Filmrecensie Miles Davis: Birth of the Cool

Lyriek en zelfdestructie in liefdevol portret van een jazzlegende

Miles Davis: Birth of the Cool: een film met een heldere, klassieke vertelstructuur die houvast biedt.

Miles Davis: Birth of the Cool
Regie: Stanley Nelson
★★★★☆

Heel fijn om twee uur lang door te brengen in het gezelschap van ­Miles Davis, de Afro-Amerikaanse componist en trompettist die een van de grootste jazzmusici van de twintigste eeuw wordt genoemd. De Afro-Amerikaanse regisseur Stanley Nelson brengt zijn verhaal tot leven in ‘Miles Davis: Birth of the Cool’, een muziekdocumentaire uit duizenden, die zowel de liefhebber als de nieuwkomer verwelkomt. De bewonderaar van ­Davis’ trompetspel kan zich laven aan de oude muziekopnamen en aan de foto’s en filmpjes, waarvan een deel niet eerder te zien was. De ­beginneling krijgt de ruimte om zijn ­muziek en verhaal te ont­dekken.

Dat verhaal over opkomst en ­ondergang van Miles Davis (1926-1991) ontrolt zich vrij traditioneel, aan de hand van archiefmateriaal en interviews met ‘getuigen’. Dat is niet iets om minderwaardig over te doen. Als het goed wordt gedaan, en dat is hier het geval, biedt zo’n heldere, klassieke vertelstructuur een geweldig houvast. Davis was zelf een enorme vernieuwer, iemand die experimenteerde en improviseerde en verschillende muzikale invloeden omarmde.

Davis groeit op als zoon van een tandarts in het racistische East Saint Louis, en krijgt op zijn ­dertiende een trompet. Halverwege de jaren veertig belandt hij in New York, waar hij overdag klassiek ­muziekonderwijs krijgt aan de ­beroemde Juilliard School en ’s avonds de jazzbars van 52nd Street afschuimt. Hij speelt met idolen als Charlie Parker en Dizzy Gillespie, en ontwikkelt zich tot een sensatie op trompet.

In de film zie je de speciale demper die hij op zijn instrument zette en die zijn spel zo eigen maakte, vol gevoel en lyriek. “Hij beroert de golven als hij speelt”, zegt jazztoetsenist Herbie Hancock ergens in de film. Adembenemend is ook nog steeds de soundtrack die hij in 1958 voor de Franse film ‘Ascenseur pour l’échafaud’ maakte. ­Jeanne Moreau dwaalt teneergeslagen door nachtelijk Parijs. Haar minnaar is niet komen opdagen. Vertwijfeld vervolgt ze haar weg, bijgestaan door de huilende trompet van Miles ­Davis. Dat de film een klassieker werd, was mede te danken aan de muziek.

Davis werd in Parijs op handen gedragen. Hij verkeerde er eind jaren veertig, begin jaren vijftig met ­Sartre en Picasso. Ook beleefde hij een romance met chansonnière ­Juliette Gréco, die in de film – 92 jaar inmiddels – liefdevolle herinneringen ophaalt. Toch is de documentaire geen hagiografie, verre van dat. Na Parijs krijgt Davis opnieuw te ­maken met raciale vijandigheid in de VS. Hij raakt aan de heroïne en hoewel hij zich een tijdje terugtrekt om af te kicken, zullen drank en drugs hem blijven achtervolgen.

Miles Davis was de ultieme Mr Cool, de man van de maatpakken, mooie vrouwen en snelle auto’s. Maar in de film komt hij ook naar voren als een moeilijke man, die volgens ex-echtgenote Frances ­Taylor heel prikkelbaar en jaloers was en thuis losse handjes had. Ze heeft het over een giftige mix van cocaïne, whisky en pijnstillers. ­Zoals zo vaak in het leven van grote kunstenaars gaat een enorme creativiteit gepaard met zelf­destructie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden