Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Kees Vuyk wint de Socrates Wisselbeker voor zijn veelomvattende studie naar ongelijkheid

Religie en Filosofie

Leonie Breebaart

© Uitgeverij Klement

De Socrates Wisselbeker voor het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek van 2017 gaat naar Kees Vuyk, dat is tijdens de Nijmeegse Nacht van de Filosofie bekend gemaakt. 

Volgens juryvoorzitter Paul Cobben was het geen makkelijke beslissing, want ook het boek van Ger Groot (‘De geest uit de fles’) maakte indruk, terwijl Ignaas Devisch’ ‘Het empathisch teveel’ actualiteit heeft gekregen door de discussies rond hulporganisaties. Ook Lieve Goorden en René ten Bos Toch haalden de shortlist, maar de vijfkoppige jury vond geen titel zo verrassend als ‘Oude en nieuwe ongelijkheid. Over het failliet van het verheffingsideaal’. Winnaar Kees Vuyk (1953) publiceerde voorheen vooral veel over cultuurbeleid.

Lees verder na de advertentie

Prikkelend aan zijn boek is allereerst de constatering dat het ideaal van verheffing op haar grenzen is gestoten. Een tijdlang ging het met die verheffing heel goed, legt Vuyk uit. In de late twintigste eeuw hebben vrijwel alle bovengemiddeld slimme Nederlanders de opleiding kunnen volgen die zij aankonden - alleen onder allochtonen zit waarschijnlijk nog veel onbenut talent. Maar het gevolg van die geslaagde volksverheffing is dat er een nieuwe en volgens Vuyk amper erkende tweedeling is ontstaan, namelijk die tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden – tegenwoordig liever praktisch ingestelde mensen genoemd. Begin twintigste eeuw liepen in de lagere klassen nog bovengemiddeld slimme mensen rond, schrijft Vuyk, maar door de naoorlogse braindrain is dat amper meer het geval. Zo ontstaan er verschillende, van elkaar gescheiden gemeenschappen op basis van intelligentie: nieuwe ongelijkheid.

Nieuwe ongelijkheid

Zelf heeft Kees Vuyk van die verheffing juist geprofiteerd, vertelt hij in een van de verhalende intermezzo’s van zijn boek. Dat hij als zoon van ‘Kleine luyden’ – Vuyk stamt uit een familie van boomkwekers – in 1965 naar het lyceum mocht, sprak niet bepaald vanzelf, dat hij later in het opstandige Amsterdam psychologie ging studeren al helemaal niet. Wat dat betreft was hij exemplarisch voor zijn generatie, en die ervaring bood hem ook zicht op de nadelen van al die kansen op doorstroming. Want gaandeweg, nadat Vuyk had gekozen voor filosofie en kunst (hij promoveerde op Nietzsche en Heidegger), verdiepte de kloof tussen hem en zijn ouders. Zoals zoveel anderen verwijderde dit slimme kind zich niet alleen fysiek van het ouderlijk huis – studenten bleven in de stad wonen waar ze studeerden, maar ging hij ook anders leven en denken. Zo ontstaat de nieuwe ongelijkheid waarop Vuyk in zijn boek op wijst.

Kees Vuyk publiceerde veel over kunst en cultuur, maar met zijn veelomvattende studie naar het failliet van het ver­hef­fings­ide­aal werd hij bekend bij een groot publiek

Later werd Kees Vuyk universitair docent cultuurbeleid in Utrecht, nadat hij onder meer directeur van het Nederlandse Theater Instituut was geweest. Hij schreef vooral veel artikelen over de waarde en betekenis van kunst en cultuur – en nu dus een veelomvattende studie over het failliet van het verheffingsideaal dat hem zelf de carrière heeft gebracht die een eeuw vroeger onmogelijk geweest was.

Maar is ‘Oude en nieuwe ongelijkheid’ eigenlijk wel een filosofisch betoog, of toch eerder een sociologische studie? Daarop heeft Vuyk zelf wel een antwoord. Het gaat hem in zijn boek niet alleen om de feiten, maar veel meer over de kaders waarbinnen die feiten zichtbaar worden. Filosofen kunnen erop wijzen als zo’n kader sleets begint te raken, en dat is volgens Vuyk het geval bij de tegenstelling arm-rijk. In de negentiende eeuw werd die arm-rijk-tegenstelling voor het eerst gezien als hét probleem van onze samenleving; in de twintigste eeuw hoopten we de verschillen via beter onderwijs op te lossen.

Maakbaarheid

Dat idee van maakbaarheid bleef lange tijd populair, ook al omdat veel slimme mensen uit lagere klassen hun kans hebben gegrepen. Maar het denkkader van de volksverheffing verduistert volgens Kuyk het feit dat verschillen in talent en intelligentie niet zomaar op te heffen zijn. Dat wordt in de zogenaamde meritocratie, waarin slimme mensen kansen krijgen, over het hoofd gezien, “Ik moet waarschuwen: nu gaat het beeld pijnlijk worden,” schrijft Vuyk in zijn boek, “maar intelligentie is in hoge mate erfelijk.”

Is dat zo? Filosofen zullen bij zo’n bewering dat ‘intelligentie in hoge mate erfelijk is’ meteen gaan steigeren. Heeft Vuyk zich afgevraagd hoe de deskundigen waar hij naar verwijst te werk gegaan zijn? Wat verstaat hij precies onder intelligentie? En hoe weten we wat bij de term erfelijkheid nature en wat nurture is? Je kunt je voorstellen dat de jury hierover heeft gediscussieerd.

Dit boek laat zien dat de maatschappij misschien niet zo maakbaar is. Niet elk dubbeltje wordt een kwartje

Juryvoorzitter Paul Cobben

Juryvoorzitter Cobben geeft wel toe dat de begrippen die Vuyk gebruikt filosofisch niet altijd sterk onderbouwd zijn. Maar daar staat tegenover dat het boek volgens de jury de belangrijke filosofische vraag stelt naar de verhouding tussen vrijheid en gelijkheid. “Dit boek laat zien dat de maatschappij misschien niet zo maakbaar is. Niet elk dubbeltje wordt een kwartje. Natuurlijk is het belangrijk dat mensen een kans krijgen, maar wat als de rek eruit is en we teveel kinderen naar de universiteit jagen? Maakt het hameren op gelijke kansen ons dan nog vrijer? Of weerhoudt het een deel van de bevolking ervan een eigen pad te kiezen en daar vrede mee te hebben?”

Respectvol

De huidige ‘obsessie met onderwijs’ is een van de meest urgente kwesties die Kees Vuyk aanroert. Als het niet mag gaan over verschillen in intelligentie, dan ligt het volgens Vuyk voor de hand dat het onderwijs veel te zwaar wordt belast: docenten moeten tegen de klippen op zorgen dat iedereen alsnog gelijk wordt – zelfs als dat een onrealistisch ideaal gebleken is. Vuyk pleit dan ook voor meer visie op het Vmbo. Toch is dat maar één van de gebieden waarop Kees Vuyk kritiek discussie kan uitlokken, want de vraag hoe de samenleving omgaat met mensen met bescheiden intellectuele talenten reikt verder dan het onderwijs. Dat moet respectvoller, vindt de nieuwe winnaar van de Socrates Wisselbeker.

Wat dat betreft is het recente voorstel van Marianne Zwagerman om laagopgeleiden maar liever praktisch opgeleiden te noemen, in lijn met het betoog van Kees Vuyk. Zijn boek onderstreept nog eens waarom Zwagerman daarvoor zoveel bijval kreeg.

Deel dit artikel

Kees Vuyk publiceerde veel over kunst en cultuur, maar met zijn veelomvattende studie naar het failliet van het ver­hef­fings­ide­aal werd hij bekend bij een groot publiek

Dit boek laat zien dat de maatschappij misschien niet zo maakbaar is. Niet elk dubbeltje wordt een kwartje

Juryvoorzitter Paul Cobben