null Beeld
Beeld

RecensieVuistrecht en wisselgeld

In de Frans-Duitse oorlog vocht buurland tegen cultuurland

De Fransen en Duitsers vochten in 1870-1871 een bloedige oorlog uit. Zonder dit conflict geen Eerste Wereldoorlog. Nederland kneep hem.

‘Jaar van smart en rouwe! Jaar van nameloze ellende en rampspoed – jaar van onmenselijke wreedheid en laaghartig verraad, wij wensten u uit de rei uwer voorgangers te kunnen schrappen, opdat die na u komen zich niet over u zouden behoeven te schamen.’

Nee, dit gaat niet over coronajaar 2020. Het werd anderhalve eeuw geleden geschreven door een commentator van de Vlaardingsche Courant. Begin 1871 maakte hij de balans op van het ‘meest beruchte jaar van vroegere en latere tijd’.

Schuld aan de pikzwarte herinnering had de die zomer uitgebroken Frans-Duitse oorlog. In het lustrum daarvoor waren de machtsverhoudingen binnen Europa ingrijpend verschoven. De positie van Frankrijk als grootmacht op het continent brokkelde almaar verder af. Het door expansiedrift gedreven Pruisen vulde het gat maar al te graag. Kanselier Otto von Bismarck streefde ernaar de lappendeken aan Duitse koninkrijkjes, hertog- en vorstendommen te verenigen onder Pruisische leiding. Frankrijk voelde zich bedreigd en verklaarde in juli 1870 de nieuwe rivaal de oorlog.

In Vuistrecht en wisselgeld beschrijft historicus Paul Moeyes hoe Nederland onmiddellijk aankondigde afzijdig te willen blijven. Dat was niet voor het eerst (en niet voor het laatst) weten we uit zijn eerdere studie De sterke arm, de zachte hand, over de Nederlandse neutraliteitspolitiek tussen 1839 en 1939. Anders dan bij oorlogen van voorgaande decennia was dat het front nu veel dichterbij kwam. Niet alleen letterlijk, maar ook in figuurlijk opzicht. Nederland grensde aan Pruisen, en Frankrijk, dat was verlichting en beschaving. Het buurland vocht met het cultuurland!

Op een paar kleine succesjes na verliep het conflict voor de Fransen desastreus. Een van de dieptepunten was begin september de belegering van Sedan. ‘Nooit heeft een menselijk oog iets afschuwelijker gezien’, concludeerde Het Nieuws van den Dag. De krant spaarde zijn lezers niet: ‘Verbeeld u gehele hopen van stukken gekleurd laken, aan elkaar gekleefd door bloed en verbrijzelde hersens […]; ingewanden overal uitgespreid, lijken in alle richtingen liggende, hoofden zonder aangezicht, mensenvlees, beenderen, kleren, alles dooreengemengd, alsof zij in een vijzel gestampt waren.’

Slapstick

In december verzamelden Franse troepen zich nabij de stad Le Mans. Daar, tweehonderd kilometer ten zuidwesten van Parijs, wilde de legerleiding de diep in Frankrijk doorgedrongen Duitse troepen terugdringen om vervolgens de omsingelde, hongerende hoofdstad te ontzetten. Het mislukte jammerlijk. Moeyes beschrijft het bijna als slapstick: ‘De gardisten arriveerden met geweren die dateerden uit de Amerikaanse Burgeroorlog, waarvan velen niet wisten hoe ze die moesten laden, wat overigens niet uitmaakte omdat ze waren voorzien van de verkeerde munitie, wat overigens ook al niet uitmaakte omdat het kruit was natgeregend en daardoor onbruikbaar geworden’.

Niet verbazingwekkend dat de Slag om Le Mans in een overwinning voor de Pruisen eindigde. Een paar weken later namen ze ook Parijs in en werd op 18 januari 1871 – deze maand honderdvijftig jaar geleden – in Versailles het Duitse Keizerrijk uitgeroepen. De ene keizer maakte plaats voor de andere. Frankrijk verloor met de krijgsgevangen gemaakte Napoleon III zijn empereur. Het verenigde Duitsland kreeg in Wilhelm I juist een Kaiser.

Met afschuw zag Nederland hoe snel het tot die tijd superieure Frankrijk werd opgerold. Zoals Moeyes eerder in zijn boek Buiten schot aantoonde dat de Eerste Wereldoorlog niet aan de Nederlander voorbijging, zo wil hij met Vuistrecht en wisselgeld laten zien dat de Frans-Duitse oorlog op de voet werd gevolgd – bang als men was voor de gevolgen van het verhangen van de bordjes. Wat als klopte wat de Engelse kranten schreven, dat Nederland ‘met zijn nuttige zeekusten’ ook een prooi voor agressor Bismarck zou zijn?

De Slag om Le Mans, geschilderd door Georg Koch. Beeld Getty Images
De Slag om Le Mans, geschilderd door Georg Koch.Beeld Getty Images

Toch dekt de ondertitel Nederland en de Frans-Duitse oorlog niet helemaal de lading. Het Nederlandse perspectief op het buitenlandse conflict is soms pagina’s lang uit het zicht. Grote delen van het boek zijn in de eerste plaats te beschouwen als grondig ­uitgewerkte militaire geschiedschrijving. Moeyes behandelt de aanloop naar de grote veldslagen en het daadwerkelijke wapen­gekletter welhaast van dag tot dag. Dat doet hij gedetailleerd, nauwgezet en met veel oog voor de politieke en militaire overwegingen. Het levert een fraai boek op over het Duits-Franse treffen. Maar de reactie in Nederland op de gebeurtenissen wordt er dan te vaak op het eind nog even bijgesleept.

Daarbij komt dat Moeyes, wanneer hij inzoomt op de Nederlandse respons, vrijwel alleen kijkt naar hoe de kranten over de oorlog schreven. En daar zit een probleempje. Opnieuw een citaat uit de Vlaardingsche Courant: ‘Lezen wij toch de bulletins van Frankrijk en die van Pruisen dan staan zij lijnrecht tegenover elkander en wantrouwend vragen wij onszelf af: wie moeten wij vertrouwen?’ Nederlandse dagbladen vonden het moeilijk om te achterhalen wat zich aan het front afspeelde. Er waren geen landgenoten die als oorlogscorrespondent verslag deden.

De redacties probeerden dit op te lossen door nieuwsberichten van beide partijen over te nemen en te vergelijken. Maar dat toont vooral hoe Nederland werd geïnformeerd over de oorlog, nog niet hoe erover werd gedacht. Slechts sporadisch geeft Moeyes een inkijkje in hoe er buiten de redactieburelen bij de oorlog werd stilgestaan.

Mooie anekdotes

Af en toe kregen Nederlandse verslaggevers informatie uit eerste hand. Het leverde direct mooie anekdotes op. Eind januari hadden meerdere dagbladen het spectaculaire avontuur opgetekend van twee luchtballonvaarders die in hartje Parijs waren opgestegen om pas in het aan de Zuiderzee gelegen dorpje Hierden weer voet aan land te zetten. Toen ze de watermassa zagen opdoemen, had een van de twee uitgeroepen: ‘À bas ou nous sommes fichus!’ (dalen, anders zijn we de pineut!) en waren ze nog net op tijd uit hun mandje gesprongen – de onbemande ballon zou uiteindelijk op Urk landen.

In mei 1871 werd een vredesakkoord getekend. Frankrijk verloor de Elzas en een groot deel van Lotharingen en moest een exorbitant hoge schadeloosstelling betalen. De Duitsers bezetten een deel van het land totdat de laatste frank was overgemaakt. De Fransen waren vernederd en aanhoudende spanningen tussen de aartsvijanden zouden uiteindelijk tot ontlading komen met het uitbreken van de Eerste en Tweede Wereldoorlog. De Arnhemsche Courant had een voorzienende blik: ‘Duitsland zaait thans, op zijn beurt, de rampspoed die het later oogsten zal’.

null Beeld

Paul Moeyes
Vuistrecht en wisselgeld. Nederland en de Frans-Duitse oorlog 1870-71
Nieuw Amsterdam; 424 blz. € 32,50

Lees ook:

De Eerste Wereldoorlog maakte journalisten tot trapezewerkers

Het Historisch Nieuwsblad hertaalde honderden artikelen die Nederlandse kranten schreven over de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog. Of, gruwelen? Om het landsbelang niet te schaden, schreven journalisten angstvallig neutraal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden