Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Nieuwe Denker des Vaderlands: 'Ik kom uit een wereld die zich verraden voelt door de elite'

religie en filosofie

Pieter Henk Steenhuis

De nieuwe Denker des Vaderlands, René ten Bos. © Corbino
Interview

René ten Bos is sinds vandaag de nieuwe Denker des Vaderlands. Voor een arbeiderskind als hij lag het niet voor de hand dat hij filosoof zou worden. ‘Ergens speelt bij mij wel dat ik verrader ben van de arbeidersklasse.’

Een studeerkamergeleerde is de nieuwe Denker des Vaderlands niet. Jaarlijks produceert René ten Bos minstens één filosofisch werk, maar hij is ook een graag geziene gast in café de Tempelier in zijn woonplaats Nijmegen, bezoekt FC Twente en treedt met zijn zoon op als dj.

Lees verder na de advertentie

U werkte in een slachterij, in de vis, las managers de les. Toen werd u filosoof. Hoe verliep dat?

“Ik was een jaar of zes toen een zusje van mij doodging. Twee was ze. Daarna las ik ‘Philoosophie’, een kinderboek over filosofie, en moet ik tegen mijn moeder gezegd hebben: Later word ik ook filosoof.

Ik had altijd al het idee dat filosoferen omgaan met absurde dingen was

René ten Bos

“Ik had altijd al het idee dat filosoferen omgaan met absurde dingen was. ‘Absurd’ komt van absurdus: ‘ongerijmd’, verwant aan susurrus (‘gefluister’) en surdus (‘doof’). Filosoferen is leren omgaan met dingen die doof voor je zijn, voor jezelf niet goed uit te leggen. Het is niet zo gek dat filosofie volgens velen troost kan bieden in absurde situaties.

“Ik was de oudste thuis. Op de middelbare school was ik ongedisciplineerd, ik wilde niet deugen. Maar lezen deed ik wel. ‘Voyage au bout de la nuit’ van Céline las ik toen ik 14, 15 was. In het Frans, met het woordenboek erbij. Duitse literatuur - precies hetzelfde. Lezen was voor mij een daad van verzet.”

Verzet tegen uw ouders?

“Ik kom uit een Twents arbeidersgezin, textielindustrie: lower class en ongeletterd. Door lezen ontsnapte ik daaraan. En liet ik zien dat we ook wel iets konden.

“Met mijn ouders heb ik nooit zoveel heibel gehad. Mijn vader was katoenspinner bij de Hengelose Koninklijke Nederlandse Katoenspinnerij. Hij werkte in de avonduren of de vroege ochtend bij een poelier als kippenslachter, om wat extra’s te verdienen. Mijn moeder is later magazijnmedewerkster bij V&D geworden. Ik heb ook ervaring opgedaan bij al die clubs: in de katoenspinnerij, de slachterij, het magazijn. Maar ik wilde dat niet blijven doen.

“Na de middelbare school heb ik op de sociale academie gezeten. Dat werd niets. Toen begon ik al snel bij te verdienen. Smerig werk vond ik niet vervelend, maar ik had nooit het idee: dit is het. Hoewel ik tegelijkertijd dat fysieke werk wel weer mooi vond.”

Dat klinkt tegenstrijdig.

“Mijn leven is een paradox. Ik kom uit een wereld die zich nu verraden voelt door de elite. Maar m’n vader zou niet achter een Geert Wilders zijn aangelopen. Hij ontmaskerde Wilders meteen. ‘Een kakventje, waardeloos. Een directeurszoontje.’ Zelf maakte ik de opwaartse gang en sommigen zullen me nu elitair noemen. We hebben tegenwoordig elite nodig om de niet-elite duidelijk te maken wat de elite is.

Van het schrijven en tikken heb ik langzamerhand van die kleine handjes en dunne armpjes gekregen. Het is raar hoe denkwerk het lichaam kan uithollen. Ergens speelt bij mij wel dat ik een verrader ben van de arbeidersklasse. Tegelijkertijd ben ik haar altijd trouw gebleven. Ik begeef me graag onder ‘gewone lui’, in cafés. Voetbalwedstrijden zijn geweldig. Ik heb nog steeds een grote fascinatie voor het volk.”

Om erin op te gaan.

“Ik ga er niet in op. Toch zit ik bij FC Twente liever in vak Q of vak P dan in een skybox. Mijn eerste wedstrijd was Twente-Ajax in 1968. Twente won met 5-1, met drie doelpunten van Dick van Dijk, die later door Ajax werd gekocht.

Jaren had ik een seizoenskaart. Met flessen Berenburg gingen we de tribune op om de koude winters door te komen

René ten Bos

“Ik was verkocht. Jaren had ik een seizoenskaart. Met flessen Berenburg gingen we de tribune op om de koude winters door te komen.”

Dat is toch wat anders dan nog met een been in de arbeidersklasse te staan.

“Ik voel er affiniteit mee, ook al is het woord ‘klasse’ ouderwets. Voor klasse is een middenlaag van relatief tevreden tot ontevreden mensen teruggekomen. ‘Klasse’ is het oude, revolutionaire woord voor een gemeenschap die revolutie kan maken; een ‘laag’ is gespeend van die mogelijkheid. Veel arbeiders kregen het beter, konden manager worden. Dan verdwijnt dat revolutionaire. ‘Klasse’ bestaat niet meer, dit tot teleurstelling van mijn marxistische vrienden, die hopen op een opleving ervan.”

Lachend noemt u die managers. U hebt daar veel over geschreven. Vanwaar die lach?

“Management is historisch gezien een prachtige manier om de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal op te heffen. Arbeiders en kapitaal staan tegenover elkaar, zei Marx. De arbeiders komen in opstand, zo voorspelde hij, en dat loopt uit op een proletarische samenleving. Daar stak het kapitalisme een stokje voor: het vroeg die arbeiders of ze niet iets anders wilden worden, in ruil voor betere werkomstandigheden of scholing. Die arbeiders staakten hun revolutionaire pretenties met graagte. In hun wereld werden ze volgens de Amerikaanse socioloog Charles Wright Mill medeplichtig gemaakt aan het kapitaal - daarom kwam het in het kapitalistische Westen nooit tot een communistische revolte. En hoe werden ze medeplichtig? Door manager te worden.

“Ik denk dat Mills gelijk had. Daarin verschilde ik behoorlijk van de marxisten die ik tegenkwam op de sociale academie. Zij waren hartstikke links en socialistisch, maar allesbehalve arbeidersjongens. Gek genoeg wisten ze beter wat er met de arbeiders moest gebeuren dan die arbeiders zelf. Dat vond ik bevoogdend.”

Zoals nu de elite het volk duidelijk maakt dat het zich moet verzetten tegen de elite.

“Wéér die paradox. Op een dag nam ik een jongen mee naar huis. Deze Jerry wist mijn vader te vertellen wat het nou betekende om een fabrieksarbeider te zijn. Zelf had Jerry nog nooit een fabriek van binnen gezien. Alles wat hij erover wist, had hij ergens gelezen.”

Hoe keken uw ouders daartegen aan?

“Het is moeilijk je hun wereld voor te stellen. Wij luisterden naar Duitse schlagers. Keken Dieter Thomas Heck, die bij de ZDF de verschrikkelijkste Duitstalige muziek liet horen. Je leerde er wel goed Duits van, dat wel, en ik ontwikkelde er een radicaal andere muzieksmaak door: hoe maffer, hoe interessanter. Ik probeerde mijn ouders weleens Kurt Weill of Bertolt Brecht aan te smeren, maar die muziek drong nooit door.

“Ik heb me altijd afgevraagd of je bevoogding nodig hebt om arbeiders te triggeren - een oeroud probleem in de filosofie: waarom zouden de grotbewoners van Plato willen luisteren naar wie het zogenaamd beter wist? Op mijn ouders maakte Jerry weinig indruk. Ik denk dat ze het maar wat fijn vonden dat ze het na verloop van tijd iets beter kregen. Dat duurde bij ons tamelijk lang. Mijn vader werd in een crisis gestort toen in 1977 de textielfabriek failliet ging. Elk dubbeltje moesten ze omkeren. Altijd gezeik over geld, geld en nog eens geld.”

Irriteerde u dat of kreeg u respect voor de manier waarop zij het aanpakten?

“Ik heb ervan geleerd dat je niet badinerend moet doen over geld. Op straat vond ik eens een tas die een geldloper verloren had. Duizenden guldens zaten er in. Moesten we dat aangeven? Uiteindelijk heb ik het teruggebracht, dat was een collectief idee: het geld behoorde ons niet toe. Ik kom uit niet zo’n eervolle familie, maar ons sommen geld toe-eigenen - dat deed je niet. We kregen een bos bloemen; vindersloon is ons onthouden.

“Hoewel ik niet geloofde in Marx’ revolutie, engageerde ik me als puber wel met linkse partijen. De Vietnamoorlog hakte er in. Aan de andere kant had ik weer niet zoveel bezwaren tegen kernenergie. Ik ben lid geweest van de SP. In Hengelo organiseerden ze nog acties langs de deuren. Toen ik kritische vragen kreeg over een vriendinnetje haakte ik af. Die oude SP-jongens waren not precisely my type of guys.

“Thuis voerden we geen gesprekken over politiek. M’n ouders hadden het te druk met brood op de plank krijgen. Verder was mijn vader kortaf. Over de komst van gastarbeiders - midden jaren zeventig vormden zij toch al een behoorlijke groep - had hij een duidelijke mening: D’r uut. Uiteindelijk leerde hij flink wat buitenlanders kennen, en die mochten dan blijven, maar de rest was kut met peren. In mijn familie, in mijn hele omgeving zat xenofobie.”

Ik weet niet of hij echt een racist was, maar mijn vader was behoorlijk xenofoob

René ten Bos

Discussieerde u hierover met uw ouders?

“Discussiëren kun je het niet noemen. Ik weet niet of hij echt een racist was, maar mijn vader was behoorlijk xenofoob - ik maak daar onderscheid tussen. De Poolse filosoof Zygmunt Bauman had het ooit over ‘proteofobie’, angst voor verandering die bij een confrontatie tussen twee culturen kan omslaan in xenofobie, vreemdelingenangst. Waaruit racisme kan ontstaan.

“Het is een oude opvatting om racisme te beperken tot ras, zoals Wilders deed, toen hij na zijn veroordeling in het minder-minderproces twitterde dat hij onmogelijk een racist kon wezen, omdat Marokkanen geen apart ras zijn. Dan veeg je in één haal ladingen literatuur van tafel waarin betoogd wordt dat racisme niet alleen de angst voor de vreemdeling is, maar ook de onmiddellijke veroordeling van de vreemdeling door hem minderwaardig te noemen. Ik denk dat mijn vader xenofoob was.”

Hij had kritiek op Wilders, maar met diens politiek was hij het misschien wel eens.

“Mijn vader beoordeelde zo’n man niet op wat hij beweerde, maar op het karakter dat hij aan hem toeschreef. Als een politicus jouw bezwaren of jouw agenda overnam, was dat des te sterker een reden om hem te wantrouwen, zeker als hij niet uit jouw midden kwam.”

En uw moeder?

“Zij heeft die xenofobie van mijn vader nooit geaccepteerd, ook niet als excuus toen zijn baan wegviel. Zij nam het altijd op voor de buitenlanders. Daar ruzieden ze fiks over.

“In onze wijk heerste verdeeldheid over buitenlanders. Op een nacht in 1970 zag ik vanuit mijn slaapkamer dat er een huis in brand stond. Er woonden Turkse kinderen, veel meer dan er stonden ingeschreven. Met gevaar voor eigen leven heeft een man toen veel kinderen gered - drie kwamen er om. Hij moest niets hebben van buitenlanders. Maar instinctief redde hij die kinderen. Het is moeilijk in te schatten wat echt is aan afkeer van buitenlanders. Daarom vind ik het belangrijk om holle retoriek wat te relativeren. Ik maak me niet te veel zorgen om al dat geschreeuw van de laatste jaren.

Ik zal niet zeggen dat populisme een feest van de democratie is, maar geef Wilders de macht en het is voorbij

René ten Bosch

“Ik zal niet zeggen dat populisme een feest van de democratie is, maar geef Wilders de macht en het is voorbij; dat is kenmerkend voor populisten.”

Een paar keer in de geschiedenis liep het anders.

“Wij leven nu niet in een Weimarrepubliek, zoals Duitsland tussen 1918 en 1933. Economisch gaat het ons beter, en economisch herstel neemt traditioneel de voedingsbodem voor populisme weg.”

Is de boze blanke man een echo van uw vader?

“Hij kende die boosheid ook wel. Die vloeit voort uit kwetsbaarheid. Die boze man is traditioneel opgevoed, met de gedachte dat hij kostwinner moet zijn. Hij moet nu wennen aan zijn nieuwe rol.

“Dat hij de huur niet meer kon betalen, was voor mijn vader een reële dreiging. Af en toe sloot hij leningen af tegen zeer ongunstige rentes; hij bewoog zich van de ene moeilijkheid naar de andere. Uiteindelijk gingen de kinderen de deur uit, dat was een groot geluk. Maar wij hebben wel allemaal moeten bijdragen aan het gezinsinkomen. Ze zijn er redelijk uitgekomen, maar tussen 1977 en 1986 was het slecht met ze gesteld. Daarom kon ik begrip opbrengen voor die boosheid, maar niet voor de gramschap die ermee gepaard ging. En het drankmisbruik.

“Een mens kan snel afglijden. Je hebt tegenslag, meer tegenslag, en plotseling ontstaat er rancune. Ik heb daarover later, toen het mijn vader wat beter ging, nog wel met hem gesproken. Hij beaamde dat hij sommige zaken anders had moeten aanpakken. Daar sprak vooral een hulpeloosheid uit, waarvan ik weet dat die voor een deel gecultiveerd was. Zo van: ‘Ik ben laag en ik blijf laag, ze moeten mij toch altijd hebben.’ De rancuneuze mens weet zichzelf vaak wel te bedruipen, maar blijft mopperen omdat het hem zoveel moeite kost.”

Is mopperen kwaadaardig?

“Nee hoor. Mij zul je nooit horen zeggen dat PVV’ers slechte mensen zijn, tenzij ze onverholen racistische uitspraken doen. Ik maak me ook geen zorgen als Wilders aan de macht zou komen. Omdat onze instituten zo sterk zijn dat we een Wilders I echt wel doorstaan.”

Peter Henk Steenhuis: Later word ik filosoof; het denken van René ten Bos (Boom 104blz., €10). © rv

Wie is de nieuwe Denker des Vaderlands

Na zijn studie filosofie bood het UWV René ten Bos (1959) een managementopleiding aan. Over managers publiceerde hij veel, net als over dieren, ‘om mijn grenzen wat te verleggen’.

Met ‘Water’ werd hij genomineerd voor de ECI-literatuurprijs, ‘Bureaucratie is een inktvis’ bezorgde hem de Socratesbeker voor het beste filosofische boek 2016. Vorige maand verscheen ‘Dwalen in het antropoceen’, waarin hij zich afvraagt of de mens een pest is of een zegen voor de aarde. Als Denker des Vaderlands wil Ten Bos ‘niet klaarstaan met de morele hakbijl’, ook niet bij ‘onderbuikachtige verontwaardiging’. “Als ik me verdiep in zo’n walgelijk onderwerp, wordt de zaak onmiddellijk veel lastiger.”

Hij ziet het als zijn taak om ‘tegen meningen in te denken’, en treedt daarmee in het voetspoor van de eerste Denker, Hans Achterhuis, die ‘tegendenken’ als program hanteerde.

René ten Bos - hoogleraar te Nijmegen - is de vierde nationale Denker. De tweede Denker was René Gude. Diens opvolger was Marli Huijer.

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.


Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.

Deel dit artikel

Advertentie
Ik had altijd al het idee dat filosoferen omgaan met absurde dingen was

René ten Bos

Jaren had ik een seizoenskaart. Met flessen Berenburg gingen we de tribune op om de koude winters door te komen

René ten Bos

Ik weet niet of hij echt een racist was, maar mijn vader was behoorlijk xenofoob

René ten Bos

Ik zal niet zeggen dat populisme een feest van de democratie is, maar geef Wilders de macht en het is voorbij

René ten Bosch