Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Ik probeer niet te liegen, maar ik moet soms wel iets verzwijgen'

religie en filosofie

Arjan Visser

Huisarts Nico van Hasselt: 'Als ik het pad van mijn vader had bewandeld, was ik nu een vermogend man geweest, maar ik vraag me af of ik dan nog zoveel blijdschap en dankbaarheid in mijn leven zou hebben gekend.' © Mark Kohn
Tien geboden

Nico van Hasselt (Deventer, 1924) is huisarts. Hij kwam op 65-jarige leeftijd in het nieuws toen hij weigerde te stoppen met werken. Dat gaat hij bijna dertig jaar later alsnog doen. Misschien. 'Het lijkt onmogelijk om een goede opvolger te vinden.'

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

Lees verder na de advertentie

"In de dodencel heb ik leren bidden. Ik bad om kracht en ik beloofde dat ik, mocht ik die oorlog op een of andere manier overleven, huisarts zou worden en dat ik de rest van mijn bestaan zou meehelpen aan de totstandkoming van een betere wereld."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

"Het is die belofte, gedaan in het najaar van 1943, die mij nu, op mijn 93ste, nog altijd gaande houdt. Een man een man, een woord een woord. Sinds 1960 voer ik hier, in Amsterdam Buitenveldert, samen met mijn vrouw praktijk aan huis. Om zeven uur begint het spreekuur, expres zo vroeg zodat niemand van school of werk hoeft te verzuimen, dan ga ik visite rijden en daarna wéér spreekuur, nog steeds een zogenaamd inloopspreekuur - iedereen kan zonder meer bij mij terecht. Ik heb geen antwoordapparaat. We zijn 24 uur per dag, zeven dagen per week bereikbaar. Dus, ja: je zou kunnen zeggen dat mijn werk in zekere zin mijn afgod is geworden."

In de dodencel heb ik leren bidden en ik beloofde dat, mocht ik de oorlog overleven, ik huisarts zou worden

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

"Thuis, binnenskamers, kan ik aan het eind van de dag wel eens uitroepen: 'Sodeju, wat ik vandáág weer heb meegemaakt!', maar in het openbaar zal ik er alles aan doen om me te beheersen. Ik hecht aan beleefdheid, aan etiquette's. Een witte doktersjas is niet meer van deze tijd, dat begrijp ik wel, maar ik vind dat je als arts ook niet in een truitje achter je bureau moet gaan zitten. Als je dat doet, toon je geen eerbied voor de mensen die op het spreekuur komen. Ik ben ook niet zo'n voorstander van het tutoyeren - ja, tegen de patiënt die ik zelf op de wereld heb gezet, zeg ik Karel - maar ik kijk er inmiddels niet meer van op als er tijdens vergaderingen een bordje met 'Nico' voor mijn neus wordt neergezet. Goed, als jullie dat prettig vinden, denk ik dan, maar voor mij hoeft het eigenlijk niet."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

"In 1989 kreeg ik een briefje van het Amsterdamse ziekenfonds ZAO: of ik maar wilde ophoepelen. Zelf vond ik het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd absoluut geen reden om ermee op te houden. Waarom zou je alleen naar een kalender kijken en niet naar de biologische leeftijd; of iemand lichamelijk en geestelijk nog in staat is om zijn werk te verrichten? Ik ben er tegen in opstand gekomen. Dat was een zware strijd, kan ik u zeggen. Ziekenfondspatiënten werden me afgenomen, ik mocht geen recepten meer uitschrijven, in het ziekenhuis deden ze alsof ik niet meer bestond. Uiteindelijk werd ik in 2005 door de Commissie Gelijke Behandeling in het gelijk gesteld. Sinds dat jaar moet ik om de zoveel tijd een soort apk-keuring ondergaan. Ik mag het hele volgende jaar nog werken, daarna zien we weer verder. Volgens mijn vrouw is er, als ik er echt mee stop, nog genoeg te doen in huis. De hele benedenverdieping moet worden opgeruimd. Ik hoef dus niet stil te zitten, maar toch... Met mij komt het wel goed, maar bij wie kunnen mijn patiënten straks terecht? Het lijkt onmogelijk om een goede opvolger te vinden. De een vindt dat ik met deze praktijk te weinig verdien, de ander wil liever drie dagen per week open zijn, terwijl ik zeg: Ja jongens, dit is toch niet zomaar een baantje? Het is een manier van leven."

V Eer uw vader en uw moeder

"Mijn vader was bankier. In Deventer -in mijn jeugd nog een klein provincieplaatsje - ben je dan al gauw iemand. Status, rangen en standen: heel belangrijk voor de patriciërsfamilie Van Hasselt. We staan ook in het Blauwe Boekje (een reeks boekjes, met blauw linnen kaft, waarin genealogieën van vooraanstaande families worden vastgelegd, AV.) Ze staan daar, als curiosum, op de bovenste plank. De familie van mijn vrouw komt er niet in voor, maar haar vader was geneesheer-directeur van het Diaconessenhuis, dus gelukkig kon ze er net mee door.

Ik ben voor mijn ouders één grote teleurstelling geweest. Ik was een vervelend jongetje. Dat moet wel want ik kreeg regelmatig straf. Ik had een eigen mening. Ik was eigenwijs. Niet erg prestatiegericht, terwijl 'een Van Hasselt' toch minstens de beste van de klas moest zijn. Op mijn achttiende hadden ze er genoeg van en werd ik het huis uitgezet. Die beslissing kwam als een donderslag bij heldere hemel. Koffers pakken en wegwezen. Ze stuurden me naar de familie Van Vierssen Trip in Apeldoorn. Hij was chirurg, zij was de boezemvriendin van juffrouw Van Nooten die toevallig ook mijn lerares op het gymnasium was. Alles wat ik op school uitspookte, werd onmiddellijk doorverteld.

Mijn moeder bestond het te zeggen dat ik beter in een con­cen­tra­tie­kamp had kunnen sterven, dat was ‘eervoller’ geweest

Toen de oorlog uitbrak werd een groep Duitsers in het grote huis van mijn ouders ingekwartierd. Ik had niet de indruk dat mijn vader veel bezwaar maakte. De broer van mijn moeder - die voor de oorlog militair attaché in Berlijn was geweest - werd door het Duitse leger benoemd op het ministerie in Den Haag voor de afwikkeling van krijgszaken. Al met al geen familie om verzetszaken mee te bespreken dus... Toch bestond mijn moeder het om jaren later tegen mijn vrouw te zeggen dat ik beter in een concentratiekamp had kunnen sterven omdat dat 'eervoller' zou zijn geweest. Een Van Hasselt zit natuurlijk ook niet zomaar in de gevangenis. Het werd allemaal nog veel erger toen ik hen vertelde dat ik huisarts wilde worden. Een Van Hasselt wordt bediend - we hadden inwonend personeel - en het was absoluut ondenkbaar dat je een dienend beroep zou uitoefenen. Mijn vader weigerde voor de studie te betalen. Het was voor mijn ouders nog een geluk dat mijn broer Gijs, de favoriet van mijn moeder, wél in mijn vaders voetsporen wilde treden. Hij zou de bank later overnemen, verkopen en rijk worden.

In die eerste jaren na de oorlog heb ik mijn vader en moeder nauwelijks gezien. Mijn schoonouders hebben er uiteindelijk voor gezorgd dat er weer enige toenadering kwam. Tegen de tijd dat mijn vader overleed - hij stierf al op z'n 63ste - was er wel iets bijgelegd, maar het is nooit helemaal goedgekomen. Bij de dood van mijn moeder in 1987 heb ik, geloof ik, geen traan gelaten. Of ik geen enkele goede herinnering aan mijn ouders heb? Ze zijn al een tijdje dood, dus ik moet even graven, maar... nee, het spijt me, ik kan weinig vinden wat op liefde lijkt."

VI Gij zult niet doodslaan

"Ik heb een mevrouw gekend die bang was pijn te zullen gaan lijden. Ze wilde euthanasie. Het liefst op donderdag, want op woensdag zou ze nog oesters eten met haar vrienden. Of het mij schikte om elf uur 's ochtends. Nee dus. Daar doe ik niet aan mee. Dat ís ook helemaal geen euthanasie, het is moord. En ik ben geen moordenaar. Ik wil juist levens redden of, bij stervenden, als het echt niet langer gaat, aan palliatieve sedatie doen. Ik volg de discussie over het voltooide leven met verbijstering. Wie bepaalt wanneer een leven voltooid is? Vaak lijden mensen met een doodsverlangen aan een tijdelijke depressie. Dáár moet je hulp bij bieden, niet bij het stopzetten van een hart waar niets aan mankeert."

VII Gij zult niet echtbreken

"Het zit 'm in de voorbereiding. We leerden elkaar in 1947 kennen, maar we zijn pas in 1952 getrouwd. We namen de tijd om te verkeren, om een beetje tegen elkaar aan te leunen. Daarna werden de verlovingskaartjes pas rondgestuurd en gaven we officieel te kennen dat we er klaar voor waren. Tegenwoordig gaat dat allemaal anders. We hebben drie kleindochters die alle drie samenwonend zijn. Dat vinden we jammer, eigenlijk. Je hoort te trouwen. Over wat hoort gesproken: we ontvingen vorige maand, vanwege ons 65-jarig huwelijk, een felicitatie van het Koninklijk Huis. Ondertekend door 'De majesteiten'. Gender-neutraal. Koning en koningin zijn nu kennelijk ook al uit den boze. Da's toch niet te gelóven?"

VIII Gij zult niet stelen

"Het was in de zomer van 1943. Terwijl een Duitse soldaat een duik nam in het zwembad, glipte ik zijn kleedhok binnen en stal z'n koppel, met revolver. Ik was in die jaren al betrokken bij het verzet - ik werkte voor meneer Overeem in Deventer bij wie de Oost-Nederlandse editie van Trouw werd gedrukt - en wist dat de illegaliteit zo'n wapen goed kon gebruiken. Niet lang na de diefstal stonden ze al voor de deur; de jongen die bij de deurtjes van het kleedhok de wacht had gehouden had me verraden. Ik werd naar het politiebureau in Apeldoorn gebracht, toen door naar de Sicherheitsdienst in Arnhem voor een verhoor waar ik liever niet meer aan terugdenk en daarna naar kamp Vught waar ik wist te ontsnappen door me, samen met een vriend, in de laadruimte van een vrachtwagen te verstoppen. Een paar weken later probeerden we met een boot naar Engeland te varen, maar we kregen motorpech en werden door de Duitse marine opgepikt. Ik werd vastgezet op de Weteringsschans in Amsterdam en daarna naar het Wolvenplein in Utrecht gebracht. Daar heb ik zes weken geboeid op een houten plank moeten liggen. Die periode zit nog altijd in mijn hoofd. Geboeid, in een cel... ik heb er inmiddels geen last meer van, maar mijn vrouw zegt dat ik jarenlang met mijn ogen open heb geslapen en als ik ergens kom, ga ik altijd op een hoek, vlakbij de uitgang, zitten zodat ik makkelijk kan ontsnappen. Vandaar ook het open dak in mijn auto. En de vrijstelling voor het dragen van een veiligheidsgordel.

Ik geloof in de schepper die mij straks een cijfer zal geven voor het proefwerk dat ik heb ingeleverd.

Na het Wolvenplein zat ik tot september 1944 in de dodencel in de Gansstraat, daarna werden de politieke gevangenen overgebracht naar kamp Amersfoort. Bij binnenkomst wist mevrouw Van Overeem, van het Rode Kruis, mij in de ziekenbarak te krijgen waar ik als Sanitäter vast kon oefenen voor het beroep dat ik later zou uitoefenen. Half april '45 werd ik naar het Oranjehotel in Scheveningen gebracht waar ik in mei '45 door de Binnenlandse Strijdkrachten werd bevrijd. Wat een verhaal hè? En het lijkt allemaal niet eens zo lang geleden te zijn gebeurd. Het begon met een revolver... nee, het begon natuurlijk eerder, toen de Joodse rector van het gymnasium werd ontslagen. Vanaf dat moment was alles - diefstal, doodslag - geoorloofd om de vijand te stoppen."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

"Ik probeer niet te liegen, maar ik moet soms wel iets verzwijgen. Sommige mensen kunnen de waarheid namelijk niet aan. Tegen zo iemand zeg ik, als ik een bepaalde afwijking heb geconstateerd, dat we het nog even aankijken of een vervolgonderzoekje zullen doen. Ik heb ook een patiënt gehad die zelfs de geleidelijk opgediende waarheid niet kon aanvaarden. Ze bleef tot in het hospice beweren dat ze slechts een ontsteking had, in plaats van kanker, en dat een zalfje haar zou genezen. Ik heb zelf ook kanker gehad. In mijn gezicht. Daar ben ik nooit voor weggedoken, maar goed: het is niet het soort kanker waar je aan doodgaat. De dood komt wel dichterbij, natuurlijk. Waar ik vroeger vooral met bevallingen te maken had, zie ik nu steeds vaker oude patiënten overlijden. Ik weet steeds wat de oorzaken zijn. Bij mezelf kan ik, wat dat betreft, nog niets ontdekken.

Zoals het er nu naar uitziet, zal ik van ouderdom sterven. Van de trap vallen. Of een auto-ongelukje krijgen. Kan ook nog. Ik ben helemaal niet met de dood of het hiernamaals bezig. Wat zou ik me daarbij moeten voorstellen? Mensen kunnen alleen in grenzen denken - een doos, een kast, een huis, iets tastbaars - maar wat is er voorbij de zon, de maan, de sterren, miljarden lichtjaren hier vandaan? Ik geloof in een Schepper of, zoals we het in de Vrijmetselarij - waar ik me na de oorlog bij heb aangesloten - noemen, in de Opperbouwmeester des Heelals die mij straks een cijfer zal geven voor het proefwerk dat ik heb ingeleverd."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

"Van mijn schoonvader heb ik geleerd niet jaloers te zijn, maar ik moet eerlijk zeggen: er is een moment geweest waarop ik die gevoelens moeilijk kon beteugelen. Het was in 1956, toen ik de praktijk van dokter Wagenaar tegenover het oude Ajaxstadion voor 108.000 gulden kon overnemen, maar mijn steenrijke familie geen helpende hand wilde bieden...

Mijn vrouw en ik hebben toen alle eindjes aan elkaar geknoopt, de gekste baantjes aangenomen tot we uiteindelijk kredietwaardig genoeg werden geacht en dit huis in Buitenveldert konden kopen. Als ik het pad van mijn vader had bewandeld, was ik nu een vermogend man geweest, maar ik vraag me af of ik dan net zoveel blijdschap en dankbaarheid in mijn leven zou hebben gekend."

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.


Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.

Deel dit artikel

Advertentie
In de dodencel heb ik leren bidden en ik beloofde dat, mocht ik de oorlog overleven, ik huisarts zou worden

Mijn moeder bestond het te zeggen dat ik beter in een con­cen­tra­tie­kamp had kunnen sterven, dat was ‘eervoller’ geweest

Ik geloof in de schepper die mij straks een cijfer zal geven voor het proefwerk dat ik heb ingeleverd.