Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Dieren uit het menselijke domein weren, is volslagen willekeur, stelt Barbara Ehrenreich

Religie en Filosofie

Barbara Ehrenreich

Barbara Ehrenreich © Stephen Voss
Essay

Zijn we het geweten van de aarde, of de grootste gesel van al wat leeft? De mens is, zegt natuurkundige Barbara Ehrenreich, een mozaïek van prooi en dier.

Het mooiste van het moderne humanisme is zijn universalisme. Andere ideologieën zijn vaak exclusief - de islam is voor moslims, het feminisme identificeert zich met vrouwen, niet met mannen, de nationalist voelt zich solidair met medeburgers, niet met mensen over de grens. De humanist is de enige die ieder mens omarmt en het menszijn als iets universeels viert.

Lees verder na de advertentie

Niet verwonderlijk dat het humanisme voor het 16de-eeuwse katholicisme zo’n gevaar vormde. Humanisten suggereerden dat ze zelf wel moreel konden handelen, zonder een verzonnen godheid. Het luidde een nieuw tijdperk in, waarin alle mensen één zouden worden.

Waarom beperken we onze sympathie tot homo sapiens?

Juist daarin schiet het humanisme vandaag tekort. Niet in zijn universele pretentie, maar in zijn beperking. Wat me opvalt, 500 jaar na de opkomst van het humanisme, is niet zijn inclusiviteit, maar zijn ongegeneerde uitsluiting. Waarom beperken we onze sympathie tot homo sapiens, breiden we die niet uit tot mededieren waarmee we deze planeet delen, zoals chimpansees die 99 procent van ons DNA delen, of honden en paarden die ons al duizenden jaren vergezellen?

Vogels, dolfijnen en walvissen

Mijn pleidooi komt niet op uit mijn persoonlijk leven - ik ben geen veganist en heb geen huisdieren. Wel ben ik natuurwetenschappelijk geschoold. Tijdens mijn leven is de kijk in de wetenschappen op dieren zo snel en fundamenteel aan het veranderen, dat de conclusie nu al mag zijn dat het volslagen willekeur is om dieren uit het menselijke, morele domein te weren. Overal blijken dieren vermogens te hebben die aanvankelijk uniek waren voor de mens - ze gebruiken werktuigen, zijn altruïstisch, maken kunst, ze denken na en hebben een geheugen, ze kunnen wegzinken in een depressie.

En niet alleen vogels , dolfijnen en walvissen bedienen zich van taal - laatst bleken prairiehonden elkaar toe te roepen ‘daar komt die grote mens in het blauw!’, of ‘dat kleintje in het geel!’. En octopussen die XTC krijgen toegediend, lijken wel te gaan dansen, erotisch golvend, en elkaar aan te raken - uitzonderlijk voor deze diersoort. In 2012 besloot een conferentie van neurowetenschappers dat dieren na konden denken, emoties en zelfs bewustzijn konden hebben.

Dieren zijn niet zomaar te onderscheiden van mensen, misschien zijn ze wat minder intelligent en onderhoudend, wat impulsiever en onvoorspelbaarder. Maar wat maakt dat uit? Je hebt zo veel soorten dieren die onderling net zo verschillen als mensen. Daarom is het zo lastig om te zeggen wat je moet doen als je door een beer wordt aangevallen: wegrennen, zwaaien met je armen en kabaal maken, of je voor dood houden op de grond? Hangt af van de beer, en van zijn humeur.

Hoogmoed

Voor de hoogmoed waarmee de ene diersoort zich boven de andere verheft, is een term: speciëcisme. Het is bekend geworden door de Australische dierenrechtenactivist Peter Singer en het rijmt op racisme, seksisme en ableïsme - afkeer van gehandicapten. Onder Amerikaanse humanisten is een hevig debat gaande, of hun overtuiging geen speciëcisme is, en dat ze beter ‘animalisme’ zou kunnen heten. Want de gemeenschap der levenden die we moeten behoeden voor de stijgende zeespiegel en verstikkende zomers, omvat niet alleen onze kinderen en kleinkinderen, maar ook de beer, de slang en de kikker.

En net nu we in de gaten krijgen hoeveel we gemeen hebben met niet-menselijke dieren, vallen er verdrietig genoeg steeds meer uit. Volgens het Center for Biological Diversity is uitsterven een natuurverschijnsel, maar nu gaat het net zo hard als tijdens het uitsterven van de dinosauriërs, 65 miljoen jaar geleden. De prairiehonden wier taal we onlangs zijn gaan verstaan, staan op de lijst van bedreigde diersoorten.

De mens is voor zijn mededieren een onverzadigbaar roofdier. Dat leidt tot wat de conservatieve psycholoog Jordan Peterson ‘milieu-activistische zelfhaat’ noemt. Dat is het tegenovergestelde van humanisme en het impliceert dat onze soort een tragische misser is.

Smakelijk hapje

Laat me een ander verhaal stellen tegenover dat mismoedige beeld. Voordat we roofdieren werden, waren we prooidieren. Op de Afrikaanse savanne vochten we tegen (of waarschijnlijker: kropen we weg voor) sabeltandtijgers en andere grote katachtigen. Dat idee stuitte evolutiebiologen tientallen jaren tegen de borst - ‘we zijn geen kattenvoer’. Primatologen vielen hen bij, want ze zagen vrijwel nooit dat een aap werd aangevallen. Maar nieuw veldonderzoek toont aan dat elk jaar een kwart van de bavianen, toch echte vechtersbazen met vlijmscherpe tanden, door roofdieren word gedood. Waarom primatologen dat niet zagen? Wel, die werken overdag, roofdieren jagen ’s nachts.

© Hollandse Hoogte / EyeEm Mobile GmbH

Omdat veel grote roofdieren bedreigde diersoorten zijn geworden, hebben we de neiging ze als slachtoffers te bestempelen, alleen gevaarlijk voor de mens als we ze lastigvallen. Toch is homo sapiens nog altijd een smakelijk hapje. Zo beschouwen Bengaalse tijgers de mens, en ze passen hun gedrag erop aan. In 1986 verzon een Indiër een list: tijgers vallen nooit frontaal aan, dus zet een gezichtsmasker op je achterhoofd. Dat hielp zes maanden. Toen hadden de tijgers het bedrog door en ze hervatten hun aanvallen.

Sprong in de evolutie

Charles Darwin schreef in zijn ‘The Descent of Man’ dat de mens de allesoverheersende soort is - maar die stamde wel af van een ’vrij zwak schepsel’. Die sprong maakte de mens niet van de ene dag op de andere. In de tussentijd was de mens nu eens jager, dan weer vlees.

Dat zijn twee elkaar overlappende tijdperken. Het eerste is van de mens die eeuwig op zijn hoede moest wezen om niet onder de voet te worden gelopen door woeste kuddes, of opgegeten door roofdieren. In het tweede tijdperk moesten de andere soorten voor ons uitkijken en zien dat ze wegkwamen.

Aan de overgang daartussen wilde Darwin niet denken, maar het was wel de grootste sprong in de evolutie: van bang prooidier naar roofdier zonder weerga.

Ons is nooit de heerschappij over de aarde gegeven, onze voorzaten hebben haar veroverd, in een lange nachtmerrie van gevechten tegen sterker, behendiger en beter bewapende soorten. De nooit aflatende angst om verscheurd en opgevreten te worden was nooit verder weg dan de schaduw achter het kampvuur. Dat is ons oertrauma.

Angstdromen

Sporen van de roofdierklauw staan diep in onze psyche gekerfd. De vroegste angstdromen van kinderen gaan vaak over verslindende dieren, in de spannendste games wordt volop jacht gemaakt en gevlucht, in sprookjes figureren mensenetende heksen of wolven.

Uit een onderzoek onder Amerikaanse stadskinderen in 1933 bleken er veel bang te zijn voor beesten en voor monsters die half dier, half mensen waren - en dat was nog voordat de televisie zulks de huiskamers in stuurde. Dertig jaar later kwam uit een enquête dat kinderen zich niet druk maakten om atoomdreiging, verkeersongevallen of besmettelijke ziektes. Acht op de tien waren vooral bang voor wilde dieren als slangen, tijgers en beren. Dezelfde uitkomst had een onderzoek naar dromen onder volwassenen. Het moet, zoals de bioloog Balaji Mundkur schreef, ‘een gevoeligheid zijn die primaten is ingeprent tijdens de psychologische evolutie’.

Ik vermoed dat de mens daardoor aan overkill doet. De oorspronkelijke Amerikanen roeiden 11000 jaar geleden de mammoeten uit, aartshertog Franz Ferdinand schoot voor zijn lol 300.000 dieren dood, in het jaar voordat hij in Sarajevo zelf een kogel kreeg en de Eerste Wereldoorlog begon. Zo bevestigt de mens dat hij uiteindelijk een roofdier is, geen portie vlees.

Wat zijn we? Bibberende prooien, elkaarvastklampend om hulp, of gewelddadige rovers die meer doden dan ze op kunnen? Laat ik de vraag een schijn van diepgang geven: wat betekent het om mens te zijn? Zijn we begiftigd met een besef van goed en kwaad in een mo-reel onverschillige wereld, zoals het humanisme oppert? Of zijn we de grootste plaag op aarde, de gesel voor al wat leeft?

Het beste antwoord is: we zijn een mozaïek van roofdier en prooi. Met branie onderstrepen we onze dominantie, maar diep van binnen sidderen we voor echte of vermeende dreigingen. We kruipen tegen elkaar aan voor de nacht, maar bouwen dat knusse clubje ook om tot een gevechtseenheid die dieren in de jacht en mensen in de oorlog doodt.

Allemaal prematuurtjes

Innerlijk verdeeld zijn we - maar ook dat maakt ons niet uniek. Alle dieren komen weerloos ter wereld, een mals hapje voor alles met klauwen en tanden, om daarna zelf een rover te worden. Die individuele ontplooiing weerspiegelt die van de soorten. En op onze oude dag vallen we terug in het stadium van prooi - in Afrikaanse dorpen werden bij wijze van akelige euthanasie oude, zieke en verzwakte dorpelingen buiten het dorp neergezet, zodat luipaarden en wolven ze ’s nachts konden opruimen.

Toch zijn we op één punt uniek in onze gang van prooi naar roofdier: we zijn als baby’s allemaal prematuurtjes. Het duurt geen weken of maanden, maar jaren eer we lichamelijk volwassen zijn. Zo’n verlengde kindertijd zie je nauwelijks bij andere dieren. Dat legt een grote verantwoordelijkheid op ons. Willen we nageslacht, dan moeten we bereid zijn om héél lang voor het kroost te zorgen, het voeden, kleden en wat al niet om het groot te brengen. Kinderen op hun beurt zullen zich altijd herinneren hoe hulpeloos ze waren. Ook als ze krijgsheld of superjager worden, weten ze dat ze bestaan ondanks griezelige dieren, of misschien wel ondanks wrede volwassenen.

Alle dieren komen weerloos ter wereld, een mals hapje voor alles met klauwen en tanden, om daarna zelf een rover te worden

Dat we een mozaïek zijn, maakt een nieuw antwoord mogelijk op de vraag wat het betekent om mens te zijn. We zijn namelijk zelf een vraag: zijn we goed of slecht, vriendelijk of roofzuchtig? Als we gewetensvol zijn (dat is waar ‘humanisme’ oorspronkelijk voor stond), vragen we ons dat aldoor af, bij elke handeling. Dus ook bij handelingen die dieren betreffen, met wie we de planeet delen.

Laat me afsluiten met een citaat van de filosofe Martha Nussbaum: “Vergeet nu eens het narcisme van almaar nadenken over wie we zelf zijn. Laten we op weg gaan naar een tijd waarin menszijn betekent: omzien naar de andere soorten die net als wij ook de wereld willen bewonen.”

Dit is een ingekorte en bewerkte versie van het essay ‘Beyond Humanism’ dat Barbara Ehrenreich heeft geschreven ter gelegenheid van de Erasmusprijs 2018. Zij ontvangt deze prijs komende dinsdag uit handen van koning Willem-Alexander. Het essay Beyond Humanism is hieronder in zijn geheel te lezen.

Natuurkundige en celbiologe Barbara Ehrenreich (geboren Alexander, 1941) stapte over van de natuurwetenschappen naar de journalistiek. In 1968 leerde ze tijdens de campagne tegen de Vietnamoorlog haar man John Ehrenreich kennen. Ze werd de eerste voorzitter van de Democratic Socialists of America. Ze publiceerde als undercoverjournalist over misstanden op de arbeidsmarkt (‘Nickel and Dimed’, 2001). Als ex-kankerpatiënte onderzocht ze de kracht van positief denken. Haar conclusie werd de titel van haar boek: ‘Smile or Die: How Positive Thinking Fooled America And The World’.

Lees ook: 

Barbara Ehrenreich: Laat die fixatie op uw gezondheid los, eens is het mooi geweest

Vergeet wat artsen en goeroes u vertellen: we hebben nauwelijks invloed op hoe we oud worden. Laat los, die fixatie op uw gezondheid, adviseert Barbara Ehrenreich.

Deel dit artikel

Waarom beperken we onze sympathie tot homo sapiens?

Alle dieren komen weerloos ter wereld, een mals hapje voor alles met klauwen en tanden, om daarna zelf een rover te worden