Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Sander de Kramer: ‘Ik geloof dat God me heeft gestuurd’

Religie en Filosofie

Arjen Visser

Sander de Kramer © ANP Kippa
Tien Geboden

Sander de Kramer (Rotterdam, 1973) is journalist en televisiepresentator. Hij is medeoprichter van de Sunday Foundation, ontving de Laurenspenning en de Majoor Bosshardtprijs en werd in 2010 in Sierra Leone benoemd tot Chief. Over de avonturen van deze ‘volksheld in Afrika’ schreef Jochem Davidse het onlangs verschenen boek ‘Chief Ouwe Dibbes.’

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

Lees verder na de advertentie

“Net zoals veel Afrikanen geloof ik dat onze voorvaderen een oogje in het zeil houden; dat ze ingrijpen als dingen mis dreigen te gaan. Ik zou anders niet kunnen verklaren hoe het mogelijk is dat ik me ineens ergens onveilig kan voelen en me net op tijd uit de voeten weet te maken. Dat zijn seintjes van iemand die het beste met me voor heeft. Niet iedereen wordt zo goed beschermd, nee...

“Ik ging in 2007 voor een reportage naar Sierra Leone, de ellendigste plek op aarde, ik zag kindslaven in de diamantmijnen werken en ik dacht: hier móet ik iets aan doen. Ik kwam mensen tegen die geloofden in mijn goede intenties. Ze noemden mij Sunday – dat leek nog ’t meest op Sander – en terug in Nederland heb ik samen met Hugo Borst de Sunday Foundation opgericht. We zamelden geld in, er werden voetbalteams gesponsord, scholen gebouwd – inmiddels zijn er zo’n 200.000 mensen die links- of rechtsom van onze projecten profiteren.

Natuurlijk ben ik geen messias, maar ik geloof wel dat God me heeft gestuurd om te proberen die ongelijkheid, het grote onrecht, te bestrijden

“In 2010 werd ik officieel benoemd tot Chief, een soort burgemeestersfunctie in de regio. Chief Ouwe Dibbes – omdat ik nu eenmaal iedereen voortdurend ‘ouwe dibbes’ noem. Die mensen daar zien mij als een soort messias. Dat ben ik natuurlijk niet, maar ik ­geloof wel dat God me heeft gestuurd om te proberen die ongelijkheid, het grote onrecht, te bestrijden.”

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

“Vloeken? Nee joh, dat doe ik niet. ­Gebruik dan liever van die mooie, oude Rotterdamse scheldwoorden, zoals: piemelpunt, krotekokert, perenplukker, oelewappert of pannelap! Ik probeer woede en verdriet vaak weg te lachen, maar soms schiet er ineens zo’n laatje open: dan zie ik de doorkliefde schedels in Rwanda weer voor me, of de mensen bij wie ledematen werden afgehakt, de kindsoldaten die hun eigen ouders ­hadden doodgeschoten... Op die ­momenten neem ik nog maar een ­whisky – misschien weleens een te veel – en dan schuift het laatje weer langzaam dicht.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

“Als ik in Rotterdam ben, ga ik weleens naar de kathedraal, maar ik kan ook in mijn lemen hutje, midden in de jungle, bidden, stilstaan bij wat we allemaal hebben bereikt en wat er nog moet ­gebeuren. Soms is mijn rustpunt niet meer dan dit: even de telefoon niet ­opnemen en een wijntje drinken met Wendy, mijn vrouw. Op de dag des ­Heren werk ik meestal, maar ik ga ­er vanuit dat me dat niet kwalijk wordt genomen, omdat het voor de goede zaak is.”

IV Eer uw vader en uw moeder

“Mijn moeder nam me toen ik nog klein was al mee naar een demonstratie voor Native Americans die van hun land werden gejaagd omdat daar mineralen in de grond waren gevonden – bijna ­letterlijk zoiets als waar ik me later mee zou gaan bezighouden – maar ze wees me ook op andere dingen: nooit vergeten hoeveel geluk je hebt in Nederland te zijn geboren en de verplichting om te zorgen voor mensen die het minder goed getroffen hebben. Zij vond het prachtig toen ik op een dag vertelde dat ik Afrikaanse taal- en cultuurwetenschappen zou gaan studeren, maar mijn vader, een succesvol zakenman, zei: ‘Aan me nooit niet!’ Hij schudde moedeloos zijn hoofd als ik ‘Yeke, yeke!’ zingend door de kamer danste, terwijl mijn moeder me alleen maar aanmoedigde: ‘Volg je hart jongen, volg je hart!’ Mijn ouders zijn elkaars tegenpolen; dat ze nog steeds samen zijn is gewoon bizar. Of passen ze misschien juist daarom zo goed bij elkaar?

“Uiteindelijk koos ik, tot grote ­opluchting van mijn vader, voor een studie Nederlands en rechten, maar na een tijdje ben ik daarmee gekapt en werd ik hoofdredacteur van ‘de Daklozenkrant’ in de Pauluskerk. Ook daar zag mijn vader geen toekomst in. Hij hoopte nog steeds dat ik zakenman zou worden, net zoals hij en mijn vijf jaar oudere broer.

“Het heeft lang geduurd voor mijn vader kon zeggen dat hij trots op me was. Hij had in zijn jeugd behoorlijk veel meegemaakt: zijn broertje ­verdronk op jonge leeftijd en niet veel later kwam mijn opa op eenzelfde ­manier om het leven – hoewel het ook mogelijk is dat hij, gescheiden van mijn oma die verliefd was geworden op een andere man, zelfmoord heeft gepleegd. Dat mijn vader met een zweminstructrice is getrouwd zal geen toeval zijn... Mijn moeder zei vaak dat hij heel trots op me was, maar ik heb het hem zelf pas een paar jaar geleden voor het eerst horen zeggen. We waren met een groep in Sierra Leone en na de zoveelste speech over de goede werken van de Sunday Foundation, stond mijn vader ineens op en sprak, struikelend over zijn woorden, met de tranen in zijn ogen, zijn bewondering voor mij uit. Dat deed me heel veel – natuurlijk, wat denk jij dan? – maar ik had het wel fijn gevonden als ik in mijn jonge jaren ook iets vaker een knuffel of een schouderklop van hem had gehad.

“Mijn ouders zijn in Sierra Leone minstens zo belangrijk als ik. Zij hebben mij voortgebracht, zonder hen was Chief Ouwe Dibbes er niet geweest. Als ik mijn bezoek aankondig, is de eerste vraag: ‘Komen je vader en moeder ook weer mee?’

“Mijn vader heeft ook het verhaal van die voorouderverering helemaal omarmd. Hij heeft zelfs meegedaan aan het ritueel waarbij hij met alcohol – een dure fles, alleen het beste is voor de ­engelen goed genoeg – de voordeur van een nieuwe school besprenkelde en ­vervolgens zijn halve familie heeft aangeroepen. Daar stond hij dan, nuchtere pietje, met een doodernstig gezicht te vragen of opa en oma De Kramer en opa en oma De Leeuw ervoor konden ­zorgen dat de kinderen die dit gebouw bezochten er maar veel zouden leren en later gelukkig zouden mogen worden... Prachtig toch? En weet je wat nou zo mooi is van dat Afrikaanse geloof? Je ouders blijven altijd bij je. Ze gaan wel dood, iedereen gaat dood, maar ze zijn altijd in de buurt.”

V Gij zult niet doden

“In 2013 ging het mis. Ik kreeg ineens last van enorme duizeligheid, evenwichtsstoornissen en een piep in mijn hoofd. Ik had permanent het gevoel dat ik een hele nacht met een paar flessen wijn had doorgezakt. Mensen kwamen in slow motion voorbij, ik moest me overal aan vastklampen en die herrie in mijn kop werd almaar erger. De eerste klachten namen af, maar die verschrikkelijke piep – tinnitus – bleef. Na een jaar was ik zó radeloos dat ik overwoog om er een einde aan te maken. Niet door mezelf door het hoofd te schieten of zo, nee, ik zou stoppen met eten en drinken en de natuur z’n gang laten gaan. Op z’n Romeins. Voor de laatste, moeilijke dagen had ik een paar oxazepammetjes opgespaard.

“Op een dag ­belde ik met MF (Mohammed Foday, de directeur van de Sunday Foundation in Sierra Leone, AV) en vertelde hem dat ik naar Afrika zou komen om te sterven. Hij begon eerst heel hard te huilen, ­herpakte zich en zei toen: ‘We gaan hier met z’n tienduizenden voor je bidden. God is going to save your life.’ Dat was het eerste stapje, daarna zei Wendy dat, als het zover zou komen, er niets tastbaars zou zijn van ons samen en we besloten samen met de pil te stoppen en dat ik moest blijven leven voor haar, voor de baby, voor ons, en ten slotte was er nog de Belgische arts, een tinnitus-specialist, die na twintig bezoekjes zei: ‘Sander, heb je je weleens afgevraagd of je je misschien niet zo moet aanstellen?’

Ik schrok, maar snel daarna drong het tot me door: hij heeft gelijk. Ik heb mensen gesproken die verminkt werden en verkracht, ik heb hongerlijdende kinderen gezien en nu zit ik zelf te ­piepen – letterlijk – over die krekelgeluiden in mijn kop? Tienduizenden mensen, mensen die op me leunen en voor me bidden, de komst van Krijntje – een maand na haar besluit te stoppen met de pil was Wendy al zwanger – en een dokter die me in één klap duidelijk maakte dat ik het, vergeleken met ­zoveel anderen, helemaal niet slecht getroffen had: ik was er klaar mee. Ik kreeg van een psychiater een pilletje voorgeschreven dat ervoor zorgt dat ik iets minder pieker over mijn aandoening. Dat helpt. Toen alles weer wat rustiger was in mijn hoofd, heb ik op een avond een goede fles wijn opengemaakt, het glas geheven en gezegd: ‘Ik heb je eronder, mannetje! Proost.’”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

“Toen mijn ex-vriendin en ik een baby kregen, waren we nog helemaal niet klaar voor volwassen relatie. Zij was 22, ik een paar jaar ouder. We bouwden ­allebei een eigen bestaan op. Ik had het idee dat ik keihard moest werken om voor Sanne, mijn dochter, te kunnen zorgen. Werken, werken, werken. ­Aandacht voor hen schoot er bij in. “Ik zit nu in veel rustiger vaarwater. Ik vind vrouwen prachtig – ja man, machtig mooi spul – maar als het heel erg klikt met iemand, denk ik nooit: met haar zou ik wel naar bed willen. Vreemdgaan is er niet meer bij. Ik sta stevig in mijn schoenen. En ’t is ook ­allemaal zo’n gedoe joh.”

VII Gij zult niet stelen

“Overal op de wereld kom ik dieven ­tegen. Mensen worden uitgebuit, de aarde wordt bestolen, de zeeën worden leeggeroofd. Ik ben niet de man van het geheven vingertje, maar ik probeer mensen wel wakker te schudden. Als je weet dat het diamantje in de ring aan je vinger is opgegraven door kindslaven, dan wil je daar toch niks meer mee te maken hebben? Als je weet hoe slecht de aarde eraan toe is, kun je toch met goed fatsoen geen vis of vlees meer eten? ‘O, dan mag je ook geen leren schoenen meer dragen!’ Nee, inderdaad. Mijn schoenen zijn gemaakt van canvas. En ik heb ook geen leren riem. Zo neem ik mijn verantwoordelijkheid.

Ik vertel het ­eerlijke verhaal. Dat is, denk ik, mijn kracht. Ik ben niet diplomatiek. Ik zeg het onomwonden

“Weet je wat ik moeilijk vind? Laatst zei de eigenaar van een grote ­vissersboot... nee, wacht, ik ga het jou gewoon voorleggen: stel dat de eigenaar van een grote vissersboot je 25.000 ­euro wil geven voor de bouw van een schooltje in Sierra Leone, wat doe je dan? Neem je het bedrag aan of blijf je principieel en zoek je naar andere sponsoren voor je project? Jij zou het aannemen? Hm. Nou, ik heb het niet gedaan. Vooral ook omdat ik niet wil dat mensen die dingen doen waar ik fel op tegen ben, goede sier gaan maken met projecten waar ik mijn naam aan heb verbonden. Dat is net zoiets als de hypocrisie van McDonald’s. Ze hebben een Ronald McDonald huis voor arme, zieke kindjes, maar verkopen in hun fastfoodrestaurants nuggets van door hun poten gezakte plofkippen. Als McDonald’s sponsor wil worden, bedank ik voor de eer. Ik doe mijn uiterste best om zo zuiver mogelijk te blijven.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“Hugo Borst noemde mij in een interview een keer ‘de grootste netwerker aller tijden’. Goed bedoeld natuurlijk, maar dat woord heeft voor mij een ­beetje een nare bijklank. Een netwerker is glad en een tikkie onbetrouwbaar. Ik krijg veel voor elkaar en dat doe ik ­misschien wel door dingen heel ­beeldend te vertellen, maar ik zal er nooit om liegen. De werkelijkheid is verschrikkelijk genoeg; ik hoef niets te verzinnen. Ik vertel wat ik heb meegemaakt en ik vraag hulp om iets te ­kunnen doen aan de problemen die ik ben tegengekomen. Ik vertel het ­eerlijke verhaal. Dat is, denk ik, mijn kracht. Ik ben niet diplomatiek. Ik zeg het onomwonden. Mijn tong is aangesloten op mijn hart.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

“Tijdens de kroning tot chief kreeg ik te horen dat mij ook drie vrouwen waren toebedeeld. ‘Geen sprake van!’ zei ik, waarop mijn vader, die ook bij de ­plechtigheid aanwezig was, meteen riep: ‘Geef ze dan maar aan mij’. Hij kon er wel om lachen, maar het was beslist geen grapje. De andere chiefs moesten een uur vergaderen om tot een ­compromis te komen. De directeur van de Sunday Foundation heeft hun uitgelegd dat ik iemand was die hun cultuur respecteerde en dat zij nu, op hun beurt, ook respect voor míjn ­normen en waarden moesten tonen.

‘Er is niets met de vrouwen van Sierra Leone,’ zei hij, ‘maar in het land van Ouwe Dibbes is het niet toegestaan om er meer dan één echtgenote op na te houden’. Uiteindelijk werd de oplossing gevonden. Als ik een zak rijst, een fles brandy en een geit – voor elke bruid een item, denk ik – zou schenken, was ­daarmee de belediging, wat hen betrof, ongedaan gemaakt.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Als jij me straks in een Jaguar voorbij komt scheuren, denk ik niet: had ik maar zó’n auto! Ik voel me het lekkerst in mijn Seat Marbella uit 1988. Ik hoef ook geen groot huis. Ik ben een echte franciscaan, met weinig tevreden. Het liefst zou ik uiteindelijk ook voorgoed in mijn lemen hutje in Sierra Leone gaan wonen, maar helaas heeft Wendy daar helemaal geen zin in. Sinds de ­geboorte van Krijn gaat ze liever niet meer mee naar Afrika. Ik zal voorlopig dus in die twee werelden moeten ­blijven leven. In Nederland schraap ik het geld bij elkaar om in Afrika de ­projecten mee te bekostigen. Hier ben ik de echtgenoot, de vader, het familielid, de vriend, de journalist, de goededoelenman. In Sierra Leone ben ik ­degene die problemen probeert op te lossen, het luisterend oor, een chief voor het leven. Chief Ouwe Dibbes.”

Lees ook: 

Interviewer Arjan Visser blikt terug op 499 keer Tien Geboden: ‘Zou ik zelf ook zo intiem durven zijn? Nee’

Arjan Visser sprak 500 bekende Nederlanders over God, hun ouders, liefde en dood. ‘Sommigen beginnen spontaan de Tien Geboden op te zeggen.’

De meest recente interviews van Arjan Visser vindt u terug in ons dossier.

Deel dit artikel

Natuurlijk ben ik geen messias, maar ik geloof wel dat God me heeft gestuurd om te proberen die ongelijkheid, het grote onrecht, te bestrijden

Ik vertel het ­eerlijke verhaal. Dat is, denk ik, mijn kracht. Ik ben niet diplomatiek. Ik zeg het onomwonden