BoekrecensieGeschiedenis

Volgens Frits Boterman vallen de verschillen tussen het interbellum en het heden meer op dan de overeenkomsten

null Beeld
Beeld

Frits Boterman duikt in Nederland (en Duitsland) tijdens het interbellum.

Het Algemeen Handelsblad hield in 1927 een enquête onder zijn lezers. De vraag die voorlag: Wie was de grootste man van deze tijd? De op dat ogenblik tachtigjarige Amerikaanse uitvinder Thomas Alva Edison kwam als eerste uit de bus. De breed bewonderde Italiaanse leider Benito Mussolini werd tweede.

Het katholieke dagblad De Tijd was bij diens machtsovername in Duitsland in 1933 best geporteerd van Adolf Hitler. Alleen zijn houding ten opzichte van het geloof vond men wat problematisch. Maar de krant verwachtte dat daar de scherpe kantjes wel van af zouden slijten. Belangrijker was Hitlers strijd op leven en dood tegen het duivelse marxisme. Daarbij verdiende hij steun. Om die reden juichte De Tijd in mei 1933 ook de eerste boekverbrandingen toe.

Meningen veranderden echter in de loop der jaren, al was het alleen maar door veranderende omstandigheden. En het denken was vaak misschien minder eendimensionaal dan we achteraf denken, zo maakt het boek Tussen utopie en crisis. Nederland in het interbellum 1918-1940 van Frits Boterman nog maar eens duidelijk. De auteur, emeritus hoogleraar moderne Duitse geschiedenis na 1750, haalt een enquête aan bij het zestigjarig bestaan van De Groene Amsterdammer in 1936: een grote meerderheid van de ondervraagde Nederlanders stond achter de parlementaire democratie, maar tegelijkertijd verzetten velen zich tegen ‘het vrije spel der economische krachten’. Zo’n veertig procent zag wel wat in het ook door fascisten gepropageerde corporatisme met meer ruimte voor gemeenschap in markt en maatschappij.

Niet alle rampspoed viel te voorspellen

Het Nederland van tussen de twee wereldoorlogen werd tot voor kort vaak beschreven als naïef, argeloos, zelfgenoegzaam eiland van rust in een woelig Europa. Historicus Hermann von der Dunk vergeleek Nederland tijdens het interbellum ooit met een ‘meisjesinternaat’ en de cultuur in die samenleving met “een windstil afgelegen tuin in een omringend landschap van eruptieve aardschokken en stormen”. Oorlogshistoricus Loe de Jong voegde daar nog een streng goed-fout-denken aan toe. Een oordeel met niet altijd eerlijke wijsheid achteraf, omdat niet alle rampspoed uit de jaren 1940-1945 viel te voorspellen. Bovendien vormde het interbellum niet alleen de voorgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog maar evengoed de nageschiedenis van de Eerste Wereldoorlog. Nederland mocht dan neutraal zijn gebleven tijdens dat conflict, de oercatastrofe van de twintigste eeuw trok wel degelijk sporen in het denken en doen van mensen.

Met andere historici van nu ziet Boterman de door hem beschreven jaren minder karikaturaal. Hij heeft het over een tijdperk van de weggeslagen zekerheden (denk aan de in oktober 1929 losgebarsten economische crisis en oorlogsdreiging). Dat bood ruimte aan allerlei vormen van escapisme en aan culturele en politieke experimenten zoals avant-gardekunst, fascisme en communisme, maar ontaardde ook in – dikwijls rusteloos – zoeken, dwalen en twijfel. Traditie en moderniteit botsen op elkaar in deze overgangstijd, door Boterman omschreven als ‘in zekere zin een voortzetting van de negentiende eeuw en een voorbode van de jaren zestig’.

Frits Boterman Beeld  Carmen Fredenthal
Frits BotermanBeeld Carmen Fredenthal

De auteur toont net als in bijvoorbeeld zijn Cultuur als macht. Cultuurgeschiedenis van Duitsland 1800-heden (2014) de beheersing om de ontwikkelingen en de beschikbare literatuur daarover te overzien en inzichtelijk op een rijtje te zetten voor de lezer. Die voert hij ook langs tal van sleutelfiguren: van beeldend kunstenaars als Theo van Doesburg en Piet Mondriaan tot literatoren als Menno ter Braak en E. du Perron.

Met verrassende visies komt Boterman minder vaak. Hij sluit zich bijvoorbeeld grotendeels aan bij de grote historicus Johan Huizinga die in ‘Duitschland’s invloed op de Nederlandsche beschaving’, een hoofdstuk uit zijn in 1929 verschenen boek Cultuurhistorische verkenningen, Duitsland – met name Pruisen – omschreef als een contrapunt, een tegenpool van de Nederlandse cultuur. Volgens de schrijver van Tussen utopie en crisis diende de oosterbuur op andere momenten intellectueel, artistiek en politiek als voorbeeld, kristallisatiepunt, spiegel, parallellie of schrikbeeld. En terwijl Duitsland in internationaal-politiek opzicht in de loop van de jaren dertig een steeds groter gevaar werd en ook de Nederlandse zelfstandigheid bedreigde, nam de vervlechting van de economieën van de twee buurlanden alleen maar toe.

Nadruk op Duitsland

Het nadeel van Botermans nadruk op Duitsland is dat andere landen met veel invloed op de Nederlandse cultuur er relatief bekaaid vanaf komen. Meer aandacht voor de interactie met Frankrijk, Groot-Brittannië en de sterk opkomende Verenigde Staten had het beeld een stuk vollediger gemaakt.

Tussen utopie en crisis kruipt bovendien nogal eenzijdig in de hoofden van de politieke en culturele elite. In het verzuilde Nederland had hun denken en doen vanzelfsprekend veel invloed bij de mensen op minder prominente plekken. Toch had het perspectief van deze burgers in de eeuw van de massamens in dit boek niet misstaan: wat veranderde er in en rondom hun huizen, in hun hoofden? Hoe klonken hier de echo’s van het recente onheil en de vooraankondigingen van het volgende onheil?

Boterman waagt zich af en toe aan vergelijkingen tussen toen en nu. De instabiele Weimarrepubliek is niet te vergelijken met de economische grootmacht en stabiele democratie Duitsland van vandaag, stelt hij. PVV en Forum en andere rechts-populisten nemen anders dan rechts-extremisten van een jaar of tachtig geleden niet hun toevlucht tot grootschalig geweld. Boterman: “De huidige politiek is een permanent referendum (waaierdemocratie) geworden, terwijl in de jaren dertig de politiek bepaald werd door verzuilde verhoudingen en ‘mannen van de daad’.”

Historische parallellen

In andere passages laat de schrijver voor de hand liggende historische parallellen een beetje liggen. Terwijl de economische crisis en het opkomende fascisme en nazisme vanaf 1929 steeds meer internationale vragen opriepen, vond een renationalisatie van het debat plaats. Veel intellectuelen en kunstenaars keerden terug naar Nederlandse motieven en thema’s. Bovendien kwamen mythologie en rationalisme steeds vaker in de plaats van redelijkheid en wetenschappelijke inzichten. Dat doet ergens aan denken.

Aan het einde van Tussen utopie en crisis betrekt Boterman alsnog ferm stelling. Ja, hij ziet gelijkenissen. Maar de verschillen vallen eerder op dan de overeenkomsten. De toen als bedreiging ervaren moderniteit is nu de norm, Nederland is ontzuild en geseculariseerd en het destijds populaire gemeenschapsdenken heeft plaats gemaakt voor misschien wel doorgeschoten individualisering. De geschiedenis herhaalt zich wellicht, maar nooit op dezelfde manier.

null Beeld
Beeld

Frits Boterman
Tussen utopie en crisis. Nederland in het interbellum 1918-1940
Arbeiderspers; 768 blz. € 55,00

Lees ook:
Politieke partijen hielden hun jongerenbewegingen het liefst aan een leiband

In een schoolopstel hekelde een veertienjarige Joop den Uyl in 1934 de parlementaire democratie met haar ‘mooi klinkende leuzen en onvervulbare beloften’. De teleurstelling zat als het ware ingebakken in het systeem. Den Uyls leraar beloonde het betoog met een zeven: ‘Over ’t geheel goed geschreven. Maar – is alles nu zo slecht? Je generaliseert te veel.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden