RecensieBoek

Lopen op gekookte bloemkool

Pieter van den Blink vond woorden voor zijn angst en debuteert met roman over zijn leven en ziekte.

Een roman schrijven over ziekte is een riskante onderneming. Niet omdat het saai zou zijn, ongemakkelijk of onfris, maar omdat het risico groot is dat het binnen de kortste keren gaat over strijd, loutering, nederlaag en overwinning. Susan Sontag toonde in haar beroemde essay ‘Ziekte als metafoor’ (1978) aan dat deze en andere kwalijke metaforen ten onrechte het denken over ziekte bepalen. Als je ze dus érgens moet vermijden is het wel in de literatuur. 

Maar hoe maak je het ziekteproces dan tot de kern van je verhaal? En als een ziekte niet eindigt met genezing of dood, is er dan überhaupt wel een verhaal? Renate Dorrestein en onlangs nog Hanna Bervoets schreven over een chronische ziekte, ziektes zonder plot, ontwikkeling of einde. Bij hen gaat het om hoe de ziekte inwerkt op het personage, hoe het een denkwereld vormt, of misvormt. Dat wordt dan het verhaal. Het is een methode die ook Pieter van den Blink toepast in zijn autobiografische debuutroman ‘Het allerbeste’.

Van den Blink heeft de ziekte van Hodgkin, een (bij hem) slepende vorm van kanker in de halsklieren, en in het begin van de roman vinden we hem in de wachtkamer van het ziekenhuis. Dat is een nogal voor de hand liggende openingszet, maar Van den Blink omzeilt de clichés handig met een keur aan wrang-geestige observaties: “Ik krijg moordneigingen van neuriënde artsen.” We zien het ziekenhuis en de artsen zoals we die kennen, zij het een stuk scherper, en we leren dat je als patiënt welhaast gek moet worden van goedbedoelde dooddoeners (‘Hier gaat u niet áán dood, hier gaat u méé dood’, ‘zéker in uw geval’).

Op het moment dat je je gaat afvragen waar dit heen moet, en hoeveel ziekenhuisbezoeken er nog moeten volgen, gooit Van den Blink het over een andere boeg. Door een nachtmerrie wordt iets in gang gezet, een sluimerend, verdrongen verleden dringt zich op. Zo kruipt stiekem toch één van de door Susan Sontag verguisde metaforen het boek in: kanker als ‘het loon der verdringing’, weggestopt kwaad dat gaat woekeren. Maar het is de schrijver vergeven, want hij komt met een bizar en beklijvend beeld op de proppen: hij droomt dat hij gekookte bloemkoolroosjes met tomatensaus als voetzolen heeft. Zo absurd-komisch als dat klinkt, zo angstaanjagend komt het op de ik-figuur over. 

Een gevoelsarme moeder en veeleisende vader

Vanaf hier beginnen enkele andere episodes, een lange terugblik op de jongensjaren van de ik-figuur tussen een gevoelsarme moeder en een veeleisende vader, zo één die een maatschappelijk geslaagde man een ‘verdomd goeie kerel’ noemt en de mislukten ‘putjesscheppers’. Er volgt een vroeg vertrek uit huis, een rommeltijd als student (‘ik weet niet wat ik met mijn leven aan moet, maar deze bestelling gaat naar tafel 3’), en een turbulente periode waarin hij samen is met de liefde van zijn leven, een meisje dat ook wat rafelranden heeft: “Als ik je laat zien wie ik ben ren je gillend weg.”

Ineens lijkt de schrijver een ander verhaal te willen vertellen, alsof hij de kanker van tafel wil vegen ten gunste van een veel belangrijker verhaal. “Zorgen over mijn gezondheid verdampten al bij de aanblik van onze twee fietsen die samen aan één slot stonden.” Je wenst met de hoofdpersoon dat de liefde sterker is dan de ziekte, maar je weet beter. Er is geen strijd en geen overwinning, de kanker laat zich niet terzijde schuiven.

Een terechte vraag lijkt me wat Van den Blinks verleden, zijn persoonlijke geschiedenis, te betekenen heeft voor de ziektegeschiedenis, voor de roman zelf. De vraag is eigenlijk: wat is nu precies het verhaal dat de schrijver wil vertellen? Helemaal duidelijk werd mij dat niet, er lijkt geen ‘groter verhaal’ te zijn dan simpelweg het levensverhaal van deze auteur, die de moed heeft gevat op te schrijven wat hem is overkomen, die woorden vond voor zijn angst. “Dat is de marge tussen het allerbeste en de afgrond, tussen een verdomd goeie kerel en de vijand, tussen topadvocaat en putjesschepper, de tussenruimte waar het leven zich afspeelt.” 

Dit boek gaat over die tussenruimte, daar ergens zit dit verhaal, het kan wat rommelig overkomen, maar het is een authentiek en buitengewoon menselijk verhaal dat je typisch voor een oudere debutant kan noemen: iemand die, tja, dingen heeft meegemaakt, en of de dingen nou een verhaal willen vormen of niet, hij vertelt ze met zijn eigen dwingende stem.

OordeelAuthentiek verslag, verteld met eigen dwingende stem

Pieter van den Blink
Het allerbeste
Prometheus; 208 blz. €20,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden