Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het schrift verwijdert het denken van zijn auteur

Home

Coen Simon

Coen Simon © Maartje Geels
Essay

Afkeer van slecht geschreven of hermetische teksten werkt doofheid voor nieuwe geluiden in de hand, betoogt filosoof Coen Simon.

‘Hé, eigenlijk zit in alles een letter.” Mijn oudste zoon hangt, met zijn jas al aan, op zijn kop over een stoel, zoals altijd als eerste klaar om naar school te gaan. “Echt, pap, wat ik ook zeg. Ook als het niets betekent.” Hij stoot klanken uit, er klinkt gepruttel en hij roept heel hard “Ieieie!” en “Aaa!” En zie je wel: “Dat zijn de ‘i’ en een ‘a’.” 

Lees verder na de advertentie

De observatie klinkt juist uit zijn mond opvallend, omdat hij net als ik de licht dyslectische aanleg heeft om woorden en klanken te verhaspelen. Woordenhaai, het woordenspel dat hij van mijn moeder - docent Nederlands - kreeg toen hij leerde lezen, noemde hij consequent ‘Haaienwoord’ en ik wist op den duur ook niet meer wat nu de juiste volgorde was.

“Maar voor dieren”, reageer ik, terwijl ik mijn andere zoon z’n thee probeer te laten drinken, “bevatten de klanken die ze voortbrengen géén letters. Er is natuurlijk geen hond die ‘waf waf’ hoort als hij blaft.” Zoonlief gaat weer rechtop op zijn stoel zitten en glimlacht nadenkend.

Het is echt heel diepzinnig en je bent gewoon niet slim genoeg

Klantenservice

Wat doen letters met een klank? Wat doen woorden met een stem? En wat doet schrift met taal? Ik schrijf het expres een beetje mystificerend op, zodat ik zeker weet dat ik een geïrriteerde Rutger Bregman tot mijn gehoor mag rekenen. Hij schreef in De Correspondent op grond van alleen de eerste bladzijde een vernietigende recensie van een nieuw boek van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk en concludeerde dat er weinig verschil bestaat tussen deze filosoof en een managementgoeroe. “Of tussen de vermaarde filosoof en de consultant die intervisiebijeenkomsten over co-creatie in de netwerksamenleving organiseert. Het gaat allemaal nergens over, maar onze boekenkasten staan er vol mee.”

Bregman, die de functie van criticus vooral lijkt op te vatten als een klantenservice voor bedrogen lezers, geeft in zijn recensie een handleiding voor het benaderen van onbegrijpelijke teksten. Er zijn drie mogelijkheden, volgens hem:

1. Het is echt heel diepzinnig en je bent gewoon niet slim genoeg;

2. Het lijkt heel diepzinnig, maar het is juist oppervlakkig;

3. Het is gewoon bullshit.

Alternatieven

Zijn oordeel over Sloterdijk, dus op basis van die ene pagina, pakt relatief mild uit. Sloterdijk valt in de tweede categorie waarin op diepzinnige wijze oppervlakkigheden worden beweerd. De Sloveense filosoof Slavoj Zizek komt er minder genadig van af. Zijn werk vindt Bregman “gewoon bullshit”. Ik heb geen idee of hij van hem wel een boek uitlas.

Als ik een handleiding zou moeten geven voor de benadering van onbegrijpelijke teksten, dan zou ik me in de eerste plaats richten op de lezer van de tekst, en niet op de schrijver. Dat levert dan bijvoorbeeld op:

1. De tekst wordt gelezen door iemand die wat er ook staat voor lief neemt, omdat het immers geschreven staat;

2. De tekst wordt gelezen door iemand die verwacht dat de tekst hem iets te vertellen heeft;

3. De tekst wordt gelezen door iemand die bang is dat hij iets leest wat misschien niet waar is en daarvoor bewijzen zoekt buiten de tekst. 

Nepartikel

Bregman valt met hedendaagse denkers als Paul Cliteur, Maarten Boudry en Sebastien Valkenberg in de laatste categorie. Deze groep haalt graag de Sokal-affaire aan ter bewijs van hun stelling dat de meeste postmoderne filosofen maar wat uit hun nek kletsen en dat hun lezers thuishoren in de eerste categorie van mijn leeshandleiding. “Zij zien onleesbaarheid aan voor diepgang”, zoals Valkenberg in 2011 op deze plek schreef.

Die Sokal-affaire draait om een nepartikel van de New Yorkse natuurkundehoogleraar Alan Sokal. Hij schreef in 1996 enkele duistere citaten (van Jacques Lacan en Julia Kristeva) aan elkaar met een zelfverzonnen natuurkundige theorie, en wist het onder de titel ‘Transgressing the Boundaries: Toward a Transformative Hermeneutics of Quantum Gravity’ geplaatst te krijgen in Social Text, een gerenommeerd Amerikaans tijdschrift voor sociale en culturele studies. De parodie is sindsdien het instrument om slecht schrijvende of anders denkende meestal goed verkopende filosofen te diskwalificeren.

Tussen twee dezelfde dingen bestaat geen verschil, daar is geen speld tussen te krijgen

Verblind

“Hoe toets je of een filosofie juist is?”, vroeg Paul Cliteur zich in 1998 af in deze krant. “Zij hadden het vermoeden dat een groep postmoderne filosofen eigenlijk niets te melden had. Jean-François Lyotard en Jacques Lacan betoveren hun publiek met bezwerende gemeenplaatsen, maar ze stellen in wezen niets voor. Nu is dat natuurlijk bekend, maar het probleem is: hoe ontmasker je de bedriegers?” Cliteur meende dat Sokal en Bricmont daar een ‘briljante’ oplossing voor hadden gevonden. “Zij schreven een obscuur artikel met daarin dezelfde onzinnige dingen als deze postmoderne filosofen beweren. Vervolgens stuurden zij dat artikel op naar een tijdschrift dat door postmodernisten wordt beheerd, en wachtten af wat gebeurde. En inderdaad, hun stuk werd geplaatst. Als je het mij vraagt hebben Sokal en Bricmont de filosofie een grote dienst bewezen. Vindt u niet?”

Inderdaad, maar om andere redenen dan die van Cliteur, die verblind door zijn eigen gelijk verstrikt raakt in een tautologische redenering: de teksten van postmoderne filosofen zijn onzinnig. Ik kan dat bewijzen. Als ik een tekst schrijf met “dezelfde onzinnige dingen als deze postmoderne filosofen beweren”, dan ziet u immers geen verschil. En inderdaad, tussen twee dezelfde dingen bestaat geen verschil, daar is geen speld tussen te krijgen, maar evenmin is er iets mee aangetoond. Cliteur zegt niets anders dan: postmoderne filosofen vertellen onzin omdat ze onzin vertellen.

Met andere woorden

Terwijl Bregman, Valkenberg en Boudry op dezelfde tautologische wijze kritiek leveren op postmoderne denkers, leggen ze onbedoeld een belangrijk kenmerk van taal en betekenis bloot. Vooral als ze de hulp inroepen van de ‘postmodernismegenerator’, software die willekeurige postmoderne teksten genereert. Deze Dada Engine, ontwikkeld door Andrew C. Bulhak, gebruikt algoritmen die zijn gebaseerd op het vocabulaire en de grammaticale structuur van het gewraakte postmoderne proza van onder anderen Lyotard en Lacan.

Dat die generator zonder auteur en zonder bedoeling dan toch weer dezelfde soort teksten ophoest als de postmoderne denkers, zien Bregman, Valkenberg en Boudry als een bewijs dat alle postmoderne teksten ‘betekenisloos’ zijn. Waarschijnlijk met het idee dat een machine niet kan denken en dus nooit in staat is om zonder inhoudelijke intentie en overtuiging zinnige taal uit te slaan. 

Een rare redenering, want dat zou ook betekenen dat als ik een natuurkundige wet uitspreek voor een gezelschap van fysici zonder dat ik zelf de inhoud van die wet begrijp (E is, ik zeg maar wat, mc2), ik daarmee aantoon dat Einstein maar wat uit zijn nek heeft lopen kletsen. Het zonder bedoeling of begrip produceren van teksten levert niet noodzakelijk ook teksten op zonder betekenis.

En dat is wat de ongeduldige en afgunstige kritiek op moeilijk toegankelijke teksten onbedoeld interessant maakt. Of om het in duistere postmoderne woorden te vatten: “In het schrift is de logos niet langer in leven, maar overleeft in de gedaante van een herinneringsspoor, van een testament, van een grafinscriptie. In de stem brengt het subject zijn eigen betekende intentie ronduit onder woorden en verstaat haar ook zo, terwijl het schrift het denken van zijn auteur verwijdert. De auteur die zichzelf herleest, is geen bevoorrecht lezer: ook voor hem is het willen-zeggen van de auteur van de tekst die hij leest, reeds dood.”

De waarheid

Ik geef toe, dit soort zinnen moet ik ook altijd een paar keer lezen. Houdt u zich voorlopig maar even vast aan de opmerking dat “het schrift het denken van zijn auteur verwijdert”.

Het fragment komt uit de inleiding van Rudolf Bernet op de Nederlandse vertaling ‘De stem en het fenomeen’ van de vermaarde filosoof Jacques Derrida (1930-2004). Derrida is met zijn complexe taaldeconstructies wel zo’n beetje de belangrijkste vertegenwoordiger van het postmoderne gedachtegoed waar de sokalisten hun pijlen op richten.

In ‘De stem en het fenomeen’ deconstrueert Derrida de vanzelfsprekende aanname dat de waarheid van een uitspraak exclusief in handen is van degene die hem uitspreekt. We gaan daarvan uit omdat degene die iets zegt immers zelf wel weet wat hij ermee bedoelt. Maar woord en spreker, laat Derrida zien, vallen nooit samen, zelfs niet in het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’, dat ik alleen kan gebruiken omdat het ook op anderen van toepassing is. 

Simpel gezegd: het woord ‘boom’ is niet de boom zelf. En het woord ‘blaffen’ is niet het blaffen zelf. En zelfs ‘waf waf waf’ is dat niet. Bernet zegt daarover in zijn inleiding: “Om zich te openbaren moet het goddelijke woord vlees worden en zich in de wereld incarneren, ook al is dit vlees evenzeer het vlees van God als van een mens.”

Ik hoop dat Bregman cum suis nog niet is afgehaakt, want juist voor hen wordt het nu interessant. De bijbelse metafoor van het vleesgeworden woord is nuttig voor de herwaardering van moeilijk toegankelijke denkers. Net zoals jouw eigen particuliere verhaal alleen maar verteld kan worden door gebruik te maken van de algemene betekenisstructuren van de taal, zo kan een algemeen mededeelbare gedachte alleen maar uitgedrukt worden door iemand in het bijzonder. Hoe revolutionair of geniaal een ingeving ook is, die wordt altijd pas openbaar in de eigenzinnige bewoordingen van het toevallige lichaam dat ze bedenkt en uitspreekt. Elke openbaring openbaart zich geïncarneerd in toevallig deze of gene denker in toevallig deze of gene tijd. En dat kan dus ook betekenen dat de waarheid zich openbaart in een spraakgebrek of een slecht geschreven zin.

Waarschuwing

Maar Bregman hoort alleen maar vleesgeworden bedrog van ‘gekke denkbeesten met vlassige baarden en snorren, als hij een boek van Sloterdijk, Zizek of Derrida openslaat, en waarschuwt zijn lezers voor deze bedriegers, die een illusie van diepzinnigheid in stand houden “door zo slecht mogelijk te schrijven”.

Het paradoxale aan de betuttelende waarschuwing van Bregman is dat hij ons wil behoeden voor charlatans, maar feitelijk leert dat we ons eigen oordeel niet kunnen vertrouwen. Er zouden natuurwetenschappelijk middelen nodig zijn om te weten of we van een tekst opaan kunnen.

Herhalen

De Duitse classicus en filosoof Hans-Georg Gadamer (1900-2002), die zijn leven wijdde aan het interpreteren van overgeleverde teksten, betoogt zelfs in ‘Wahrheit und Methode’ (1960) dat de wetenschappelijke methode ongeschikt is om de waarheid van een tekst te ervaren. Natuurwetenschappelijke zekerheid is er een die wordt verkregen door herhaling van dezelfde ervaring.

 Een tekst daarentegen levert altijd maar één keer een ervaring op, en die is altijd nieuw. “De ervaring vindt haar voltooiing niet in een afsluitend weten”, schrijft Gadamer, “maar in de openheid voor ervaring.” Hij vergelijkt het lezen van een tekst met een gesprek. “Als twee mensen elkaar verstaan, betekent dat immers niet dat de een de ander ‘begrijpt’, dat wil zeggen: doorziet.” Nee, ervan uitgaan dat de ander mij iets te zeggen heeft, impliceert, aldus Gadamer, “de erkenning dat ik in mij iets moet accepteren wat tegen mij ingaat, ook als er geen ander zou zijn die tegen mij ingaat”.

Het verdacht maken van teksten op grond van hun incarnaties (vlassige baarden en slecht geschreven zinnen) is een uitsluitingsstrategie die niet alleen minderbedeelden, stotteraars en analfabeten bij voorbaat weghoudt van de waarheid, maar dus ook andersdenkenden.

Wie vindt dat alles wat gezegd kan worden helder gezegd moet worden, hoort alleen zijn eigen woorden herhaald. En hoort zo nooit iets nieuws. 

Coen Simon

Coen Simon (1972) is filosoof en publicist. Hij schrijft voor kranten en tijdschriften. Hij won in 2012 de Socrates-wisselbeker met zijn boek ‘En toen wisten we alles. Een pleidooi voor oppervlakkigheid’.

Dit essay is een voorpublicatie uit Coen Simons ’Oordeel zelf. Waarom niemand hetzelfde wil en iedereen hetzelfde doet’ (Ambo|Anthos, € 18,99). Dat boek wordt 19 april om 16.30 uur gepresenteerd in boekhandel Athenaeum in Amsterdam (vestiging Roeterseiland). Femke Halsema neemt het eerste exemplaar in ontvangst. Zie ook www.coensimon.nl

Deel dit artikel

Het is echt heel diepzinnig en je bent gewoon niet slim genoeg

Tussen twee dezelfde dingen bestaat geen verschil, daar is geen speld tussen te krijgen