het wegdragen van zijn kist ‘In paradisum’ wilde laten klinken, zei Kees volmondig: ‘O, jaaa!’ Ondanks, of wie weet juist dóór zijn tegenwoordige medische status als ‘arme van geest’ (een vrijwel letterlijke vertaling van dement) begreep hij deze keer direct wat ik bedoelde.

We hebben dit oude gregoriaanse lied samen leren kennen bij de uitvaart van een bevriende jonge aidspatiënt uit ons flatgebouw aan de Amsterdamse Kerkstraat. Begin jaren negentig, de tijd van nagenoeg ieders instinctieve paniek bij het ontwaren van een kennelijk doodzieke homo en de neiging dan een straatje om te lopen uit angst door hem te worden aangeklampt en, ja echt, ze zeggen dat dit kan, van dichtbij besmet te raken door zijn adem.

Onze Willem was van roomse herkomst en de uitvaart vond plaats in de kapel van de Amsterdamse Begijnhof. Terwijl de kist weer langzaam op de schouders werd getild naar de buitenlucht van het stille hofje en even verder de doorgang, nauw en laag als een rattenval, naar het plotselinge stads­kabaal van het Spui, klonk telkens opnieuw dat onverstoorbare, als een vogelvlucht boven de kist op en neer deinende eenstemmige gezang.

Een heilzaam tegenwicht

Ik kan weinig anders zeggen dan dat wij er allebei ‘kapot’ van waren. Kapot, om het met een afstandelijker cliché te formuleren, door een soort ‘existentiële shock’. Zoals ik het nu meen te begrijpen is Kees’ kennismaking destijds met dit lied misschien wel de katalysator geworden van het lange en veelzijdige proces dat hem er omstreeks de millenniumwisseling bijna toe heeft gebracht om officieel rooms-katholiek te worden.

Tijdens het onlangs kopiëren en overdenken van de waarschijnlijk minstens veertienhonderd jaar oude ‘In paradisum’-tekst ben ik deze gaan waarderen als de bij mijn weten rijkste vormgeving van het onderwerp: de dood van een geliefd iemand. Toen ik het lied en het bijbehorend ritueel eens besprak met onze ter zake kundige vriend Willem Jan Otten, formuleerde deze het ongeveer zo: ‘In paradisum’ is op zijn minst een heilzaam tegenwicht bij de gangbare sfeer tijdens een moderne begrafenis. Die draait immers meestal om het verlangen de dierbare nog uit alle macht tegen te houden bij zijn vertrek uit ons leven, om vóór alles zijn of haar ‘leven te vieren’, zoals dat heet.

Ik moest Willem Jan gelijk geven. Al was het alleen maar om­dat vrijwel alle toespraken vanaf het spreekgestoelte-met-microfoon gaan over hoe geweldig, hoe lief, hoe geestig, kortom hoe énig onze opgebaarde in betere tijden is geweest. En hoeveel hij of zij wel van de spreker heeft gehouden. En wat een humor ook die spreker toont bij het opdissen van zijn anekdotes. Ik voor mij ben blij dat zulke onderwerpen vanmiddag zeker een plaats zullen krijgen, maar dan waar ze ideaal thuishoren: in de spontane onderonsjes met z’n tweeën, drieën, vieren tijdens de nazit van de ‘besloten kring’ van Kees Smits naaste vrienden.

In liefde loslaten

‘In paradisum’ geeft op het dramatische moment van geza­men­lijk opstaan en vertrekken naar het concrete doel van de uitvaart, een heel andere wending aan de realiteit van dood en begrafenis dan wat we gewend zijn. Het focust de aandacht op wat hij of zij nú is en wat zij of hij nú, onbereikbaar voor ons, steeds meer zal worden. In plaats van het zojuist geschetste egocentrisch vasthouden, de bereidheid om een gestorvene onzelfzuchtig zijn eigen weg te gunnen. Om hem in liefde los te laten.

Ik lees jullie de tekst van ‘In paradisum’ voor, eerst in het origineel, daarna in de meesterlijke vertaling van de jonge Guido Gezelle:

In paradisum deducant te Angeli:
in tuo adventu suscipiant te Martyres,
et perducant te in civitatem sanctam Ierusalem.
Chorus Angelorum te suscipiat,
et cum Lazaro quondam paupere
aeternam habeas requiem.

Ten paradijze geleiden u de engelen,
ga met de heilige martelaars mede,
en uit Jeruzalems zalige muren
komen de zingende koren u tegen!
Ga, eens met Lazarus arm en ellendig!
rust… in alle eeuwen der eeuwen onendig!

“Goede reis”, zei de assistente van de euthanasiearts afgelopen woensdag op het grote moment tegen Kees. Ik zag aan haar blik bij deze woorden dat zij iets totaal anders, iets veel echters waren dan het opmerkelijke cliché van een professional, zoals je had kunnen verwachten. Goede reis. Ik heb de tegenstrijdige emoties gelukkig nooit zelf ervaren van ouders met een zoon of dochter, van laten we zeggen achttien, die per se op een lange en riskante wereldreis wil gaan met alleen een rugzakje bij zich. Maar ik kan ze me indenken. 

Ander voorbeeld. Een Russische vriend van me werd begin jaren zeventig door het totalitaire regime van destijds weggebonjourd uit zijn land. Bij ieder bezoek aan de Sovjet-Unie ging ik in Leningrad bij zijn ouders langs en dan zucht­­ten ze: “Natuurlijk missen we hem verschrikkelijk en zijn we bang om” – zoals ook gebeurd is – “hem nooit meer te zullen zien. Maar we zijn blij voor hem. Hij heeft het daar in Amerika denken we veel beter, met kansen die hij hier nooit zou hebben gehad.” Het is, meen ik, een soortgelijk complex van emoties waar ‘In paradisum’ ook vanmiddag klank en richting aan wil geven. 

De pauper Lazarus

Voor alle duidelijkheid nog iets over de werkwoordsvormen in Gezelle’s vertaling: geleiden u de engelen, komen de zingende koren, enzovoort. Door de goede verstaander moeten ze kennelijk in aansluiting op het Latijn worden opgevat als aanvoegende wijzen. Geen zekerheden, maar een liefdevolle wens: mogen de engelen u geleiden, laten de zingende koren u tegemoet komen.

Wat betreft Lazarus, de enige met naam genoemde hemelbewoner, denk bij hem niet aan de overbekende welgestelde volgeling die door Jezus in de spectaculairste scène van het Nieuwe Testament wordt teruggeroepen uit zijn graf. Hier is het diens naamgenoot uit een tegenwoordig haast vrijwel vergeten geraakte gelijkenis van Jezus. Deze Lazarus is een bedelaar, ziek, haveloos, door het personeel van rijke woningen geweerd uit de eetzaal waar nettere armen dan hij mogen komen profiteren van etensresten op de vloer. Naar Lazarus kijkt niemand om. Alleen straathonden, zo vertelt de gelijkenis, likten zijn wonden. Maar na zijn dood wordt Lazarus, in woorden die de maker van ‘In paradisum’ welbewust uit het evangelie lijkt te citeren, ‘opgetild door de engelen’ en rechtstreeks ‘omhooggedragen’ naar de hemel.

Er is naar mijn ervaring weinig fantasie voor nodig om in de pauper Lazarus niet alleen onze vroegere aidspatiënt uit de Kerkstraat te herkennen, maar ook iets van mijn en jullie Kees in zijn schrijnende, nu gelukkig voorbije toestand als armoedelijder-naar-de-geest.

Kees Verheul (1940) schrijft verhalend proza en essays en vertaalt Russische literatuur. Hij leefde 52 jaar samen met zijn schoolvriend Kees Smit, met wie hij in 1998 trouwde. 

Lees ook

Allerzielen toont de vervagende grens tussen protestant en rooms-katholiek

Allerzielen is een rooms-katholieke traditie, die tegenwoordig ook door protestanten wordt omarmd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden