Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Argumenten-boy' Peter Plasman: Ik neem nooit zomaar ergens genoegen mee

Religie en Filosofie

Arjan Visser

© Mark Kohn
Tien geboden

Peter Plasman (Roermond, 1952) is strafrechtadvocaat. Hij trad op voor meerdere bekende verdachten, onder wie de moordenaar van Theo van Gogh, Mohammed B. Ook vertegenwoordigt hij Gijs van Dam in de smaad-zaak tegen Jelle Brandt Corstius, die zijn cliënt ervan heeft beschuldigd dat hij hem zou hebben gedrogeerd en seksueel misbruikt.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

Lees verder na de advertentie

“Als er al zoiets als een hiernamaals zou bestaan, dan weet ik zeker dat mijn manier van leven me direct in de hemel zou plaatsen. Of ik zo’n goed mens ben weet ik niet, maar ik ben in ieder geval niet slecht genoeg om in de hel te belanden. De hel: waar zondaars voor eeuwig zullen branden. O ja, en ook baby’s die niet gedoopt zijn. Wie verzint zoiets?”

Eer uw vader en uw moeder niet, tenzij ze het verdiend hebben

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

“Mijn vrouw gelooft dat er ‘iets’ is. Ik niet. Toch heb ik geen innerlijke drang om haar van mijn gelijk te overtuigen. Je mag geloven én zeggen wat je wil, dus óók kwetsende dingen als je daar behoefte aan hebt. Persoonlijk keur ik zo’n opmerking van Geert Wilders – ‘Willen jullie meer of minder Marokkanen?’ – af, maar ik geloof tegelijkertijd dat het niet erg verstandig was om hem daar strafrechtelijk op aan te spreken. 

Vooral ook omdat een ándere uitspraak – veel kwalijker ­– in het tumult is ondergesneeuwd. Wilders heeft namelijk ook gezegd dat hij het over álle Marokkanen had. Hij heeft daar later van gemaakt dat hij doelde op de ‘criminele Marokkanen’, maar dat neemt niet weg dat hij zoiets wel degelijk in een eerder interview heeft gezegd: alle Marokkanen het land uit. Die opmerking had hem in grotere problemen kunnen brengen. Nu bleef het bij een voetnoot in het requisitoir van de officier van justitie.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

“Waarom zou er maar één dag mogen zijn waarop je niks hoeft te doen? Gelukkig ben ik in de gelukkige omstandigheid dat ik alle dagen naar believen kan invullen. Ik hoef niet per se te werken en ondertussen doe ik toch vrij veel. Het is niet zo dat ik me ergens aan onttrek. En ik werk ook niet naar een pensioen toe of zo; ik ben van plan om hier ad infinitum mee door te gaan.”

IV Eer uw vader en uw moeder

“Zullen we daar het woordje ‘niet’ achter zetten? Eer uw vader en uw moeder niet, tenzij ze het verdiend hebben. Mijn ouders? Tsja. Ze zijn nooit slecht voor ons geweest – ik ben niet geslagen, ja, af en toe een tik met een pantoffel – en er is goed voor ons gezorgd, maar op emotioneel vlak zijn ze allebei, toen ik een jaar of tien was, uit mijn leven verdwenen. We waren naar Suriname verhuisd. Mijn vader was militair en werd daar gestationeerd. Achteraf hoorde ik van mijn moeder dat het een poging was om hun huwelijk te redden. Ik had daar als jongetje geen weet van. 

Voor mij was het alleen maar feest: altijd lekker weer, kennissen met een mooi zwembad in de tuin, het kon niet op. Tot mijn vader vreemdging en ik van mijn moeder de opdracht kreeg om met een verrekijker de straat op te gaan om te zien of zijn auto aan het eind links- of rechtsaf zou slaan. Links was de Prins Bernhard kazerne, rechts het huis van een collega met wiens echtgenote mijn vader een affaire had. ‘En?’ ‘Eh... naar rechts.’ ‘Kom mee!’ En dan reden we op de fiets, ik bij haar achterop, naar het huis van die mensen waar inderdaad mijn vaders auto stond geparkeerd.  Mijn moeder werd zo boos dat ze op een dag in de mess een glas sherry bij de vrouw in haar gezicht heeft gegooid. Ze kreeg toen een verbod om daar nog te verschijnen en mijn vader werd op het matje geroepen, want een verhouding met de vrouw van een andere officier, dat kon natuurlijk niet. 

Ik probeer een ver­trou­wens­band op te bouwen om mijn werk goed te kunnen doen. Sympathie of antipathie spelen geen rol

Het gekke is: op een gegeven moment werd het me wel duidelijk dat mijn vader er vriendinnen op na hield – want na die affaire, begon hij gewoon weer iets met een ander – maar ik ging er toch nog steeds van uit dat mijn ouders bij elkaar hoorden en dat ze nooit uit elkaar zouden gaan. Op een dag zei mijn moeder dat ze zich niet lekker voelde en naar Nederland zou vertrekken om een dokter te bezoeken. Ze nam mijn kleine zusje mee. Ik vond het ongezellig, maar het was geen dramatisch afscheid want: zodra ze beter was, zou mijn moeder terugkomen naar Suriname. 

Na een tijdje nam mijn vader me mee naar de vrouw van weer een andere militair. ‘Ze wil graag een potje met je schaken’, zei hij. Ik kon aardig schaken, dus ik vond het prima, ook toen ze een weekend later nóg een potje wilde spelen. Ongeveer een half jaar na mijn moeders vertrek, kondigde mijn vader aan dat wij ook weer naar Nederland zouden verhuizen. Ik had helemaal geen zin om te gaan, maar ik keek er wel naar uit om mijn moeder weer te zien. 

We werden op Zanderij uitgezwaaid door de vrouw die een glas sherry in haar gezicht had gekregen – die was op ’t eind nog even bij mijn vader ingetrokken – en op Schiphol opgewacht door de schaakvriendin, 27, zwanger en voortaan stiefmoeder van twee puberjongens. Het was in de zomer van 1964, we bleven een paar weken bij mijn moeder logeren, maar daarna vertrok ze weer naar Suriname. Voor jaren. 

Ik was zo graag met haar meegegaan, maar ze had inmiddels een nieuwe man die niet van kinderen hield. Mijn zusje mocht blijven, mijn broertje en ik waren alleen tijdens de grote vakantie welkom – één per keer, want anders werd het te duur. Mijn vader trok zich weinig van ons aan. We leefden ons eigen leven, zagen elkaar alleen tijdens het eten. Na een paar jaar zijn we naar kostschool gegaan, waar we het veel beter naar ons zin hadden. Ik heb later nog wel geprobeerd om mijn vader in mijn leven te betrekken, maar toen bleek dat hij ook voor mijn kinderen, zijn kleinkinderen, geen enkele interesse had, heb ik het contact verbroken. 

De relatie met mijn moeder is ingewikkelder. Er ontbrak iets essentieels; we leerden goed met elkaar om te gaan, maar er was geen band zoals die normaal gesproken tussen een moeder en een zoon bestaat. Ze bleef afstandelijk, onbeholpen. Toen ik een jaar of zestien was, vertelde ze ineens dat ik nog een halfzus had. Ze was getrouwd geweest met een planter in Indonesië, gescheiden en had haar dochtertje bij hem achtergelaten. Mijn broertje en ik waren dus niet de enige twee verlaten kinderen geweest. Eigenlijk heeft ze zich alleen maar kunnen hechten aan mijn jongste zusje; die is altijd bij haar in de buurt gebleven. Het is een verdrietig verhaal, en ik weet ook hoe het komt dat ze niet bij machte was om zich emotioneel te binden. Ze heeft tijdens de oorlog in Indonesië in het verzet gezeten en de vreselijkste dingen meegemaakt: opgesloten in barbaarse gevangenissen, gemarteld door de Japanners... Ik ken haar geschiedenis ten dele – ze wordt ook in het Verzetsmuseum geëerd – maar ik ben er nooit achtergekomen wie mijn moeder werkelijk is geweest. De laatste jaren van haar leven leed ze aan de ziekte van Alzheimer. Ze was fysiek heel sterk, hield het tot haar 96ste vol, maar ik weet zeker dat ze liever eerder uit het leven was gestapt. Je wil weten wat ik aan die jeugd heb overgehouden, dat begrijp ik wel, maar ik kan het je niet vertellen. Ik weet namelijk niet hoe mijn leven was verlopen als mijn ouders bij elkaar ­waren gebleven. Misschien heeft die zogenaamde onaanraakbaarheid die ­iedereen altijd bij me opmerkt er wel iets mee te maken. Ik heb al op jonge leeftijd geleerd om zelfstandig te zijn. Ik wil van niemand afhankelijk zijn. Ik beslis zelf.”

V Gij zult niet doden

“Toen ik Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, voor het eerst ontmoette vroeg ik niet: ‘Jeetje, hoe kon je dit nou doen?’ De vraag was: wil je een advocaat? Ja. Wil je door mij verdedigd worden? Ja. Goed, dan gaan we nu de strategie bespreken. Ik probeer een vertrouwensband op te bouwen om mijn werk goed te kunnen doen. Sympathie of antipathie spelen geen rol, emoties laat ik achterwege. Het enige wat ik bewust doe, is mezelf constant voorhouden dat dit – de ervaring die ik opdoe, met de doelgroep die ik bedien – niet staat voor de gehele mensheid. Als dat zo was, zag het er voor de wereld wel heel somber uit.”

Mijn moeder kocht bij de melkboer op rekening. Later bestelde ik een rolletje Mentos. ‘Op rekening!’, riep ik dan.

VI Gij zult geen onkuisheid doen

“We hebben als gezin een tijdje aan de rand van een donker bos net buiten Harderwijk gewoond. Mijn moeder waarschuwde ons op een dag voor ‘meelokkers’. Ik dacht dat ze ‘meel-okkers’ zei, had geen idee wat ze daarmee bedoelde, maar ik nam de boodschap voor kennisgeving aan. Oppassen voor meel-okkers. Die deden iets met kinderen. Een meel-okker wilde je in ieder geval niet zijn of worden. Dat waren zo’n beetje de normen en waarden die ik op het terrein van de onkuisheid heb meegekregen.”

VII Gij zult niet stelen

“Mijn moeder kocht bij de melkboer op rekening. Ik vond het ook niet vreemd om, als ik bij hem in de winkel kwam, een rolletje Mentos te bestellen. ‘Op rekening!’, riep ik dan. Mijn moeder betaalde aan het eind van de maand een totaalbedrag en had helemaal niet in de gaten dat ze ook mijn snoep afrekende. Toen ze er na lange tijd achterkwam, en me duidelijk maakte dat dit niet de bedoeling was, heb ik het ook nooit meer gedaan... maar hád ik nou eigenlijk wel gestolen? De melkboer gáf me die rolletjes toch?”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“Als jij tegen me zegt dat je morgen naar Frankrijk op vakantie gaat, kan ik wel roepen dat ik daar helemaal niks van geloof, maar het is natuurlijk totaal onbelangrijk of het waar is wat je beweert. En waarom zou ik je niet geloven? Zelfs als je helemaal niet naar Frankrijk gaat, is er nog geen man overboord. Maar wat nu als iemand beweert dat hij door een ander is gedrogeerd en seksueel misbruikt? De crux is namelijk dat je geneigd bent te geloven dat niemand zoiets zal zeggen als het niet waar is, dus degene die wordt beschuldigd staat meteen met 3-0 achter. 

Ja, ik heb het over de zaak Brandt Corstius-Van Dam; laten we gewoon man en paard noemen. Jouw krant heeft namelijk in deze valse getuigenis... jawel, wacht nou even: natuurlijk is het vals! Ik heb het niet over een valse aangifte hè? Daar kan ik niets over zeggen, want ik ben er niet bij geweest. Maar jouw krant heeft, hoe dan ook, een grote rol gespeeld door de aanklacht van Jelle Brandt Corstius af te drukken (‘Ik ook. Maar ik kan het niet vertellen.’ ). 

Brandt Corstius schrijft daarin dat hij geen bewijs heeft, maar de krant publiceert zijn verhaal tóch, zonder namen te noemen, maar wetende dat er iemand beschadigd zal worden, want de zogenaamde verkrachter kan daarna alleen nog maar zeggen dat het niet klopt. De aantijging blijft. Voor altijd. Over de manier waarop Gijs van Dam in beeld kwam, zou ik van alles kunnen zeggen, maar dan ­krijgen we waarschijnlijk zo’n welles-nietesspelletje, dus laten we hier een kleine fast forward maken: Van Dam deed aangifte wegens smaad en laster, Brandt Corstius deed aangifte wegens verkrachting. 

Mijn vrouw noemt me vaak ‘de ar­gu­men­ten-boy’ of ‘het fei­ten-mannetje’

Beide aangiften werden in juli door justitie geseponeerd, ja, ook die van ons – het spreekt voor zich dat we een artikel 12 Sv tegen die beslissing gaan voeren – maar weet je waarom zíjn klacht werd geseponeerd? Brandt Corstius heeft tegenover de politie verklaard dat hij wel gedrogeerd móet zijn geweest omdat hij zich anders nooit zo comfortabel kon hebben gevoeld in een bizarre situatie waaraan hij zich niet kon onttrekken. Met andere woorden: hij heeft niks van die drogering gemerkt! Daar kun je dus, volgens de officier van justitie, geen zaak op bouwen. 

Maar goed, het leed is al geschied, sterker nog: in zijn persverklaring van 19 juli 2018  doet Brandt Corstius er nog een schepje bovenop door Gijs van Dam in één adem te noemen met de beweerde serieverkrachters Weinstein en Cosby, door te beweren dat Van Dam leiding gaf aan vijftig mensen – niet waar – en door ook nog maar eens achterwege te laten dat ze ongeveer even oud waren toen deze eenmalige, onfortuinlijke ontmoeting zestien jaar geleden plaatsvond. Dat is, als je het mij vraagt, één grote, valse getuigenis. Alweer. We hebben inmiddels een nieuwe aanklacht wegens smaad bij de officier van justitie ingediend.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

“Ik vind het totaal geen prestatie om monogaam te zijn.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Het is voor mij een raadsel waarom mensen zo graag iets willen hebben wat een ander heeft. Ik zei twintig jaar geleden al tegen mijn kantoorgenoten: ‘Jongens, als alles blijft zoals het nu is, ben ik dik tevreden.’

“Ik heb ook nooit de ambitie gehad om zogenaamd hogerop te komen en rechter te worden – ik deug alleen als advocaat. In mijn zaken ben ik zeer ambitieus. Ik wil winnen of na afloop in ieder geval het gevoel hebben dat het aan mij niet heeft gelegen. Verliezen is niet erg als de tegenpartij betere argumenten heeft. Ik ben heel gevoelig voor argumenten. Mijn vrouw noemt me vaak ‘de argumenten-boy’ of ‘het feiten-mannetje’. Ik neem nooit zomaar ergens genoegen mee. Voor ik mijn oordeel uitspreek, wil ik alle feiten kennen. Weet ik wel genoeg? Wat is hier nu werkelijk aan de hand?”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden. Lees alle interviews in ons dossier.

Deel dit artikel

Eer uw vader en uw moeder niet, tenzij ze het verdiend hebben

Ik probeer een ver­trou­wens­band op te bouwen om mijn werk goed te kunnen doen. Sympathie of antipathie spelen geen rol

Mijn moeder kocht bij de melkboer op rekening. Later bestelde ik een rolletje Mentos. ‘Op rekening!’, riep ik dan.

Mijn vrouw noemt me vaak ‘de ar­gu­men­ten-boy’ of ‘het fei­ten-mannetje’