Een verpleegster verbindt het hoofd van een gewonde militair in een Canadees ziekenhuis in Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog.  Beeld Universal History Archive/Univer
Een verpleegster verbindt het hoofd van een gewonde militair in een Canadees ziekenhuis in Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog.Beeld Universal History Archive/Univer

BoekrecensieGeneeskunde

Zelfs het verplegend personeel kon soms de aanblik van gewonde militairen niet aan

Medisch historicus Lindsey Fitzharris verhaalt uitvoerig over de arts Harris Gillies, die zijn eigen specialisme ontwikkelde tijdens de Eerste Wereldoorlog: hij lapte zwaar verminkte soldaten op. Maar wie was hij nu echt?

Paul van der Steen

Ouders haalden hun kinderen binnen als ze langskwamen. In de buurt van de Britse hospitalen, waar plastisch chirurgen en hun medewerkers tijdens de Eerste Wereldoorlog hun best deden op reconstructies, stonden speciale bankjes voor de militairen van wie grote delen van het gezicht op de slagvelden op het Europese vasteland waren weggeslagen. Zo konden de mensen in de omgeving de confrontatie met gruwelijke verwondingen als verdwenen neuzen en ­kaken, als ze dat wilden, vermijden.

Zelfs het personeel kon de aanblik niet ­altijd aan. Een verpleegster beschreef hoe ze een verband losmaakte en de helft van iemands hersenen naar buiten vielen.

De ernstigste gevallen

Toen de prins van Wales, de latere koning Edward VIII, een hospitaal kwam bezoeken werd hem de toegang geweigerd tot de afdeling met de ernstigste gevallen. Het personeel was bang dat de aanblik van de verminkte patiënten hem te veel zou schokken. De prins weigerde te accepteren dat hem iets in de weg werd gelegd. Een van de mannen die er werd behandeld, schreef over Edwards bezoek: ‘Hij kreeg zijn zin en ging naar binnen, en voor zover ik weet moest hij naar buiten worden gedragen’.

Een compagnie van driehonderd man in 1914 kon een vuurkracht ontwikkelen die gelijkstond aan die van het complete leger van de hertog van Wellingtong, 60.000 man sterk, tijdens de Slag bij Waterloo 99 jaar daarvoor. De verwondingen waren ernaar, laat Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog. De strijd van een plastisch chirurg en zijn soldaten van medisch historicus Lindsey Fitzharris letterlijk zien. Het kost vaak moeite om naar de foto’s te kijken. Zoals het ook bijna te pijnlijk is om te lezen over het aanvankelijke geklungel met de gewonden.

De vooruitgang van de medische kennis was ernstig achtergebleven bij alle militaire innovaties. Plastische chirurgie werd niet als een serieuze tak van geneeskunde gezien. Geneesheren bleven hangen in hun eigen specialisatie.

Sneltreinvaart

Harold Gillies, van huis uit kno-arts en hoofdpersoon in Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog, kwam met een andere aanpak. Terwijl het aan bijna alles ontbrak: kennis, vaardigheden, verdovingen, medicatie en geld. Ook aan bekwaam personeel trouwens, want veel van de beste artsen en verzorgenden hadden zich richting het front begeven, niet de aangewezen plek voor gezichtsreconstructies.

Gillies zag het belang van een multidisciplinair team. Hij verzamelde een club van tandartsen, kaakchirurgen, beeldhouwers – zelfs een oud-leerlinge van Rodin – schilders en fotografen om zich heen. Behalve het herstel van de functies werd de esthetiek van het gezicht belangrijk.

Het leerproces verliep met vallen en opstaan, maar vanwege de oorlogsomstandigheden wel in sneltreinvaart. Methoden en technieken werden uitgeprobeerd, getoetst en gestandaardiseerd. The Lancet, toen al het meest vooraanstaande medische tijdschrift ter wereld, prees het ziekenhuis van Gillies: ‘Er heerst hier zo’n intensieve cultuur van wetenschappelijke methodiek, gestimuleerd door collectieve interesse en kritiek dat er resultaten worden bereikt die nauwelijks haalbaar waren geweest als opstelsom van versnipperde individuele inspanning’.

Anders dan op andere plekken lag de nadruk niet alleen op herstelwerkzaamheden. Ook de psyche van de patiënt kreeg volop aandacht. Er werd met hen gepraat over de operaties die ze kregen. Ze leerden om zelf hun gewonde gezicht te verzorgen en te scheren. Bovendien probeerde het personeel het ­gezellig te maken in het ziekenhuis en te ­zorgen voor afleiding met allerhande sociale activiteiten.

De lange en pijnlijke weg

Fitzharris combineert kennis van zaken met een soepele schrijfstijl. Ze beperkt zich niet tot de wederwaardigheden in het ziekenhuis zelf, maar laat ook zien hoe lang en pijnlijk de weg daarnaartoe vaak was.

Ernstig gewonden lagen soms dagenlang op het slagveld, in de modder waar infecties en ongedierte op de loer lagen. Als hospikken hen eindelijk afvoerden, was het vaak wachten op een behandeling, want de vraag naar zorg oversteeg het aanbod van medisch personeel. Na het eerste oplapwerk volgde een lange tocht naar gespecialiseerde instellingen in eigen land en vaak een lange reeks van operaties.

Aan het einde van dat lange proces werd een deel van de militairen met hun gereconstrueerde gezicht opnieuw naar het front ­gestuurd om daar opnieuw als kanonnenvlees te dienen. Gillies en zijn medewerkers hadden het maar te accepteren.

Op 28 juni 1919 kregen verminkte Franse ­militairen uit de Grote Oorlog een rol bij de ondertekening van de Vrede van Versailles. De délegation des mutilés moest de verschrikkingen van de strijd tijdens de plechtigheid zichtbaar maken.

En terwijl verzorgers deze mannen in de aanloop naar hun operatie en tijdens hun herstel zo lang mogelijk de confrontatie met hun spiegelbeeld had bespaard, was er nu geen ontkomen meer aan. In de Spiegelzaal van het Paleis in Versailles zagen ze zichzelf zo ongeveer overal.

De Franse premier Georges Clemenceau hield op weg naar de tafel waar de verdrags­documenten op zijn handtekening wachtten halt bij de oud-soldaten. ‘U heeft veel geleden’, constateerde de minister-president, ‘maar dit hier is uw beloning’.

Ruim twintig jaar later begon de volgende wereldoorlog, waarin opnieuw een beroep werd gedaan op Gillies’ deskundigheid. Tijdens het interbellum kreeg hij pas laat erkenning voor het zegenrijke werk dat hij had verricht. In 1930 werd hij geridderd.

Wie was Gillies echt?

Harold Gillies’ leven en verdiensten na 1918 komen maar kort aan bod in Fitzharris’ boek. Ze waarschuwt daarvoor al in een ‘Noot van de auteur’, aan het begin van haar werk. De Britse heeft niet de ambitie om hét werk over plastische chirurgie tijdens het loopgravenconflict van 1914-1918 of dé biografie van ­Harold Gillies af te leveren.

Toch prikkelt Fitzharris de nieuwsgierigheid over de rest van dat leven. Gillies blijkt ook de man te zijn die in 1949 als eerste een transman van een penis voorzag. Het komt maar even aan bod.

Zoals de privépersoon van de chirurg in Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog eveneens een beetje verborgen blijft. Ja, Gillies was competitief, bepaalde graag zelf de regels en liet ze – al was het alleen maar omdat de boog niet altijd gespannen kon staan – af en toe even los.

Maar wie was hij nu echt? Hoe was hij thuis? Kwam hij überhaupt ooit los van zijn werk? Fitzharris vertelt het niet.

null Beeld

Lindsey Fitzharris
Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog. De strijd van een plastisch chirurg en zijn soldaten.
(The Facemaker)
Vert. Conny Sykora
Unieboek/Het Spectrum; 336 blz. € 29,90

Lees ook:
Arts Ludwig Guttmann liet zijn patiënten met dwarslaesies sporten. Het leidde tot de Paralympische Spelen

Een dwarslaesie in de rug betekende ooit een veroordeling tot levenslang in bed liggen en vaak ook tot een snelle dood. De neurochirurg Ludwig Guttmann begon zo’n tachtig jaar geleden in te zien dat het ook anders kon. Zijn recept: bewegen. Het maakte mensen fysiek fitter en herstelde hun zelfbeeld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden