Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Bij Anneke Kamphuis zijn haar zoon én zijn man welkom (en dat waardeert niet iedereen in Elspeet)

Religie en Filosofie

Marije van Beek

John Lapré bij zijn moeder in Elspeet. © Bram Petraeus
Interview

Toen de zoon van Anneke Kamphuis uit de kast kwam, volgde een worsteling, ook voor haar. Zijn bruiloft bezocht ze niet, maar hij blijft welkom, mét zijn man. Niet iedereen in Elspeet waardeert dat.

Op een rijtje aan de muur van de slaapkamer hangen, naar goed gereformeerd gebruik, de trouwfoto’s van haar kinderen. Schuin eronder op een tafeltje staat een pop in zwart-rode klederdracht. Anneke Kamphuis (70) zet intussen thee. “Kijk maar gerust hoor.”

Lees verder na de advertentie

Tot zover niets ongewoons, hier in Elspeet, aan de rand van de hei. Maar haar zoon John Lapré (32), die op bezoek is, wil iets laten zien. De foto van hem, in marine-uniform, arm in arm met zijn man Lionel – gewoon tussen de trouwfoto’s. “Mooi, he? Vorig jaar zei mijn moeder plots: ‘Jij hangt daar zo alleen. Maar daar hoort iemand bij’.”

© Bram Petraeus

Briefwisseling

De familie Kamphuis gaat naar de hersteld-hervormde kerk – een kerkgenootschap waarvan zo’n zeventig dominees de Nashville-verklaring ondertekenden. Lapré geniet enige bekendheid in bevindelijk-gereformeerd Nederland. Hij schreef het boek ‘De veilige kerk’, waarin hij kerken oproept de lhbti-gemeenschap niet af te wijzen. Afgelopen jaar voerde hij een briefwisseling met de hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad, in diezelfde krant.

Hij is op de bank gaan zitten, zij op een gemakkelijke stoel. “Ik kan het niet zo hebben”, zegt Kamphuis, terugblikkend op een week nieuws over de Nashville-verklaring. “Dat ze er iedere keer maar weer over mieteren: homo’s dit, homo’s dat. Wij hebben toch allemaal zonde? Het gaat tegenwoordig bijna over niets anders. Laat ze met rust. Die mensen zijn gewoon zo.” Lapré: “Ja, maar het laat ook zien dat er iets in beweging is in de reformatorische wereld. Men probeert homoseksuelen meer te begrijpen, en naar hun verhalen te luisteren.”

Met de initiatiefnemers van de Nashville-verklaring heeft Lapré zo zijn eigen geschiedenis. De een, Arjan Baan, directeur van de stichting HeartCry, speelde een hoofdrol bij zijn coming-out. De ander, Piet de Vries, theologiedocent aan de Vrije Universiteit, beklaagde zich er bij het Reformatorisch Dagblad over dat zij de man van Lapré ‘echtgenoot’ noemden, en dat ze zijn huidige achternaam gebruikten, in plaats van zijn familienaam. Dat zou niet stroken met de ‘bijbelse boodschap’.

Depressief

Acht jaar geleden heette John Lapré nog John Kamphuis, was hij een aanstormend prediker, en de rechterhand van Arjan Baan. Tot Lapré vertelde dat hij intiem geweest was met een jongen. Hun herinneringen over de gebeurtenissen lopen uiteen. Volgens Lapré lichtte Baan zijn kerk in, en moest hij dezelfde dag nog de koffers pakken en zijn huis in Sliedrecht uit, aangezien de leefgemeenschap waarin hij woonde verbonden was aan de kerk. Maar Baan stelt dat dit alles zich over een periode van maanden uitstrekte, en dat de kerk ‘in overleg met John werd ingelicht’. 

“Ja: ik had geen keus”, vertelt Lapré. “Zozeer zetten ze me onder druk. Ik werd vervolgens ook geacht pastorale begeleiding te accepteren, maar dat zag ik niet zitten, dus raakte ik mijn baan bij HeartCry kwijt. Toen moest ik wel met de billen bloot bij mijn ouders.” Kamphuis: “Ik weet nog dat hij zei: ‘Ma, ik moet wat vertellen’. Het enige wat ik tot dan toe wist, is dat je depressief was. Hij stond ­weleens op een ladder of zo, en hoopte dat die omviel. Of hij zat op tafel, alleen maar voor zich uit te kijken.”

© Bram Petraeus

Lapré: “Ik durfde nooit te zeggen waarom. De waarheid was dat ik er op mijn veertiende achter kwam dat ik op jongens viel.” Kamphuis: “Wij hebben meteen gezegd: Wij houden van je, en je mag hier altijd blijven komen.”

Lapré: “In gebeden in de kerk werden homo’s in hetzelfde rijtje genoemd als de zieken en verstandelijk gehandicapten. Ik was dus iets daartussenin. En de gedachte dat ik nooit intimiteit zou kunnen beleven maakte me in-en-in-verdrietig. Ik had zo’n diep verlangen naar verbinding. Dan kon het leven maar beter over zijn, vond ik.” Kamphuis: “Kinderen die uit de kast komen kregen in onze kringen vaak te horen: wegwezen. Kssjt, niet meer thuis komen. Ze werden verworpen, want ja, het is een grote zonde. Daardoor heeft hij er tien jaar mee geworsteld. Dat vind ik heel jammer.”

Tollenaren

De handen van Anneke Kamphuis liggen gevouwen in haar schoot. Dat ze nog van ‘wij’ spreekt, komt, legt ze uit, omdat ze haar man een maand geleden heeft verloren. Ze heeft het er soms nog te kwaad mee. “Vlees kan vlees niet missen”, zegt ze. Zoon John kijkt haar even onderzoekend aan, en zegt dan iets opbeurends. “Wat ons heel erg goed deed, op de begrafenis, was dat mijn man en ik beiden de kist mochten dragen. En dat in de Hersteld Hervormde Kerk van Elspeet.”

Lange tijd was de man van Lapré hier in Elspeet niet welkom. “Nee”, zegt Kamphuis: “Daar waren we nog niet aan toe. Tot ik een preek hoorde, gewoon van de dominee hier, dat de Heere gekomen is voor hoeren en voor tollenaars. Dat sloeg bij mij in als een bom. Toen heb ik de jongens meteen opgebeld.”

Lapré: “Ik weet nog dat op een zondagavond de telefoon ging, en er ‘Ma’ op het scherm stond. Nou, mijn moeder belt nooit op zondag, de dag des Heeren, dus er moest wel iets zijn. Een overlijden? Een ziekenhuisopname? Toen kwam dit eruit. Ja, wij waren echt heel blij. Mijn man had altijd gezegd: geef het de tijd. Hij kreeg gelijk.”

Veel verdriet

Kamphuis: “We hebben een binding gekregen met elkaar. Ik krijg ook liefde van zijn man – hij is zo zorgzaam, dan legt hij een kleedje om m’n benen op het strand. Elk voorjaar gaan we met elkaar naar een Waddeneiland. Binnenkort gaan we naar Ameland, hè? We slapen dan gewoon met z’n drieën op een kamer. Daar maken we geen punt van.” Lapré: “Zo mooi hoe dat is gegroeid”.

Kamphuis: “Toen we hadden afgesproken dat ze samen thuis zouden komen, zei ik wel: niet slapen. Maar de laatste paar jaar doen ze dat toch weleens. John ligt dan hier, op deze bank, en hij op het logeerbed. Niks geen trammelant. Ze kussen niet, en gaan niet aan elkaar zitten of wat ook.” Lapré, lachend: “Maar dat doen we nooit in het openbaar hoor ma, nergens”. Kamphuis: “Ik zeg dat trouwens ook tegen mijn andere kinderen: jongens, geen geflikflooi. Anders ga je maar naar buiten.”

© Bram Petraeus

Ma Kamphuis wil het wel gezegd hebben: het is niet zo dat ze de relatie an sich goedkeurt. Op de bruiloft was ze er dan ook niet bij. “Nee, daar konden we ons niet mee verzoenen. Als jullie dat nu weer zouden doen, zou ik ook niet gaan. Maar ik geloof vast dat je er verdriet van gehad hebt dat wij niet kwamen.” Lapré: “Heel veel verdriet”. Kamphuis: “Ja, dat kan. Wij hebben dat dus niet ervaren, omdat wij verdriet hadden dat je ging trouwen. De jongens weten dat wij het niet als bijbels zien. Maar dan is het ook gebeurd, hè? Je kan dat niet elke keer dat ze langskomen gaan oprakelen.”

Allerslechtsten

Lapré: “Zelf heb ik ontdekt dat het puur om de heidense context gaat waarin homoseksualiteit in de Bijbel opduikt die verkeerd is. Een duurzame relatie tussen mensen van hetzelfde geslacht wijst ze niet af. U ziet het anders. En ik weet dat u zich er schuldig over voelt als u ons niet de waarheid vertelt. Maar mij doet het nog altijd pijn om dit te horen. Ook de uitspraak van net, over Jezus, die omging met hoeren en tollenaren, en dat u vindt dat u daarom ook ons niet de deur kunt wijzen. Hoe mooi de uitwerking daarvan ook is geweest, dat hakt er wel in.”

Kamphuis: “Ik bedoel gewoon: Jezus ging om met de allerslechtsten van de maatschappij, hè?” Lapré: “Ja, dat snap ik, maar tegelijk denk ik niet dat u wilt zeggen dat homo’s dat zijn. Of dat homo’s gelijk zijn aan hoeren en tollenaren.” Kamphuis: “Ik heb daar niet die gedachte bij, nee. Dus moet je eigenlijk vragen: Wat bedoel je precies? Welke uitleg geef je aan die tekst?”

Lapré: “Ja, en ik ken u een beetje, dus ik weet dat u wilt zeggen dat Jezus voor ieder mens is gekomen, of je nou een koning bent of een zwerver. Op die manier kan ik er wel een stukje onvoorwaardelijke liefde in zien. Maar die opmerking over hoeren en tollenaren wordt ook vaak gebruikt om homo’s af te wijzen. Voor mij zit de pijn erin, dat ik me niet ­voluit aanvaard voel, als iemand mij zondig vindt omdat ik samenleef met een man.”

Uit de kast

Behalve Lapré maakte ook Kamphuis afwijzing mee, omdat ze Johns man thuis uitnodigt. Vorig jaar waren zij en haar man veertig jaar getrouwd, vertelt ze. “Een tante kwam niet naar ons jubileumfeest, omdat ze hem geen hand wilde geven. Nee, dat zeggen ze nooit direct tegen me, ik hoor dat dan via via. Hoeveel mensen het ons niet kwalijk hebben genomen dat de jongens bij ons komen. Wij werden ook vertrapt. Ja, wij waren ook schuldig hè?”

Lapré: “Weet u nog, die dame in de supermarkt? Die draaide haar hoofd om en groette u niet meer – terwijl u zoveel goeds heeft gedaan voor haar handwerkclub.” Kamphuis: “Oh ja, ik maakte daar lappendekentjes voor de arme kindertjes in Malawi. Nou, daar waren ze er heel vinnig op. Soms proberen mensen het me te laten voelen. Dan zeggen ze bijvoorbeeld dat ik Psalm 26 zou moeten lezen. Daar staat dat je ‘niet met goddelozen moet zitten’.” Lapré: “Heel pijnlijk”. Kamphuis: “Ik praat er ook niet over hoor, want ik weet wat ik dan over me heen krijg”. Lapré: “Daarom vind ik het heel wat dat u nu wel met mij samen in de krant wil. Dat is ook een soort uit de kast komen.”

Strijd

Kamphuis: “Ik laat me hierin niet beïnvloeden door dominees, maar ga mijn eigen weg. Vanmorgen zat ik op de bank, en vroeg me af: ‘Is het wel goed Heere, wat ik doe? Zal ik maar afbellen?’ Toen begon de zon ineens te schijnen. Ik dacht: och, zal dat nu een antwoord zijn? Ik dacht: ik ontvang ze toch. Mij gaat het erom dat ouders de deur voor hun kinderen laten openstaan, en ook voor hun partner. Dat is wat God wil. Zou God gezegd hebben: jongens, weg ermee? Nee toch zeker. Dan zou hij dat ook tegen ons en tegen mij moeten zeggen: weg met jullie. Maar dat doet hij niet. God is altijd goed voor ons geweest, in voorspoed en in tegenspoed.”

Lapré: “U levert ook strijd. En ik heb gezien dat dat met veel tranen en pijn gepaard gaat. Dat maakt mij ook milder als ik pijn voel door sommige uitspraken. Het verbindt ons.”

Kamphuis: “Maar ik wil liever niet vol in m’n gezicht op de foto voor de krant. Misschien dat ze dan toch zeggen: ‘Kijk ze daar eens samen zitten – en moet je dat verhaal erbij lezen – tsjongejonge, hoe durft zij dat?’”

Lees ook:

In het refo-café is het ook kijken en bekeken worden

Trouw brengt plekken in beeld die veel betekenen in de geloofsovertuiging of levensbeschouwing van mensen. Zoals het refo-café in Dordrecht.

Nadav Schwartz is orthodox-joods en homo: ‘God denkt dat het voor mij het beste is om homo te zijn’

De orthodox-joodse homo-activist Nadav Schwartz (36) probeert zijn eigen weg te vinden in het leven. Vandaag is hij wel bij de Gay Parade in Amsterdam, maar hij vaart niet mee op een boot. Heel zuur, vindt hij. ‘Dat kan niet omdat het sabbat is.

Islamitische ambassadeur Gay Pride: Val je homo’s lastig, piep dan niet over discriminatie om je hoofddoek

Souad Boumedien is moslim en ambassadeur van de Gay Pride. ‘Men ziet steeds meer in dat de vrijheid om homo, bi of transgender te zijn, dezelfde vrijheid is om gelovig te zijn’.

Deel dit artikel