Boekrecensie

Jeanette Winterson speelt in nieuwe roman vernuftig met het verschil tussen mens en machine

Jeanette Winterson Beeld EPA

Voor wie ‘Frankenstein (or the Modern Prometeus)’ van Mary Shelley niet gelezen heeft: het vertelt het verhaal van wetenschapper Victor Frankenstein die levenloze materie tot leven weet te wekken. Hij maakt uit diverse dode lichaamsdelen een vriend die verre van perfect is, maar wel leeft. Frankenstein schrikt zo van zijn schepping dat hij op de vlucht slaat. Het monster zelf verdwijnt. Maar waar hij ook komt, het arme monster jaagt iedereen de stuipen op het lijf. Op een dag keert hij terug naar zijn schepper. Kan Frankenstein geen vrouw voor hem maken, iemand die van hem houdt? Victor Frankenstein doet dat, maar omdat hij bang is voor de gevolgen, ziet hij er vanaf het monster zijn geliefde te geven. Hij doodt haar, waarop het monster wraak neemt.

Levensvonk

De jonge Mary Shelley concipieerde de roman toen zij en haar echtgenoot, de dichter Percy Shelley, in 1816 een bezoek brachten aan Lord Byron (die andere dichter) die in Zwitserland verbleef. Het is dat tripje dat Jeannette Winterson voor de opening van haar roman ‘Frankissstein (A Love Story)’ – soepel vertaald door Arthur Wevers – gebruikt. De beide Shelleys, Byron, zijn minnares (tevens stiefzus van Mary) en lijfarts zitten in een huis aan het meer van Genève. Het is pokkenweer. Mary maakt een wandeling. Door een gordijn van regen ziet ze een ‘reusachtige haveloze figuur’ die zich van haar vandaan spoedt. Dit visioen en haar vroege confrontatie met de dood (zowel die van haar jong overleden moeder, de beroemde feministe Mary Wollstonecraft, als van haar eerste kind) én de gesprekken die ze voert over het ‘levenwekkend beginsel’, brengen Mary op het idee voor haar klassieker ‘Frankenstein’.“De levensvonk is mannelijk”, meent Byron. De vonk voor deze verhalen komt van dames.

Wat zal het monster scheppen?

Winterson (her)schept Mary Shelley, Shelley schiep Frankenstein, Frankenstein schiep zijn monster. Wat zal het monster scheppen? “Als je een robot hebt, kun je hem in theorie naar je werk sturen en zelf het geld houden. Of je kunt hem thuis als onbetaalde bediende gebruiken. Of je kunt hem onkruid laten wieden op je chemicaliënvrije boerderij. Dat zou geweldig zijn. Maar wanneer hebben de dingen nou ooit geweldig uitgepakt? In de menselijke droom?”

Aan het woord is Frankensteins evenknie in deze tijd: de arts Ry Shelley – geen Ryan, geen Mary, maar Ry. Ry is een transgender, man én vrouw. Als hij op het herentoilet wordt aangerand denken we uiteraard ook aan de reactie van de buitenwereld op Frankensteins schepping. “Is dit de prijs die ik moet betalen om mezelf te kunnen zijn?” vraagt Ry zich af. “Mijn knieën worden nat van tranen terwijl ik met mijn gezicht op mijn benen steun en mezelf zo klein mogelijk maak. Mezelf maak. Dit is wie ik ben.”

Ry is verliefd op Victor Stein, een vooraanstaand computerdeskundige en denker over kunstmatige intelligentie. In het geheim werkt hij, in een onderaards gangenstelsel in Manchester, aan een eigentijdse variant op kunstmatig leven, of beter gezegd: het eeuwige bewustzijn. Ry moet Stein het hoofd bezorgen van de briljante wiskundige I.J. Good (collega van Alan Turing – die ja) die zijn brein, na zijn dood, heeft laten invriezen. Stein wil het scannen en de inhoud ervan uploaden in een niet biologische drager, een onsterfelijk medium zonder lichaam en dus man noch vrouw. En dat allemaal onder de stad waar aan het begin van de 19de eeuw het leeuwendeel van de textielarbeiders brodeloos werd door de introductie van de weefmachine.

Koddig en banaal

Wat is het onderscheid tussen mens en machine, lichaam en geest? Wat is leven, wat is liefde, wat is bewustzijn, wat is liefde, wat is seks? Wie (be)dient wie? Wie is het monster, de schepper of zijn of haar schepselen? Het zijn grote, actuele thema’s die Winterson aansnijdt. Vernuftig en uiterst speels weeft ze het verleden en het heden, de nabije toekomst, feit, fictie, wetenschap en literatuur tot een bont tapijt van ideeën. En toch… Het duurde even voor ik me gewonnen gaf. Het was me te theoretisch – te machinaal zo u wilt ­– maar ook te koddig en banaal. Dat de industrie seksrobots vervaardigt met vervangbaar hoofd omdat die damesgezichten nogal eens in elkaar worden gemept… Het zal wel, denk ik dan. Ik raak makkelijker in vuur en vlam door romans waarin de menselijke ervaring zélf centraal staat, in plaats van de ideeën daarover. Verhalen waar ook Winterson wel raad mee weet: The Passion… Oranges… Why be happy… Dit boek doet, of beoogt, beide misschien. Of het daar in slaagt? Het zette me aan het denken, jazeker, en ik ga ook eindelijk Shelley’s ‘Frankenstein’ eens lezen, maar het liet me ook een beetje koud.

Lees ook:

Het verhaal over Adam, de mensmachine

Ian McEwan reflecteert op wenselijkheid en mogelijkheid van een robot als huisvriend

‘Ik schrijf geen vliegveldboeken’

,,Liefde is iets heel groots, niet iets uit een soapopera’', vindt de Engelse schrijfster Jeanette Winterson. Iris Pronk sprak met de schrijfster over haar nieuwste roman, ‘Vuurtorenwachten’, een ongewoon lyrisch geschreven liefdesverhaal. En daarmee een protest tegen jachtige consumptie van literatuur -en van liefde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden