Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

‘Staat en taboe’: wel droogkomische observaties, geen ethiek en moraal

Religie en Filosofie

Maurice van Turnhout

Paul Frissen © Jeanette Vos001
Recensie

Staat en taboe: Politiek van de goede dood
Paul Frissen
Boom Uitgevers
280 blz., € 29,90
★★★★☆

De schrijver

Lees verder na de advertentie

Paul Frissen (1955) doceert bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg. Eerder publiceerde hij ‘Staat van verschil’ (2007) en ‘De fatale staat’ (2013), over de spanning tussen de soevereine staat en de soevereine burger.

De vraagstelling

In zijn nieuwste ‘Staat’-boek legt Frissen het Nederlandse euthanasiedebat onder de loep. In 2002 kwam er nieuwe wetgeving voor euthanasie en hulp bij zelfdoding. Beide bleven illegaal, maar als strenge zorgvuldigheidseisen in acht zijn genomen, worden artsen er niet voor vervolgd. Een unicum in de wereld.

Sindsdien lobbyen initiatiefgroepen als ‘Uit Vrije Wil’ voor verruiming van de bestaande wet. Namens mensen die vinden dat hun leven ‘voltooid’ is, of die ­dementie of een slopende ziekte niet willen afwachten, eisen zij het recht op staatshulp om dat leven te beëindigen. Zelfbeschikking geldt als iets heiligs in onze moderne, ­seculiere maatschappij, stelt ­Frissen, dus willen burgers vaker over hun eigen levenseinde ­kunnen beslissen.

De hamvraag luidt: wie mag wie wanneer doden?

Daarin schuilt een paradox, merkt hij op. Je kunt euthanasie moeilijk als een volstrekt apolitieke gewetenskwestie beschouwen en die vervolgens aan de staat delegeren. Uit het recht op zelfbeschikking vloeit niet automatisch het recht op staatshulp voort.

© X

Onder andere door deze paradox blijft de goede dood een onverminderd politieke kwestie, vindt ­Frissen. De hamvraag luidt: wie mag wie wanneer doden? Normaal gesproken mag alleen de staat in het uiterste geval geweld gebruiken, burgers mogen dat niet. Wanneer een arts euthanasie verricht, is hij dan een grensfiguur die deelt in het geweldsmonopolie van de staat? En leidt die rol van de arts als ‘barmhartige verlosser’ dan niet tot uitholling van de staatsmacht?

De conclusie

Frissen pleit ervoor de wet niet te verruimen, maar juist aan te scherpen. De controles zijn nu te marginaal en vinden te ver buiten de politieke gemeenschap plaats. Volgens Frissen kunnen staat en burger allebei gevaarlijk worden in hun streven naar een maakbare dood.

Opvallende passage

‘De beheersing van leven en sterven is dus zowel onderwerp van utilitaire zelfbeschikking als van biopolitiek van de kant van de staat. Het faustisch verlangen neemt aan beide zijden toe en kan de gestalte krijgen van een faustisch verbond tussen burgers en staat. Hoe duivels kan een verbond zijn?’

Reden om dit boek niet te lezen

Als u een boek verwacht waarin ethiek en moraal van de goede dood centraal staan, is dit niet per se iets voor u, waarschuwt Frissen al in zijn inleiding. De auteur is vooral geïnteresseerd in de politiek-filosofische gevolgen van de staat die zijn geweldsmonopolie deelt met de burger.

Reden om dit boek wel te lezen

Juist die afbakening maakt ‘Staat en taboe’ zo sterk. In een heldere proloog legt Frissen zijn vragen op tafel en analyseert hij de argumenten van voor- en tegenstanders van de goede dood. Zijn daaropvolgende analyse gaat soms gepaard met droogkomische observaties. Zo vindt Frissen het in een voetnoot ‘bepaald ironisch’ dat neurobioloog Dick Swaab na jaren van hersenonderzoek concludeert dat de vrije wil een illusie is en zich toch heeft aangesloten bij initiatiefgroep ‘Uit Vrije Wil’.

Terugkerend thema is dat Nederland als liberaal-democratisch ‘gidsland’ prat gaat op het doorbreken van taboes; het enige taboe in Nederland lijkt het taboe zelf te zijn. En dat brengt problemen met zich mee, denkt Frissen, want elke cultuur heeft taboes nodig om sociale verhoudingen te reguleren.

Onder de mantel van een onvermijdelijk beschavingsproject, moet nu in Nederland ook de gewenste dood uit de taboesfeer worden ­gehaald. Maar waar het ene taboe verdwijnt, steekt het andere vaak de kop op, denkt Frissen. In dit ­geval wordt de periode van lijden die aan de dood voorafgaat, tot ­taboe verklaard. Misschien niet ­geheel toevallig valt dit nieuwe ­taboe samen met de politieke wens om een bovengrens te stellen aan de zorgkosten: ‘Hier zien we het omgekeerde taboe in zijn volle en waarschijnlijk ongewild cynische werking’.

‘Waarschijnlijk ongewild’: in een boek over het euthanasiedebat is dat een behoorlijk wrange ­formulering. 

In ons dossier boekrecensies vindt u een overzicht van de besprekingen van pas verschenen fictie, non-fictie, jeugdliteratuur en thrillers.

Deel dit artikel

De hamvraag luidt: wie mag wie wanneer doden?