Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Poëzie opent een perspectief waarin onze eigen opvattingen niet meer gelden

Religie en Filosofie

Martien Brinkman

© COLOURBOX
Essay

Vier dichters spreken het onzegbare uit. Ze zijn , aldus theoloog Martien Brinkman, eigenlijk mystici.

‘Ik besta, dus ik lieg’: het is een dichtregel van de al weer wat in vergetelheid geraakte Hans Faverey (1933-1990). Als geen ander belichaamde hij het dilemma van vele dichters: werkelijkheid te willen onthullen door middel van woorden waarin we vaak juist die werkelijkheid verbergen. Ook beeldspraak - hét instrument waarmee een dichter de werkelijkheid te lijf gaat -lost volgens Faverey het bovengenoemde dilemma niet op, want ze schiet altijd tekort. Ze miskent dat echte communicatie altijd ‘sterven’ of - in het beeld van de lucifer - ‘verbranden’ inhoudt:

Lees verder na de advertentie

Geen metafoor

komt hier aan te pas.

De lucifer,

conform zijn opdracht,

communiceerde verbrandend.

Hoewel het beeld van de lucifer natuurlijk al meteen laat zien dat ook Faverey niet aan beeldspraak ontkomt, is toch de strekking van ‘ik lieg, dus ik besta’ wel duidelijk. Ons bestaan (onze woorden en onze daden) staat echte communicatie, echt contact, vaak in de weg. Daartoe zou je eigenlijk eerst alle vertrouwde dingen achterwege moeten laten en doen alsof je niet bestaat. Faverey is dan ook typisch de dichter van de ontlediging, van de wegcijfering.

Hij staat daarmee in de traditie van de middeleeuwse ‘negatieve’ theologie. Uit eerbied voor God was men eerder geneigd te zeggen wat God niet was dan wat hij wel was. Faverey laat daarom in zijn gedichten zijn beelden ook altijd weer snel vallen. Hij steekt voortdurend meteen alle schepen achter zich in brand. Ons wakend bewustzijn en zelfs onze dromen, alles schiet tekort:

In de slaap wordt iets aangeraakt

dat ontwakend anders is dan het

gedroomd ooit kan zijn.

Ons bestaan (onze woorden en onze daden) staat echte communicatie, echt contact, vaak in de weg

Onze vingers, onze handen en onze voeten moeten los komen van wat hen nog bindt. Woord voor woord dienen al die bindingen te worden opgeruimd opdat de wind kan waaien waarheen hij wil:

Wanneer er niets meer is

om het voor te doen,

om het mee te doen,

houdt het vanzelf op.

De vingers verlaten hun hand

en laten de hand los. De voeten

zijn vrij - gaan ieder voor

zich te gronde. Wat blijft

liggen, wordt woord voor woord

opgeheven. Alleen de wind

waait nog, tot ook

hij opraakt,

waarheen hij wil.

Wat hem in taal nog rest, zijn ‘precaire ontregelingen’, ‘semantische snippers’. Hij brengt er ‘georganiseerde paniek’ mee teweeg. Betekenissen moeten ontmanteld worden, ontdaan van hun conventionele inhoud, opengebroken en ontvankelijk gemaakt voor een tot dusver ongekende staat van zijn, die hooguit door de kieren van onze woorden en de scheuren in onze waarnemingen ervaarbaar wordt.

Die staat van zijn heeft voor Faverey goddelijke trekken. In lijn met het gedachtengoed van befaamde mystici roept het woordje ‘God’ voor Faverey primair een bepaalde wijze van zijn op. Een zijn in goddelijke verbondenheid door zoveel mogelijk aardse banden te verbreken.

Waar bij Faverey het losmaken, het onthechten, vooropstaat, draait het bij C.O. Jellema (1936-2003) juist om het verbinden, ook al heeft dat het loslaten als vooronderstelling. Voortdurend is Jellema eropuit klassieke tegenstellingen te boven te komen. Hij streeft naar een wijze van zijn waarin geen donker bestaat, maar ook geen licht, geen binnen, maar ook geen buiten, alleen stilte, geen geluid. Levenstegenstellingen verdwijnen dan naar de achtergrond en het eigen ik gaat op in een groter geheel.

Beiden beklemtonen voortdurend het kortstondig karakter van deze onthechtings- en verbindingservaringen. Jellema gebruikt dan bij voorkeur uitdrukkingen als ‘enkele minuten misschien, hooguit’ en ‘al ware het maar voor een ondeelbaar kort ogenblik’. Meer dan slechts heel even ‘met ogenblik verzoend’ lijkt niet haalbaar.

Weldaad 

De frequentie waarmee deze ervaringen zich aan hem voordoen, heeft Jellema altijd als een weldaad ervaren. Daartoe heeft de middeleeuwse mysticus meester Eckhart (ca. 1260-1328) hem op het spoor gezet. Hij typeert het appèl dat van Eckharts mystieke denkwerk op hem is uitgegaan, als ‘een aanbod, dat ik, tegelijk bevreesd en verlangend om me te binden, aanvaard heb’. En hij voegt daar als uitleg aan toe: “Wat dit denkwerk mij aanbiedt is, om het op z’n kortst te zeggen, een zich aanbiedende God die, wanneer ik maar ruimte voor Hem maak in mezelf, in mij geboren wil worden.”

Met een aan het bijbelboek Ruth ontleend beeld beschrijft hij de invloed van Eckhart:

door aren te lezen

achter de maaiers, een garve bindend - men

worde gezien door de meester, geroepen, men

kome voorgoed aan het licht.

Poëzie acht Jellema bij uitstek de kunstvorm waarin het moment wordt verwoord “waarop je even samenvalt met het andere zelf, tussen verlangen en afscheid in - het moment van ontstaan vóór jou weer loslaat wat blijvend afscheid van je neemt”.

Bij Rutger Kopland (1934-2012) is op het eerste gezicht de inzet veel nuchterder dan bij Faverey en Jellema. Maar ondanks zijn accent op het zo-zijn der dingen en hun vluchtigheid, blijft hij daarbij toch niet staan. Zijn verlangen reikt verder: “Veel van mijn gedichten zijn opgebouwd uit ontkenningen: het was niet zus, het was niet zo, het is geen dit, het is geen dat, waardoor er iets onuitgesprokens, iets onzichtbaars gestalte krijgt. Door veel bekends, ouds, vertrouwds te laten verdwijnen, voorbij te verklaren, kan er iets nieuws ontstaan. Misschien is dichten, woorden vinden voor wat er niet was, voordat die woorden er waren.” Hij ziet zijn werk als “pogingen de leegte en het niets op te roepen, de wereld tot stilstand te brengen; spreken over de wereld, en het gezegde ongezegd maken; een gebeurtenis beschrijven en jezelf uit die gebeurtenis wegschrijven, herinneringen schrijven aan het onbekende. Uittreden. De wereld laten zien zoals zij is: nog niet ontdekt.”

Dat is typisch een activiteit mystici eigen, uittreden. Het dichterlijke ‘ik’ gaat op in een groter, nog onbekend geheel. Het is het verlangen ‘te begrijpen wat nog onbegrepen is, te luisteren naar wat we nog nooit hebben gehoord en te zeggen wat nog nooit is gezegd.’ Poëzie stelt ons verstand op de proef en opent een perspectief waarin onze eigen opvattingen niet meer gelden, ‘waarin we zicht krijgen op het niet weten’. Ze opent de ogen voor de grenzen van ons inzicht.

Kopland is nooit als een christelijke auteur bestempeld. De God van zijn jeugd is voor hem ‘niet meer dan een kinderlijke illusie’, een hersenschim, een menselijke projectie. Er is echter voor hem ook een andere wereld aan associaties rondom het woordje ‘God’. Dat is de ‘wereld’ van de religieuze ervaring. Daarvoor had hij al vroeg een antenne. Die religieuze gevoeligheid heeft hij zijn leven lang gekoesterd als een diep ingrijpende gemoedsbeweging los van een specifiek godsbeeld en welomschreven dogma’s. Hij kan voor deze ervaring ook het woord ‘mystiek’ gebruiken en ziet duidelijke voorbeelden daarvan in zijn gedichten ‘Tijd’, ‘Een koraal’ en ‘Gesprek met de wandelaar’.

Poëzie stelt ons verstand op de proef en opent een perspectief waarin onze eigen opvattingen niet meer gelden

Het laatste gedicht verwoordt de ervaring van iemand die hoog in de bergen in een diep dal staart en alles daar beneden min of meer tot stilstand ziet komen en ook zichzelf in dat beeld ziet opgaan:

de lijnen van de bergen, eindelijk stilgelegd,

zoals het daar was, het moment dat ik

uit het zicht verdween, iets

dat er is buiten mij.’

Het ‘buiten mij’ heeft voor Kopland hier meer te maken met een opgaan van het ik in een groter geheel dan met een ervaring van iets boven hem, los van hem. Hij ervaart dat ‘opgaan in’ vooral bij berglandschappen, met hun hoge toppen en diepe dalen: “Dáár zijn, daarin opgaan zodat er geen grens meer is tussen jou en de wereld. Als je op de top van een heuvel staat en er verder niets meer is, alleen nog maar de wind.” Dat gevoel dat hij mystiek noemt en in verband brengt met een religieuze gemoedstoestand, bakent hij af van wat hij ziet als een ‘echt’ religieus gevoel, want “het heeft niet met God te maken, niet met de hemel, niet met een hiernamaals.” Het heeft wel met ruimte te maken, grenzeloze ruimte en gewichtloosheid. “Een ander”, zei Kopland een interview, “zou dat wellicht ‘God’ noemen, maar dat zou betekenen dat God niets is, want op zo’n moment sta je oog in oog met het niets.”

Toverspreuk 

De ervaring dat Gods niets is, is een klassieke mystieke ervaring. Het is de ervaring van eenwording met een God waar uiteindelijk niets meer over te zeggen valt. Het is een ervaring van eenwording met de leegte, met de ruimte, met het niets. Het is de plaats van zelf-verlies, de plaats van niet-weten. Of om het met Koplands eigen woorden te zeggen: “Leegheid, stilstand, het gevoel en het weten dat de wereld zoals wij die zagen, de werkelijke niet was, maar oplost en plaats maakt voor de wereld die wij niet kennen, dat is de ervaring waar het om gaat.”

Waar het in een gedicht om draait, is prachtig door Eva Gerlach (1948) omschreven. Onomwonden kan ze zeggen: “Een gedicht is niets als het geen toverspreuk is. Wat tovert het dan? Waarheid! Iets waarvan iedereen denkt dat het niet meer bestaat! Wat voor waarheid? In mijn geval die welke recht doet aan de verwarring, werkelijkheid geheten. Een geslaagd gedicht is een openbaring van het bestaande en als zodanig een onthutsing.”

In haar dankwoord bij de toekenning van de P.C. Hooftprijs in 2000 werkt ze dit aspect nader uit. Na een aantal mogelijke betekenissen van poëzie te hebben afgewezen komt ze uiteindelijk uit bij een benadering waarin de door het gedicht bewerkstelligde heelheid van het menselijk bestaan centraal staat: “De zegen van de taal is dat zij in aanleg volledig is, het potentieel heeft om met woorden de totaliteit van de menselijke ervaring te omvatten: alles wat is voorgekomen en alles wat kan voorkomen. Zij laat zelfs ruimte voor het onuitsprekelijke. Poëzie kan geen verlies ongedaan maken, maar zij bestrijdt wel de ruimte die scheidt. En dat doet ze door de continue arbeid waarmee ze weer samenvoegt wat uiteengevallen is. De poëzie brengt de taal tot deelneming omdat zij alles nabij haalt.”

Alle vier genoemde dichters wenden de taal van hun poëzie aan om ruimte te creëren, voor de heilzame nabijheid van het onzegbare, het onuitsprekelijke. Daar scheren ze voortdurend langs. Soms zijn ze er expliciet naar op zoek (Faverey en Jellema). Soms heeft hun ‘raken aan’ ook iets van het ‘huns ondanks’ (Kopland en Gerlach). Ze zijn er niet naar op zoek, maar zijn, zoals Vasalis enigszins ironisch van zichzelf opmerkt, “helaas uitgerust met veel te veel tentakels die tasten in het anders-zijnde Zijn.”

Dit artikel is een voorpublicatie van Brinkmans boek Dicht bij het onuitsprekelijke. Veertien dichters over het onzegbare dat half mei bij uitgeverij Meinema uitkomt. Naast de vier genoemde dichters bespreekt hij Vasalis, Vroman, Hoornik, Van der Graft, Lucebert, Andreus, Michaelis, Knibbe, Otten en Zwagerman.

Geen metafoor

komt hier aan te pas.

De lucifer,

conform zijn opdracht,

communiceerde verbrandend.


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Deel dit artikel

Ons bestaan (onze woorden en onze daden) staat echte communicatie, echt contact, vaak in de weg

Poëzie stelt ons verstand op de proef en opent een perspectief waarin onze eigen opvattingen niet meer gelden