75 jaar bevrijdingKlassieker

Nooit meer buitenstaander

G. L. DurlacherBeeld Hollandse Hoogte / Bob Bronshoff

Tot Bevrijdingsdag bespreekt L&G iedere week een klassiek oorlogsboek. Allereerst ‘Quarantaine’ van G.L. Durlacher uit 1993. 

Heeft Auschwitz echt bestaan? Zelfs als je er gevangen zat, er afscheid hebt moeten nemen van ouders en verder moest met het levende bewijs van een kampnummer op de arm, is dat nog niet altijd voorstelbaar. Voor G.L. Durlacher (1928-1996) was de enige manier om zijn verleden in verschillende concentratiekampen te onderkennen het zo waarheidsgetrouw en nauwkeurig mogelijk opschrijven van die oorlogservaringen. En er was nog iets: als alles wat hij schreef precies klopte met de werkelijkheid, zou zijn werk iedere vorm van Holocaust-ontkenning kunnen bestrijden.

Durlacher zou zijn boeken daarom waarschijnlijk eerder als non-fictie hebben aangemerkt dan literatuur, maar zijn literaire meesterschap zit hem ontegenzeggelijk in zijn vermogen om in weinig woorden onuitspreekbare emoties op te roepen. Gevoelens van vernedering, emotionele en fysieke uitputting, voortdurende angst en de doffe eenzaamheid treft hij in een paar zinnen. Boven die herinneringen zweeft altijd als een zwaard van Damocles dat onmetelijke verdriet dat iedereen met stomheid slaat. Durlacher debuteerde pas veertig jaar na het einde van de oorlog, in 1985, met ‘Strepen aan de hemel’. Hij leerde sinds 1979 dankzij psychotherapie voor het eerst over zijn oorlogsverleden te spreken. Zijn vierde boek ‘Quarantaine’ (1993) werd bekroond met de AKO Literatuurprijs.

In dit boek staat de vader van Gerhard in de openingsscène van het verhaal ‘Gabel’ te worstelen met het boord van zijn rokhemd. Vader zingt opera en is zenuwachtig voor het optreden. Verderop blijkt dat dit optreden door Joodse Rotterdammers speciaal georganiseerd wordt voor 190 Duitse Joden die in 1939 met stoomschip St. Louis naar Amerika probeerden te ontkomen, maar na zes weken wanhopig rechtsomkeert moesten maken en strandden in Rotterdam. De Durlachers vluchtten in 1937 al uit Baden-Baden naar Nederland, en namen vluchteling Heinz Gabel, zijn vrouw Beate en hun eenjarige zoontje tijdelijk in huis. Al snel werden de Gabels door de Nederlandse overheid onvrijwillig naar een nieuw gebouwd kamp voor Duitse vluchtelingen gebracht: Westerbork.

 ‘Ik heb jullie van de transportlijst kunnen krijgen’

Twee jaar later ontmoeten de Durlachers en de Gabels elkaar weer in Westerbork. Heinz, jurist, moet daar als ‘bureauslaaf’ de transportlijsten opstellen. “Uit hun gezichten is de jeugd vervaagd. Heinz’ handen trillen en hij houdt de ene met de andere vast alsof hij dat verbergen wil. Zijn ogen zijn roodomrand, misschien van ontroering, misschien van vermoeidheid. Beate’s handen, eens goed verzorgd, zijn nu die van een wasvrouw. Heinz durft de draad van vroeger bijna niet meer op te nemen. Het is nu veel te hard en het overstemt elke herinnering. Aarzelend, haast fluisterend, zegt hij: ‘Ik heb jullie van de transportlijst kunnen krijgen. Goddank is dat deze keer gelukt.’” De eens zo gesoigneerde vader Durlacher staat nu met Gerhard voor Gabel “murw en humeurig door slaapgebrek, walgend van onze ongewassen lijven en hongerig maar vooral dorstig”.

Gerhard en zijn ouders werden in januari 1944 doorgestuurd naar Theresienstadt en Auschwitz, waar ze elkaar voor het laatst zagen. Ter gelegenheid van de herdenking van de bevrijding van Auschwitz, bezocht Durlachers dochter Jessica twee jaar geleden het concentratiekamp voor de NOS. Zij vroeg zich daar af of hij eigenlijk wel had gewild dat zij ooit in Auschwitz kwam, want haar vader vond dat hij anderen, en zeker ook zijn kinderen, niet zomaar kon belasten met de gruwelen van de Holocaust. In een interview zei hij eens dat schoolkinderen bij voorkeur uit eigen belangstelling over de Holocaust moeten gaan leren.

Dat niet willen opdringen van zijn leed proef je ook in ‘Quarantaine’. Tussen de bittere ervaringen door houdt hij ruimte voor hoop dankzij mensen die onverwacht hun humaniteit wisten te behouden door kinderen boksles of wiskunde te geven.

Durlacher lijkt veertig jaar nodig gehad te hebben om ook te durven vertellen. Hoewel Durlacher op school veel ­sympathie van leraren en medeleerlingen ontmoet – beschrijft hij in het verhaal ‘Na 1945’ –, kan hij die niet helemaal omarmen. Als hij bij zijn eindexamen samen met een meisje met een Indisch kampverleden geprezen wordt om zijn doorzettingsvermogen (op zijn zeventiende moest hij nog aan de middelbare school beginnen) vervult hem dat wel met trots, “maar ik wil niet weer tot buitenstaander gemaakt worden”.

G.L. Durlacher
Quarantaine
Meulenhoff; 110 blz.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden