Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De armenzorg: een Joodse uitvinding

Religie en Filosofie

Pieter W. van der Horst

© COLOURBOX
Essay

In de welvaartsstaat spreekt zorg voor de armen vanzelf. Maar wie is er ooit op dat beschaafde idee gekomen?

Athene en Jeruzalem worden vaak de belangrijkste bronnen van de westerse beschaving genoemd, en terecht. Maar er zijn wezenlijke kenmerken van die beschaving die niets aan Athene, maar alles aan Jeruzalem te danken hebben.

Lees verder na de advertentie

In 362 na Chr. schreef de Romeinse keizer Julianus de Afvallige aan een van zijn heidense priesters dat er veel graan moest worden uitgedeeld aan de inwoners van Galatië, en dat een flink deel daarvan aan de armen en bedelaars gegeven moest worden. Want, zegt hij, “het is een schande dat geen Jood ooit hoeft te bedelen en dat de goddeloze Galileeërs [=christenen] niet alleen hun eigen armen maar ook die van ons ondersteunen, terwijl iedereen kan zien dat onze mensen hulp van onze kant ontberen.”

Generositeit werd geprezen als deugd, maar armen werden nooit als doelgroep genoemd

Inderdaad verwachtten de Grieken en Romeinen niet van hun rijken dat zij de armen zouden ondersteunen. Het werkwoord ‘weldoen’ had nooit ‘de armen’ als lijdend voorwerp, en kreeg dan ook nooit de betekenis ‘een aalmoes geven’. Aansporingen om aan armen aalmoezen te geven zoekt men tevergeefs in de Griekse en Romeinse literatuur. Zelfs Griekse moralisten sporen mensen niet aan om zich te bekommeren om het lot van de misdeelden. Zeker, generositeit werd geprezen als deugd, maar armen werden nooit als doelgroep genoemd, want deze deugd was gericht op de mensheid als geheel, maar dan op voorwaarde dat de ontvangers het verdienden.

Eer, prestige, roem en status

Wanneer in de Griekse literatuur sprake is van de vreugde van het geven aan anderen, heeft dat niet van doen met altruïsme, maar met het begeerde effect van het geven, namelijk eer, prestige, roem, status. Eerzucht is het drijvende motief achter de meeste Griekse liefdadigheid. Ook is weldoen in het bijzonder gericht op diegenen van wie men iets terug kon verwachten, want die erkenden en respecteerden het principe van wederkerigheid (‘voor wat hoort wat’), een van de steunpilaren van het Griekse sociale leven.

Dit principe is in al zijn eenvoud al geformuleerd door Hesiodus (zevende eeuw v. Chr.): “Geef alleen aan hem die geeft, geef niet aan hem die niets (terug) geeft”. De overheersende visie was dat iemand die een gift geeft op een of andere manier ‘schadeloos’ moest worden gesteld, bij voorkeur door een gift die groter was dan die hijzelf had gegeven.

Aan de Griekse godsdienst hadden de armen niet veel, want ze waren eenvoudigweg niet de gunstelingen van de goden. Veeleer waren het de rijken die werden gezien als gunstelingen van de godenwereld, waarbij hun rijkdom het zichtbare bewijs van die gunst was. ‘God heeft de armen lief’ zou in het antieke Griekenland een absurde uitspraak zijn geweest. De armen konden dan ook moeilijk tot de goden bidden om bijstand in hun armoede, want die armoede was juist een obstakel in hun contact met de goden.

Moreel inferieur

Op de achtergrond speelt hier de gangbare opvatting dat de armen moreel inferieur aan de rijken waren; om die reden werd hun armoede vaak als hun eigen schuld beschouwd. Geen wonder dat zich geen georganiseerde armenzorg ontwikkelde. In zulke omstandigheden kon het geven van aalmoezen aan de armen niet als deugd beschouwd worden. Geven aan de armen werd eerder gezien als verkwisting. De uitdelingen van graan aan de bevolking waren geen georganiseerde armenzorg, omdat deze distributies alle burgers in gelijke mate ten goede kwamen, dus niet speciaal de armen. De misdeelden kregen niet meer dan de rijken.

Dat van de ontvanger van de gift verwacht werd dat hij iets terug zou geven leidde ertoe dat een gift vaak door de ontvanger als een last werd gevoeld. Maar het principe van wederkerigheid was diep verankerd in de antieke maatschappij, en zowel Grieken als Romeinen gaven openlijk toe dat het streven naar eer en roem de beslissende drijfveer voor generositeit was. Zoals Cicero zegt: “De meeste mensen zijn genereus met hun giften niet zozeer door natuurlijke aanleg, maar door de aantrekkingskracht van eer.”

Centraal gegeven

Terwijl armenzorg in de Grieks-Romeinse Oudheid een non-item was, is het juist een centraal gegeven in de Bijbel en in de vroeg-joodse en oud-christelijke literatuur. Het is niet alleen in de Hebreeuwse Bijbel zo dat zorg voor de armen als een zeer belangrijke plicht wordt gezien, maar ook in het na-bijbelse Jodendom en christendom. Zeer significant is dat in de Bijbel God wordt beschouwd als beschermer van de armen - zij zijn Gods gunstelingen.

Anders dan een Griek, die in de rechtszaal op iemands armoede kon wijzen om hem in een kwaad daglicht te stellen, kon een Israëliet dat juist niet doen - dat zou zijn zaak bepaald geen goed doen.

Open uw hand voor de armen

Royaal

De Tora dringt er bij de Israëlieten op aan om royaal te zijn jegens de armen in hun midden. De profeten waarschuwen tegen onderdrukking van de armen en behoeftigen. De naaste helpen is volgens hen een manier om God te dienen. Kort gezegd, de bijbelse uitspraak ‘Open uw hand voor de armen’ vat de geest van Israëls Bijbel wat betreft liefdadigheid goed samen.

Het is frappant dat er in de Hebreeuwse Bijbel toch geen sprake is van georganiseerde liefdadigheid. Het wordt aan de individuele Israëliet overgelaten of hij zo’n gebod naleefde; en er was geen centrale organisatie om die naleving te controleren. Zo’n institutionalisering is een ontwikkeling die pas in het na-bijbelse Jodendom plaatsvindt.

Een woord dat in de Bijbel ‘rechtvaardigheid, gerechtigheid’ betekent (namelijk tsedaqah) kreeg in het nabijbelse spraakgebruik de betekenis ‘liefdadigheid’, wat erop duidt dat men liefdadigheid als een recht van de arme was gaan zien. Voor zover wij weten waren de rabbijnen de eersten die beseften dat liefdadigheid geen gunst is, en dat om die reden men liefdadigheid moest organiseren als een plicht van de gemeenschap.

Concrete aanwijzingen

Het is pas in de vroeg-rabbijnse periode (met name de tweede eeuw n. Chr.) dat we voor het eerst concrete aanwijzingen hebben voor geïnstitutionaliseerde liefdadigheid, georganiseerd door plaatselijke synagoges. Er waren twee van zulke geïnstitutionaliseerde vormen: de qoepah (kist, doos) en de tamchoei (schotel, maaltijd). De qoepah was de wekelijks rondgaande collectekist om de plaatselijke armen te ondersteunen met een wekelijkse toelage; de tamchoei was de gaarkeuken die dagelijks open was voor elke arme die een maaltijd nodig had, inclusief vreemdelingen.

De bestuurders van de synagoges stelden functionarissen aan die elke vrijdag geld inzamelden, en anderen voor de dagelijkse inzameling en distributie van voedsel. Deze functionarissen waren zelfs gemachtigd enige pressie uit te oefenen op de gemeenteleden om er zeker van te zijn dat er genoeg middelen zouden zijn om in alle behoeften te voorzien.

Niet-Joden en vreemdelingen

Niet-Joden en vreemdelingen deelden ook mee in dit systeem van liefdadigheid. Het is veelzeggend dat rabbijnen stelden dat daden van barmhartigheid zwaarder wegen dan navolging van alle andere geboden van de Tora. Ook is het belangrijk dat de rabbijnen zeggen dat de beste manier om aan de armen te geven is: het zo te doen dat niemand het ziet, laat staan hoeveel er wordt gegeven. Iemand die aalmoezen geeft in het verborgene is groter dan Mozes, zegt de Talmoed, in tegenstelling tot hen die aalmoezen geven om redenen van eerbejag. Een duidelijker tegenstem tegen de onverbloemde Griekse neiging tot zelfverheerlijking is nauwelijks denkbaar.

Of iedereen zich aan dit hoge ideaal kon houden is de vraag, ook gelet op wat Mattheüs Jezus laat zeggen in de Bergrede: “Wanneer je aalmoezen geeft, bazuin dat dan niet rond zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als je aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet zodat je aalmoes in het verborgene blijft. Dan zal jullie Vader, die in het verborgene ziet, je ervoor belonen.” Deze kritische noot moet toch wel op een bestaande praktijk betrekking hebben gehad. Ook de vele ere-inscripties voor gulle gevers in antieke synagogen bewijzen dat Joden soms niet immuun waren voor deze kant van liefdadigheid. Maar de uitspraak van Jezus ademt dezelfde geest als men ook in de rabbijnse literatuur aantreft.

Vroegste fase

In haar vroegste fase, toen de ‘kerk’ nog een binnen-joodse beweging was (de jaren 30 van de eerste eeuw), stelden de volgelingen van Jezus in Jeruzalem zeven mannen aan om de dagelijkse uitdeling van voedsel onder de weduwen in hun gemeenschap te regelen. En niet veel later kwamen de Jeruzalemse apostelen en Paulus overeen dat Paulus een grootscheepse geldinzameling voor de armen van de christelijke gemeente in Jeruzalem zou organiseren; en dat deed hij ook. Het heeft er dus enerzijds alle schijn van dat georganiseerde armenzorg van meet af aan een christelijk proprium was -eigen aan het christendom dus. Maar anderzijds is het moeilijk zich voor te stellen dat de Joden van de vroege Jezusbeweging spontaan, zonder enig precedent, een systeem van armenzorg ontwikkelden. Het is waarschijnlijker dat zij een Joods voorbeeld hebben gevolgd, een systeem dat er vermoedelijk al was in de jaren 30 en 40, en dat later door zowel rabbijnen als kerkleiders verder werd ontwikkeld.

Wanneer u mensen ontvangt nodig dan kreupelen, armen en blinden uit

Dat het Joodse ethos van niet-wederkerigheid werd gedeeld door Jezus en zijn volgelingen is duidelijk in diverse passages in het Nieuwe Testament, bijvoorbeeld als Jezus zegt: “Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft, vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten, of uw rijke buren in de verwachting dat zij u op hun beurt zullen uitnodigen om iets terug te doen. Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit. Dan zult u gelukkig zijn; zij kunnen voor u dan wel niets terugdoen, maar u zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.” Het is deze geest van bereidheid de eigen bezittingen te delen zonder iets terug te verwachten die het mogelijk maakte dat, zoals Lukas zegt van de vroege christelijke gemeente in Jeruzalem, niemand onder hen enig gebrek leed.

Sterke religieuze fundering

Het is van belang te zien dat in het vroege Jodendom en christendom, in tegenstelling tot de Grieks-Romeinse cultuur, armenzorg van meet af aan een sterke religieuze fundering en motivering had. Die godsdienstige motivatie van liefdadigheid, de sterke verbinding tussen vertrouwen op God en hulp voor de armen, is alomaanwezig in alle Joodse en christelijke geschriften uit de Oudheid.

Om een willekeurig voorbeeld te geven, in het boek Tobit zegt de hoofdpersoon direct aan het begin al dat zijn zorg voor de armen het meest duidelijke merkteken van zijn Jood-zijn is en dat aalmoezen een goed offer zijn voor de Allerhoogste.

Nergens is dat religieuze principe krachtiger geformuleerd dan in de uitspraak van Jezus in Mattheüs 25, waar hij als hemelse Zoon des Mensen tot hen die de hongerigen gevoed en de naakten gekleed hebben, zegt: “Dat hebben jullie voor mij gedaan.”

Vergelijkbaar gevoelen

Een vergelijkbaar gevoelen komt tot uiting in die rabbijnse uitspraak dat daden van barmhartigheid opwegen tegen al Gods geboden in de Tora.

Het mag een onbetwistbaar feit heten dat georganiseerde armenzorg, in de zin van een gemeenschappelijke verplichting jegens behoeftigen, die onbekend was in de klassieke Grieks-Romeinse wereld, werd bedacht door Joden en overgenomen door christenen. En men kan moeilijk ontkennen dat deze ontwikkelingen werden geïnspireerd door de vaste overtuiging dat de mensheid God moest navolgen in zijn speciale zorg voor de meest kwetsbaren onder de mensen, de armen. Hierin had Athene weinig gemeen met Jeruzalem. 

Classicus Pieter W. van der Horst (1946) was hoogleraar in het vroege christendom en jodendom.


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Deel dit artikel

Generositeit werd geprezen als deugd, maar armen werden nooit als doelgroep genoemd

Open uw hand voor de armen

Wanneer u mensen ontvangt nodig dan kreupelen, armen en blinden uit