Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Winnares Socratesbeker: 'Ik wil niet bluffen dat ik het weet'

Home

Leonie Breebaart

Filosofe Marjan Slob © Jörgen Caris
interview

Filosoferen is best moeilijk, weet Marjan Slob. Elk denkstapje moet je zelf zetten. Met haar uitdagende en elegante boek ‘Hersenbeest’ won ze vanavond de Socrates Wisselbeker.

Zijn we ons brein? Het grote publiek lijkt overtuigd van wel. Ben je depressief? Dan ligt dat niet langer aan je jeugd of aan de maatschappij, maar aan het ‘serotonine-niveau’ van je brein. Hersenwetenschappers zijn graag geziene gasten bij talkshows. En het succes van de door neuroloog Dick Swaab gemunte gedachte ‘We zijn ons brein’ heeft de afgelopen jaren een stroom ‘breinboeken’ losgemaakt. Essayist en filosoof Marjan Slob is al jaren gefascineerd door de opkomst van de neurologie, maar heeft zich wel afgevraagd of haar boek niet te laat kwam, vertelt ze in haar Utrechtse woning. “Ik heb serieus overwogen mijn boek ‘Na de hersenhype’ te noemen, dan had het nog een soort van timing!”, lacht ze. “Later begreep ik dat de toon anders moest. Die hersenboeken zijn vaak zo uitleggerig, niet onderzoekend.”

Lees verder na de advertentie

Die toon heeft geloond, want het alom geprezen ‘Hersenbeest’ won vanavond de Socrates Wisselbeker voor het prikkelendste filosofieboek van het afgelopen jaar.

Als essayist had Marjan Slob zich al in 2007 bewezen met ‘Foute fantasieën of Kleine filosofie van de ontvankelijkheid’, waarin ze haar verslaving aan Bouquetreeks-romans analyseerde. De vraag hoe een feministe als zijzelf verslingerd kon raken aan rolbevestigende romances als ‘Dag vol beloften’ en ‘Fataal misverstand’ moest maar eens tot de bodem uitgezocht worden. Kun je er als feminist naar verlangen overweldigd te worden? Kennelijk wel. “Als ik een filosofisch probleem ervaar, dan voel ik: hier klopt iets niet. Er zit een lek in de redenering, maar ik weet nog niet waar. Wat zijn de achterliggende veronderstellingen? Dat wil je weten. En dan kom je op verrassende dingen.” Inmiddels heeft Slob nog drie andere boeken op haar naam staan en schrijft ze een tweewekelijkse column voor de Volkskrant. Daarnaast helpt ze ministeries en denktanks om hun beleidsvisie scherp te krijgen.

Wat stoort u aan het succes van hersenwetenschappers?

“Ik heb niets tegen hersenwetenschappers, die doen prachtig werk. Dat we de hersenen van een lévend mens tegenwoordig kunnen bestuderen is ook heel bijzonder! Ik begrijp de maatschappelijke gretigheid om ‘eindelijk’ wetenschappelijke kennis te verkrijgen over onszelf. Alleen is dat te simpel gedacht: we kunnen niet om de taal heen. Want stel dat neurologen iets typisch menselijks willen onderzoeken, zoals het verschil tussen schuld en schaamte. Dan moeten ze toch eerst weten wat schuld ís? Of wat schaamte is? Een hersenwetenschapper die aanschuift bij ‘De Wereld Draait Door’ zal het niet snel toegeven, maar het vaststellen van een definitie én het verzinnen van een betrouwbare methode om gedachten te meten vergt heel veel praten, en denken, en afstemmen. De rest is gewoon een kwestie van meten. En dat is eigenlijk veel minder interessant en veel minder moeilijk.”

Hoe komt het dan dat neurologen zoveel succes hebben met de gedachte dat zij en zij alleen de waarheid over de mens op tafel kunnen leggen?

“Het grote publiek gaat makkelijk mee in de gedachte dat er maar één echte manier van wetenschap bedrijven is – en dat is dan al snel de natuurwetenschap. Er is niets mis met natuurwetenschap, alleen is het niet de enige wetenschap en ook niet de topwetenschap. Dan doe je alsof kennis pas kennis mag heten als ze universaliseerbaar is. Daar zit het lek in de redenering. Want natuurlijk geldt de kennis van historici of sociologen niet voor elke tijd en elke plaats. Maar dat kun je moeilijk een zwakte noemen, want als je iets wil zeggen over mensen in een bepaalde tijd en plaats, dan is die kennis per definitie niet universeel geldig. Neem het verschil tussen mannen en vrouwen. De biologische verschillen zijn vrij universeel. Maar wat het betékent man of om vrouw te zijn, hier of in Ethiopië, of in het oude Egypte – dat krijg je niet generaliseerbaar. Als je dat zou proberen, dan verlies je alleen maar kennis, kennis over wat het betekent tot een bepaalde cultuur te behoren.”

U put in uw boek uit nieuw neurologisch onderzoek, uit de wereldliteratuur én uit uw eigen ervaringen. De ene bron is toch wel wetenschappelijker dan de andere?

“Literatuur is geen wetenschap, maar het is wél een manier om te onderzoeken wat een mens is. Ik wil laten zien dat er niet één idioom is waarmee je de hele mens in kaart kunt brengen. Dé waarheid is iets waarnaar we gezamenlijk zoeken, niemand heeft haar helemaal in pacht. Samen komen we wel steeds meer aan de weet, dankzij de hersenwetenschap, maar net zo goed dankzij al die andere manieren om de mens te onderzoeken. Daarom spoor ik wetenschappers aan naar elkaar toe te graven. Dat is wel typisch iets van filosofen, denk ik, dat ze kennissystemen aan elkaar proberen te solderen. Wat gebeurt er als je kennis uit de geesteswetenschappen verbindt met die van de natuurwetenschappen – en misschien met de kunst of met de verhalen van mensen op straat? Wat voor soort vragen en mensbeelden ontstaan er dán?”

Waarom willen filosofen dat zo graag, kennis aan elkaar solderen?

“Ik denk toch uit de hoop dat we één wereld delen. Filosofen weten heel goed dat we allemaal net even anders tegen de zaken aankijken, maar als we het gevoel verliezen dat er werk aan de winkel is als onze vooronderstellingen elkaar tegenspreken, verliezen we het idee van een gedeelde wereld. Dan valt de bodem onder de samenleving weg. Die discussie over alternative facts…. als iedereen z’n eigen feiten heeft, dan word ik daar heel wanhopig van.”

Die gedeelde wereld waarin zoveel verschillende talen zijn opgenomen, moet intussen wel een hele complexe wereld zijn.

“Ja, complexer en rijker. Ik hoop vurig dat we naast die machtige kwantitatieve hersentaal over onszelf ook de taal die onze binnenwereld verkent, blijven koesteren en ontwikkelen. “

De stijl van ‘Hersenbeest’ lijkt er op uit zoveel mogelijk mensen te bereiken. U schrijft helder, toegankelijk en bijna luchtig. Is dat ook een manier om het eens te worden? Dat iedereen uw redenering kan volgen?

“Dat probeer ik inderdaad, de zinnen moeten glad zijn. Ik bedoel niet reclameglad, maar de lezer moet niet struikelen over mijn ego, dat moet weggefilterd zijn. Arnon Grunberg heeft wel­eens gezegd: ‘Stijl is de afstand van de schrijver tot zijn gevoel’. Dat vind ik een hele mooie definitie. Dat probeer ik.”

Toch duikt u wel op in uw eigen boek. U schrijft dat u als verse psychologiestudent wordt meegenomen naar een lab met proefdieren en dat u zich teleurgesteld afvraagt hoe zo’n zielige rat in een kooitje ons kan helpen het mysterie van het menselijk verstand te doorgronden.

“Als je gelooft dat kennis altijd te maken heeft met geleefde werkelijkheid, dan zou het een soort valsspelen zijn, als ik mezelf daar totaal buiten zou laten, of als ik zou zeggen ‘wij’. Ik heb een hekel aan het woord ‘wij’. Dan denk ik: welke ‘wij’? Dat vind ik irritant. Ik vind dat ik namens mezelf moet spreken. Maar dat wil niet zeggen dat het over mij moet gaan. Het betekent alleen dat ik mezelf als instrument gebruik.”

Dat lijkt me een lastige opdracht. Schrijven vanuit jezelf, maar dan zonder dat de lezer daar last van heeft.

“Het is ook een schrijfoefening. Soms schrijf ik passages waarvan ik denk: dat boeit niet, het zit te vol met mijn persoonlijke preoccupaties. Een essay is geen dagboek; ik probeer niets van me af te gooien, ik probeer iemand te bereiken.”

Dat is dus ook een stijl van denken.

“Er zit zeker een overtuiging in over wat het is om aan filosofie te doen. Het moet zinvol zijn én uitnodigend. Niet van die powerfilosofie, dat rondstrooien van grote namen van mensen waarvan iedereen weet, oh die zijn superslim en als ik het niet begrijp, komt het omdat ik te dom ben. Daarmee schaar je je gewoon bij de grote jongens. Dat vind ik echt boring, precies wat je niet moet doen. Dat is geen denken, dat is gewoon retoriek! Terwijl ik ‘Hersenbeest’ schreef hing boven mijn bureau een briefje met ‘Are You in the Know?’, denk je dat je het weet? Zodra ik het gevoel had dat ik op autoriteiten ging leunen dacht ik: ho, ho, ho. Dat wil ik niet, ik wil die toon niet. Je zult echt alle stapjes zelf moeten zetten wil je het snappen. En dat is eigenlijk heel moeilijk. Als je stappen overslaat, glij je bij wijze van spreken naar de gebaande paden. Het lijkt dan of je heel snel bent, maar je bent gewoon snel waar iedereen uitkomt. Ik wil een zoekende toon, geen wetende toon, geen bluffilosofie."

Marjan Slob: Hersenbeest. Lemniscaat, Rotterdam; 211 blz. € 17,95

Wie is Marjan Slob?

Marjan Slob (Giessenburg, 1964) is freelance filosoof en schrijver. Na een propedeuse psychologie in Utrecht, stapte ze over op de filosofie, waarin ze in 1990 afstudeerde. Daarna koos ze voor de journalistiek. In 1989 was ze medeoprichter van Briljantine, een tijdschrift voor vrouwen in de wetenschap, van 1996 tot 2001 was ze hoofdredacteur van De Humanist.
Haar activiteiten als filosoof en schrijver breidde ze uit met onder meer het modereren van debatten, het coachen van schrijvers, het denken in opdracht van (overheids)instellingen en het schrijven van boeken en columns. Marjan Slob woont met haar man in Utrecht; hun achttienjarige dochter is net het huis uit. In haar vrije tijd houdt ze zich bezig met zingen, wandelen, zwemmen, mediteren.

Deel dit artikel