Poëzie

Het was een goed poëziejaar: dit zijn de beste debutanten

Op foto’s van de prijsuitreiking van vorig jaar is Roberta Petzoldt te zien met in haar handen een behoorlijk groot bord. Een cheque van 1.200 euro, die de dichter kreeg omdat haar poëziedebuut het beste van 2019 was. Ik vroeg me af: “Was die cheque misschien wel anderhalve meter? Zo ja, dan kan de C. Buddingh’-prijs straks gewoon veilig overhandigd worden.” Want die doorgaans zo feestelijke uitreiking, met poëzie, en bloemen, en familie en vrienden en handen en zoenen, staat natuurlijk op losse schroeven nu het Poetry International Festival, dat de genomineerden jaarlijks in de volle schijnwerpers zet, niet doorgaat.

De dichters die kans maken op de C. Buddingh’-prijs 2020 zijn al wel bekend. Drie van hen werden hier al eens besproken. Jens Meij­en (1996), die met ‘Xenomorf’ een urgente, enerzijds somber stemmen­de, maar tegelijk intrigerende en persoonlijke bundel maak­te over het klimaat en een veranderende wereld. En Laurine Verweijen (1981) die in ‘Gast­- huis’ schreef over vrouwelijke intimiteit, over onderwerpen die niet meteen met poëzie geassocieerd worden, menstruatie, of het niet krijgen van kinderen.

En Iduna Paalman (1991). Zij verdiende alleen al vanwege de titel van haar debuut, ‘De grom uit de hond halen’, een plaats op het lijstje. Maar vooral natuurlijk om hoe ze helder en humoristisch dicht over angsten, over schijn­veiligheid, over de dichter als ‘risk manager’. “Wat is geruststellen als niemand zich nog zorgen maakt, / ongelukken niet meer blind een kant op kiepen, honden hun hoektanden / bewaren voor later, er een sprookje bij verzinnen.”

Gommers’ taal orgelt, is vol klank, diepe uithalen 

Jérôme Gommers (1961) is de oudste van de vier genomineerden, hij debuteerde met ‘Momentum laadklep’, een ‘rijpe’ bundel, aldus de Buddingh’-jury. De openingsregels van zijn debuut zijn te lezen als een vooruitwijzing naar wat komen gaat. Want Gommers zingt over wat ‘mooi’ is, een zomerse dag en hoe die ten einde loopt: “Maar sterven deed zij niet, de dag. Nog altijd lekte er licht langs / het hemelgewelf… een waerschijn daeraf’, en over wat ‘lelijk’ is. Of anders, ook over de dagelijkse sleur van zeg het kantoorleven, maar dan wel in lyrische regels als “O troostrijke tredgang // van de eigen kleine bijdrage aan, o weidegang aan de leiband van…”

Gommers’ taal orgelt, is vol klank, diepe bastonen worden afgewisseld met schrille uithalen. De poëzie in ‘Momentums laadklep’ loopt over, zeker de veelstemmige openingsreeks, die met alle interrupties en terzijdes, verwijzingen, viezigheid (‘Mee-eters zich volvretend tot // unvollendete’) en flauwigheid (‘chemisch partenkirchen’) ook wel deed denken aan het werk van Wouter Godijn.

Opvallende afwezige overigens in het rijtje Buddingh’-genomineerden was Asha Karami, wier grillige en grimmige ‘Godface’ eerder dit jaar nog kanshebber was voor de Grote Poëzieprijs. Andere jury’s, anders lijstjes. Laten we het erop houden dat het een goed poëziejaar was.

Ik ging z’n lof zingen want alles was mooi en lelijk. Ik zong,

zoals ik gebekt was, veranderlijk, wisselvallig, eigenlijk zonder

eigen stem. Nu eens melodisch, bijna romig, alsof ik iets

onappetijtelijks wilde bedekken. Dan weer krasserig als een mes

in de bast van een boom – oooh die binnenkort werd gerooid…

Vaak was het alsof een hand zich door mij heen dreef. Aha, mij

bespeelde. En inderdaad: ik opende mijn mond tot klankkast.

O keel, steelse verhefboom en beerput, monding én bron.

Hele talen verdwenen. En daarom: leef aanstaande dode taal. Leef

samengestelde werkwoorden, leef afgekalfd, ingeklonken, door-

gelegen. Leef ten ontzent, terdege, terwijl. Leef grijze balkenbrij

uit roze koppen, roze koppen uit grijze brij. Laat de houtworm

werkelijk voedsel worden, dat ons eten spreken, ons spreken eten

wordt – en wat dat ook betekene. Laat de blijstift van hiers overzijde

hardelijke gummen, dags verwenteling ter glorie, dags verkrassing

tot een lippendienst aan ontoonder – o dat wij nooit meer spraken

loze, dat wij nooit meer wraakten het wrakhout onzer woning…

etceterâh etceterâh

(‘Nou, nou, trouwens…’)

Jérôme Gommers

Jérôme Gommers
Momentums laadklep
Tijloos. 64 blz. €18,50

Janita Monna schrijft wekelijks over poëzie voor Trouw

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden