Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Speech Valentijn Byvanck

Religie en Filosofie

Valentijn Byvanck

Deze speech werd uitgesproken bij de opening van de tentoonstelling Calvijn & Wij in Dordrecht op 7 mei 2009.

Majesteit, excellenties enz.

Tot mijn grote vreugde ben ik gevraagd om u toe te spreken over Calvijn en de Nederlandse geschiedenis. Ik ben geen Calvijn kenner, maar als directeur van het Nationaal Historisch Museum en als Nederlander, heb ik veel te maken met zijn erfenis.

Die erfenis strekt zich uit over gedragingen die door buitenlanders al eeuwenlang als sober, oprecht, stijf, effectief en consistent worden gekwalificeerd. Men kan het calvinisme koppelen aan de befaamde Hollandse drang naar individualisme en de daaruit voortkomende eindeloze celdeling waaronder Nederlandse gemeenschappen, kerkelijk en wereldlijk, vanaf de 16e eeuw zuchten. Het calvinisme leidde de Nederlandse onafhankelijkheidsstrijd in tegen Spanje, voedde de strijd tussen republikeinen en prinsgezinden, en resulteerde in de confessionele politieke traditie die zich uitstrekt van Abraham Kuyper tot en met André Rouvoet en Jan Peter Balkenende. Het calvinisme is eveneens in verband gebracht met de geboorte van het moderne kapitalisme. In buitenlandse commentaren wordt al sinds de 17e eeuw gesproken over de bijzondere Nederlandse inborst waarin een strenge godsbeleving samengaat met een effectieve handelsgeest.

Uit deze grote erfenis van het calvinisme belicht ik vanavond Calvijns invloed op een vaak genoemd maar zelden onderzocht aspect van de alledaagse Nederlandse beeldcultuur. Dat aspect heeft te maken met de verhouding tussen geloven en zien. De meest bekende overlevering van dit klassieke onderwerp is in de Christelijke cultuur het verhaal van de ongelovige Thomas, die niet geloven wilde in de opstanding van Christus voor hij hem met eigen ogen had aanschouwd. Echte gelovigen, is de moraal van dit verhaal, vragen niet om fysiek bewijs. Geloven is zien.

Ik ben er van overtuigd dat we allemaal de waarde zullen erkennen van deze moraal die ons aanmoedigt om vertrouwen te hebben. Toch richten we onze samenleving er niet op in. Integendeel: we erkennen vooral de bewezen en bewijsbare werkelijkheid. In onze samenleving geldt: zien is geloven.

Calvijn heeft in deze ontwikkeling een bijzondere rol vervuld.

Eerst even iets over Calvijn en het beeld. Calvijn wordt graag gezien als een vijand van het beeld. In zijn kielzog kwam immers de Beeldenstorm, de plundering van kerken en beschadiging van beelden en schilderijen. Ook tegenwoordig staan zijn spirituele nakomelingen niet bekend om hun uitbundige uitingen. Toch ligt hierin een substantiele bijdrage aan de cultuur besloten. Het protestantisme heeft een esthetische traditie van de eenvoud voortgebracht. Deze traditie verbindt in Nederland de kale, witgeschilderde kerken van de Reformatie, de precieze lijnen van Mondriaan, Oud en Rietveld, en de stofloze woonkamers met eenvoudige tafels, rechte spotlampen en ongemakkelijke stoelen in het Nederlandse interieur. En het is opvallend hoe hier de taal van vormen en waarden inwisselbaar is. Eenvoud, soberheid, zonder opsmuk, rechtlijnig, strak; het behoort tot een vocabulaire dat we gebruiken voor de inrichting van onze woonkamer maar evengoed voor onze morele verworvenheden.

De versmelting van interieur en karakter vindt ook plaats bij een oernederlandse eigenschap waarover buitenlanders in hun grote verbazing maar niet uitgepraat raken: Nederlanders sluiten hun gordijnen niet. Nederlanders hebben wel gordijnen, ik denk dat ze zelfs zullen erkennen dat gordijnen speciaal worden gemaakt om dicht te doen. Toch weigeren ze die geplooide kleden te sluiten.

De socioloog Richard Sennett geloofde dat transparantie de grondwaarde van het protestantisme is. Transparantie, doorzichtigheid, het ontbreken van verborgen gedachten of verlangens, van geheime agenda’s en achterkamertjes van de ziel. Hier sta ik voor god, zoals Luther dat zo beroemd heeft gezegd, zichtbaar, in al mijn naaktheid en tekortkomingen. En Calvijn schreef: de mens is van nature geneigd tot het kwaad. Om zichzelf tegen die natuur te beschermen dient zijn leven zich in een zo groot mogelijke openbaarheid af te spelen.

Het is de moeite waard om even stil te staan bij het verschil tussen deze twee opmerkingen: Luther verkondigde dat er tussen god en mens geen medium nodig was: elke gelovige diende een directe, individuele relatie met de schepper te hebben. Ik geloof niet dat Calvijn een andere mening was toegedaan. Maar Calvijn was een strateeg en een gemeenschapsbouwer. Zijn opmerking over leven in de openbaarheid gaat niet over de relatie tussen mens en god, maar over die tussen mensen onderling. Calvijn wist dat god geen demonstratie van goed gedrag nodig had. Maar mensen hebben die wel. Mensen moeten om op het goede te kunnen vertrouwen goedheid kunnen zien. Zien is geloven.

Het gebod om in openbaarheid te leven schuurde met Calvijns leer van de voorbeschikking. In die leer verwierp Calvijn de wijdverbreide gedachte dat men door goed te leven hemelse genade kon verdienen. Hij verkondigde dat reeds bij de geboorte vaststond of een ziel gered was of niet. Maar zijn gebod om in openheid te leven suggereerde toch weer het belang van een deugdelijk leven. Dat was misschien ook wel nodig, want de onwrikbare leer van de voorbeschikking schiep een knagende onzekerheid onder gelovigen. Bovendien was de logische consequentie van de leer, dat het niet uitmaakte hoe men leefde, maatschappelijk onwenselijk. Dat verklaart misschien ook dat al vrij direct protestantse gemeenschappen Calvijns gebod om in openheid te leven aangrepen om diens leer van de voorbeschikking te verzachten. In de meeste gevallen werd nog steeds benadrukt dat geen verloren ziel door goede daden te verrichten alsnog uitverkoren wordt. Maar omgekeerd was het wel zo dat als mensen geen goed leven leidden, men zich ernstig moest afvragen of zij wel geselecteerd waren voor het land gods.

Al in de 17e eeuw adopteren Nederlandse stadsbestuurders een opmerkelijke pragmatische omkering van Calvijns gebod. Calvijn benadrukte dat je het kwade kunt bezweren door jezelf te tonen. De omkering luidde: als je iets doet wat niet mag, moet je er voor zorgen dat we het niet kunnen zien. Zo beoefenden katholieken en joden, ketters en heidenen in de ogen van de calvinisten, hun geloof in kerken die verscholen waren achter de gevels van burgerhuizen. In dit verschijnsel van de schuilkerk herkent u de uiterst Nederlandse praktijk van het gedogen: iets oogluikend toestaan.

Men zou kunnen denken dat het gebod om in openheid te leven resulteerde in een voortdurende opvoering van goede daden. Maar zo gemakkelijk was het niet. Het tonen van goed gedrag in het openbare domein duidt immers niet op een pure ziel maar op ijdel pronkgedrag. Nee, de getuigenis van de schone ziel moest niet worden aanschouwd in het openbare domein maar op een plaats waar geen toneel nodig was, in de huiskamer.

Ik vraag u met mij een sprong te wagen naar de 20e eeuwse Nederlandse huiskamer. De typische Nederlandse huiskamer heeft vrijwel altijd een zeer groot raam aan de straatzijde, soms gescheiden door een kleine voortuin. De gordijnen staan altijd open. Niet zelden kan je door het volledige huis heen kijken naar wat men in de achtertuin aan het doen is. De doorzongedachte: alles wordt belicht! Met open gordijnen geeft u de wereld zicht op uw gedragingen en de puurheid van uw ziel. Het is niet zo dat iedereen daarmee ook naar binnenkijkt, want de ongeschreven regel die de Nederlanders verbindt luidt dat zolang de burgers binnen hun eigen onschuldige gang gaan, de burgers buiten niet mogen staren. De uitverkoren positie van uw medemens is immers een zaak tussen hem en god. Maar het is natuurlijk wel zo dat als u verkiest uw gordijnen te gebruiken waarvoor ze gemaakt zijn, u de gemeenschap reden biedt voor wantrouwen en twijfel.

Als gevolg hiervan leven Nederlanders in glazen kooien een doorlopende voorstelling van reality tv, die de voorbijganger ook nog eens regelmatig het zicht gunt op een fascinerend Droste effect. Van buitenaf kijkt hij naar mensen die op de bank niet zelden naar een televisieprogramma kijken waarin weer andere mensen in een tot huiskamer omgebouwde televisiestudio ook naar een televisieprogramma kijken, enzovoorts.

Aan het calvinisme danken de Nederlanders deze speciale ruimte tussen het privédomein en de openbaarheid in. In die ruimte is het onder speciale voorwaarden toegestaan om te kijken en te bekeken worden. De oorspronkelijke bedoeling geen toneel te spelen is natuurlijk mislukt. De woonkamer is toch een podium geworden. In de 20e eeuw is hiervoor een stuk interieur in gebruik genomen waaruit zelfs blijkt dat we de voorbijganger niet alleen willen laten zien dat we niets te verbergen hebben, maar hem ook iets van onze identiteit willen meegeven.

Dit relatief modern stukje interieur, tussen de private en publieke ruimte in, is de vensterbank. De vensterbank is een borstwering voor de bewoner tegen de wereld buiten en tegelijkertijd een etalage die de voorbijganger uitnodigt naar binnen te kijken. En eigenlijk kunnen we best vaststellen dat dit de plaats is waar de Nederlander zich het eerst blootgeeft aan publiek. Wat toont de vensterbank van hem? Een enorme variëteit aan porseleinen beeldjes, souvenirs, vetplantjes, cactussen, gekleurde glazen flessen en vazen met sprieten, exotische schelpen, koperen emmers en antieke strijkijzers. Alles ingekaderd door rechte of bollende vitrages.

De vensterbank leidt ook tot een reeks oernederlandse gedragingen. De bewoonster geeft de planten water of in herinnering verzonken betast ze de objecten op de vensterbank. Terwijl zij naar buiten tuurt, loert de voorbijganger, veelal een hondenbezitter, naar binnen om een glimp van het kuise burgerlijke leven te aanschouwen. En dit spel van nieuwsgierigheid, huiskamerflaneren en surveillance behoorde zeker vijftig jaar lang tot het calvinistisch-burgerlijke repertoire van het alledaagse Nederlandse leven.

Ik zeg met nadruk behoorde, want dit huiskamerritueel is in de laatste 10 jaar grotendeels verdwenen. Burgers hoeven door de poreuze grenzen van hun priveleven steeds minder moeite te doen om hun goede gedrag te tonen. Bijna alle gedrag komt vanzelf in het openbare domein terecht. Dat ligt niet aan de roddelpers, want die is slechts het verlengstuk van onze onblusbare nieuwsgierigheid naar wat zich achter de deuren bevindt die ooit voor ons gesloten bleven. Eerst wilden we een kijkje in de machinekamer van het bestuurlijk apparaat, de keuken van het restaurant en de opnamestudio, en nu willen we ook de slaapkamers van onze medemensen inspecteren.

Met grote precisie worden tegenwoordig al onze bewegingen gevolgd. Ons fysieke gedrag wordt gevolgd door van overheidswege of door Google Earth geïnstalleerde vaste of reizende camera’s. Ons virtuele gedrag wordt eveneens getraceerd en vastgelegd. Tegelijkertijd worden geheimen steeds minder getolereerd. Staatsgeheimen worden voortdurend gelekt, onze privégeheimen staan op Internet, en zelfs het bankgeheim staat onder zware druk.

Waarom willen we die doorzichtige samenleving zo graag? Maken de camera’s onze straten veiliger? Biedt het kijkje in de keuken troost om ergens bij te horen in een samenleving die steeds moeilijker te begrijpen is? Bevredigen Internetfilmpjes ons verlangen naar 15 minuten beroemdheid? Of vindt men hier een overdreven versie van de calvinistische gedachte dat we het kwade kunnen bezweren door zoveel mogelijk in openheid te leven? Ik laat het aan u om te beoordelen of meer zien hier tot meer geloof leidt.

Zou Calvijn ooit hebben kunnen bevroeden dat het openlijk leven zo zichtbaar zou worden? Vermoedelijk niet. Zou hij het hebben gewild? Ik denk van niet. Hij zou het waarschijnlijk als een nieuwe vorm van afgoderij hebben beschouwd. Het alziende oog behoort ons niet toe.

Toch zijn de camera’s in de openbare ruimte ingegeven door dezelfde gedachte als Calvijn ooit formuleerde: de mens is geneigd tot het slechte, en om te voorkomen dat er zonde wordt bedreven moet alle leven zich in de openbaarheid afspelen.

Moeten we Calvijn deze extreme doorzonsamenleving verwijten? Absoluut niet. Niemand draagt schuld voor iets wat ruim 400 jaar na zijn dood plaatsvindt. Bovendien zijn er tal van andere historische ontwikkelingen aan te wijzen die onze samenleving mede hebben gemaakt tot wat zij nu is. We kunnen hoogstens onszelf verwijten dat we zoveel zien nodig hebben om te kunnen geloven.

Deel dit artikel