Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Marja Pruis: Ik denk altijd dat iemand anders het beter weet

Religie en Filosofie

Caroline Buijs

Marja Pruis. © Merlijn Doomernik
Levenslessen

De stukken die Marja Pruis (59) de afgelopen jaren voor weekblad de Groene Amsterdammer schreef zijn nu gebundeld tot een essayboek - zoekende teksten over het leven. ‘Ik bewonder mensen met een uitgesproken mening. Die heb ikzelf bijna nooit.’

1. Laat je niet in een meisjesrol drukken

Lees verder na de advertentie

“Ik was een bazig en heerszuchtig kind, maar ook stil en verlegen - het lijkt alsof die twee niet bij elkaar horen, maar voor mij horen ze wel bij elkaar. Ik kon het me ook veroorloven om stil te zijn, ik dwong het blijkbaar af dat kinderen toch wel naar me toe kwamen. Knikkeren of elastieken: ik was degene die bepaalde wat we op het schoolplein gingen doen. Overal wilde ik de beste in zijn, ik kon niet iets op een normale manier doen. Spelen met een bal? Dat waren bij mij gelijk vijf ballen tegelijk. Ik was heel leergierig en legde de andere kinderen uit de klas graag alles uit. Tot mijn tiende zat ik bij de nonnen op school, en die stimuleerden dat ook: ze loofden prijzen uit voor als je ergens de beste in was. Ik was een vergeestelijkt kind en zat veel in mijn eigen wereld.

Omdat we verhuisden, moest ik naar een gewone jongens/meisjesschool en de nonnen hielden hun hart vast, bang als ze waren dat mijn ijver zou afnemen omdat ik me zou laten afleiden door de jongens. Tijdens mijn puberteit maakte ik een keldering door, en dacht ik vaak: laat ook maar. Ik bevroor opeens in een soort meisjesrol. Ik deed minder mijn best, en was meer bezig met verliefd zijn. Alsof ik een soort bewegingsloosheid over me kreeg, verlamd door vragen als: hoe moet ik me gedragen, wanneer ben ik aantrekkelijk?”

2. Doe niet iets omdat je ouders dat leuk vinden

“Die bewegingloosheid heeft lang geduurd. Ik vond het moeilijk om te gaan schrijven, om iets de wereld in te sturen. Ik schreef wel altijd al veel - verhaaltjes, en voorlopers van literatuurkritieken door te noteren welke boeken ik las, waarom ik ze las en wat ik ervan vond - maar ik was daar heel schuchter in. En ik dacht: ja, ik heb gestudeerd, ik moet in een normaal werkverband mijn geld verdienen. Ik was ook erg bezig met wat mijn ouders van mij verwachtten, vooral mijn vader. Want mijn moeder, die huismoeder was, zei altijd: ‘Naar mij moet je niet kijken, ik leefde in een andere tijd.’

Mijn vader had grootse verwachtingen van mij en vond ook, op een liefdevolle manier, dat ik ‘verstandig’ moest zijn en voor ‘veiligheid’ moest kiezen. En zo heb ik negen jaar als redacteur bij de Algemene Rekenkamer gewerkt. Ik verdiende veel, had leuke collega’s, het was hoogwaardig werk, maar ik zie me nog aan mijn bureau zitten: naar buiten starend, waar ik op een kerkklok de tijd voorbij zag kruipen.

Ik probeer mijn kinderen voor te houden: doe niets omdat je denkt dat ík het leuk vind, en doe niets waarbij je je verveelt

Op maandag dook ik bij wijze van spreken via een duikplank het water in, om daar dan pas weer op vrijdagmiddag uit omhoog te komen - doodop. Toen mijn vader overleed, was het eerste wat ik heb gedaan ontslag nemen. En ik durfde te gaan schrijven, mijn vader was mijn barrière.

Ik heb me altijd schuldig gevoeld naar mijn ouders, die zo lief en zorgzaam waren, ik heb me lang voorzichtig bewogen en angstvallig gezocht naar wie ik eigenlijk was. Maar dat ook verborgen gehouden omdat ik dacht dat ik iets was wat mijn ouders niet in gedachten hadden, dat ik niet die engel was. Misschien is dat ook wel ingebakken in de relatie ouder-kind, maar ik probeer mijn kinderen voor te houden: doe niets omdat je denkt dat ík het leuk vind, en doe niets waarbij je je verveelt.”

3. Als je schrijft, wordt je stem zichtbaar

“In 1989 overleed Mary McCarthy, een schrijfster van wie ik erg veel hield, waarna ik een necrologie over haar naar De Groene stuurde. Martin van Amerongen belde me op om te zeggen dat-ie het een mooi stuk vond, en of ik eens wilde komen praten. Hij heeft mij bevrijd uit die koektrommel waarin ik opgesloten zat, en waarin ik niet wist waar ik met mijn ambities en verlangens naartoe moest. Schrijven is een vorm van extreem bewegen. Ik bedoel: opeens wordt je stem zichtbaar.

Tegelijkertijd voelt het veilig om dat te doen: ik hoef niemand aan te kijken en ik kan het van achter mijn bureau doen. Het is een andere werkelijkheid en daarom schrik ik nog steeds als ik in het ‘echte leven’ iemand tegenkom die iets over mijn column zegt: dan komen twee werkelijkheden bij elkaar die niet bij elkaar moeten komen.

De column, maar ook het essay, voelen voor mij op maat gesneden. Op papier durf ik bijna alles, omdat ik heel precies kan zijn en elk woord kan wegen en ik de vorm bepaal. Het is een afgerond iets en het heeft niet de slordigheid van dagelijkse conversaties of ontmoetingen, waarbij ik de dingen net verkeerd zeg die ik dan moet herroepen. Als ik schrijf doe ik daar idioot lang over, maar als ik mijn laatste punt heb gezet weet ik ook dat het goed is.”

4. Blijf trouw aan wat je samen hebt opgebouwd

“Mijn man en ik - we zijn niet getrouwd, maar ik noem hem wel mijn man - zijn al heel lang samen. Ik ben wat relativerender over de romantische liefde gaan denken, en zie nu dat het ook een kwestie van intentie is. Tegelijkertijd ben ik heel erg gehecht aan het idee van romantische liefde en aan het idee van ‘de ware’. Ik kan heel mijn ratio inzetten om te denken dat dat een fictie is, maar die fictie is wel wat je op de been houdt.

Ik denk dat mensen zich pas echt verliezen in een fictie als ze het idee hebben dat ze het bij een ander opnieuw kunnen vinden - ik betwijfel dat. Ik vind het belangrijk je aan iemand te committeren en samen een geschiedenis op te bouwen en daar trouw aan te blijven, het is de enige manier waarop samenleven zin krijgt. Daar horen ergernissen bij, misverstanden en gruwelen, maar als je het verbond eenmaal verbreekt, ben je verloren. Dan ga je het misschien bij een ander zoeken, maar daar gebeurt het na verloop van tijd weer. Ik hecht aan het idee dat sommige dingen onherhaalbaar zijn, en dat intensiteit of hartstocht of lust niet zomaar weer te verplaatsen zijn. Ja, heel eventjes misschien. Dát - denken dat je de intensiteit kunt verplaatsen - is de echte fictie.”

5. Luister niet naar anderen maar naar je eigen intuïtie

“Van een aantal facetten in het leven weet ik heel goed wat ik wil en wat ik mooi vind en waar het om gaat, maar ik ben altijd gevoelig voor wat anderen zeggen. Als ik ergens een mening over heb en iemand anders zegt het tegenovergestelde, denk ik snel, sneller dan wie dan ook in mijn omgeving: oh ja, zo kun je het ook bekijken. Ik denk altijd dat iemand anders het beter weet en dat is soms onhandig, daar worstel ik echt mee. 

Marja Pruis. © Merlijn Doomernik

Xandra Schutte (hoofdredacteur van De Groene, CB) noemt mij weleens spottend ‘wendehalsje’, maar zo voelt het niet omdat iemand mij écht op een nieuw idee kan brengen. Ik bewonder mensen met een uitgesproken mening, maar ik heb die zelf bijna nooit. Als je het positief wil vertalen, kun je zeggen dat ik flexibel ben. De les die Annie M.G. Schmidt wel eens in een interview heeft genoemd - luister niet naar anderen en volg je eigen intuïtie - heb ik altijd in mijn hoofd, maar het lukt me niet goed die toe te passen in mijn eigen leven. Dat ik autoriteitsgevoelig ben hoort daar ook bij. Zo gauw iemand een witte jas aantrekt, denk ik rustig: opereer mij maar. Vliegangst ken ik niet, want ik denk: die man heeft een pet op, die kan dat. Ik denk dat zoveel dingen in het leven moeilijk zijn, dat ik anderen er meer in vertrouw dan mezelf.”

6. Eigen je andermans verhalen liefdevol toe

“Ik ga ervan uit, en volgens mij is dat ook zo, dat mijn man en kinderen niet lezen wat ik schrijf. Dat geeft mij de ruimte en de vrijheid om te schrijven wat ik wil schrijven. Ik heb mijn dochter één keer een column laten lezen omdat die over een vriendinnetje van haar ging, en toen werd ze heel boos op me. Ik heb haar moeten beloven dat ik het voortaan zou zeggen als ik iets uit haar leven zou gebruiken, maar daar ben ik meteen weer mee gestopt. Want zodra ik dat doe, dan is het alsof ik het echt over haar heb, terwijl: dat is het niet. 

Ik trek alles mijn eigen wereld in, ik vervorm de werkelijkheid, al snap ik wel dat dat soms pijnlijk uitpakt, zeker voor mijn intimi. Ik eigen me ons gezamenlijke levensverhaal toe en ik ben heel blij dat ze daar geen problemen mee hebben. Het is ook de enige manier waarop ik het kan doen, anders zou ik er niet eens aan kunnen beginnen, dan zou ik me te geremd voelen in wat ik beschrijf. Dat gezamenlijke verhaal wordt deel van een ander verhaal, met een kop en een staart. Het enige wat ik hoop, is dat ik het liefdevol doe en hen niet beschaam.”

7. Blijf doen waar je bang voor bent

“Het leuke van ouder worden is dat je misschien beter weet wat je kunt en waar je niet aan moet beginnen. Maar ik vind het verbazingwekkend dat je er over het algemeen met de jaren niet wijzer op wordt, ik niet tenminste. Ik heb als ideaal dat ik met een soort beschermlaagje door het leven ga, en niet te gauw uit het veld ben geslagen of bang ben of geëmotioneerd raak. Er moet toch naarmate je ouder wordt zo’n laagje groeien? Die onverstoorbaarheid, zoals je zo’n laagje ook kunt noemen, bereik ik maar niet. Ik kan nog steeds als een berg tegen van alles opzien en ben altijd zenuwachtig als ik iets moet zeggen dat langer dan een halve minuut duurt. Maar ik ben ook altijd mezelf aan het toespreken, en doe het vervolgens wel.”

8. Gun elkaar als vrouwen wat

“Bij De Groene begonnen we vorig jaar met een serie over het herlezen van feministische klassiekers, en dat is nu een boek geworden: De nieuwe feministische leeslijst. Het valt me op dat jonge schrijfsters een nieuw feministisch zelfbewustzijn hebben. Op een bepaalde manier gaat dat terug naar de jaren tachtig, maar is het ook anders: vrolijker. En ik heb het idee dat deze generatie vrouwen meer solidair is met elkaar en elkaar meer gunt. Ik geloof dat er iets aan het verschuiven is in de literatuur: recensenten lezen nu ook vrouwen, en dat is heel lang niet het geval geweest. Vrouwen zitten steeds meer op posities waar ze hun smaak kunnen laten gelden, en daardoor wordt de canon langzaam herschreven. Alleen vertalen deze ontwikkelingen zich nog niet helemaal in literaire prijzen, maar verder ben ik optimistisch gestemd.”

Marja Pruis (Amsterdam, 1959) is literatuurcriticus, columnist en schrijver. Ze studeerde Nederlands en Algemene Taalwetenschap aan de UvA en is redacteur bij weekblad De Groene Amsterdammer. Ze schrijft tweewekelijks een column, waarvoor ze in 2016 de J.L. Heldringprijs ontving voor beste columnist van Nederland. Daarnaast stelt ze o.a. de boekenbijlage ‘Dichters & denkers’ samen en schrijft ze behalve over Nederlandse literatuur ook essays over onderwerpen als verlegenheid, schoonheidsidealen en humor. Ze kreeg hiervoor de Jan Hanlo Prijs en onlangs de J. Greshoffprijs. Voor het tijdschrift Linda. schrijft ze de boekenrubriek. Pruis publiceert ook romans, o.a. ‘Bloem’ (2002), ‘De vertrouweling’ (2005) en ‘Zachte riten’ (2016). Op 12 maart verschijnt haar essaybundel ‘Oplossingen. Het leven, mijn handreiking’ (Nijgh & Van Ditmar). En ter gelegenheid van de Boekenweek publiceert Das Mag op 15 maart de door Pruis samengestelde bundel ‘De nieuwe feministische leeslijst’.

Lees ook:

Het leven en werk van Netty Nijhoff door de ogen van Marja Pruis

Een nieuw boek van Marja Pruis - romanschrijver en essayist met een scherpzinnige, soepele pen - is altijd spannend, ook als het eigenlijk een ‘oud’ boek is.

Levenslessen

Trouw vraagt wekelijks een bekende of minder bekende Nederlander: welke levenslessen heeft u geleerd? Eerdere afleveringen vindt u op trouw.nl/levenslessen.

Deel dit artikel

Ik probeer mijn kinderen voor te houden: doe niets omdat je denkt dat ík het leuk vind, en doe niets waarbij je je verveelt