Beeld Trouw

PoëzieJanita Monna

Dichter Anna Enquist maakt gemis en rouw voelbaar

Over troost ging het in Tijd van twee weken geleden, en vooral over hoe moeilijk het is om die te bieden. Dat een eenvoudig ‘Hoe gaat het?’, hoe goed bedoeld ook, pijnlijk kan zijn: ‘Nou, mijn kind is dood, wat denk je zelf?’ Dat een immens gemis niet heel te maken valt met een bemoedigend ‘Kop op, hè?’

Als er één dichter is die dat in poëzie voelbaar maakt, dan Anna Enquist. Zij hoort, zo zegt ze zelf, tot ‘de vereniging rouwende schrijvers’, waar ook P. F. Thomése en David Grossman toe behoren. Alle leden van deze ver­eni­ging verloren een kind. Enquists dochter overleed in de zomer van 2001.

“Wij kneden het gemis totdat het op de bladzij past.” Want nee, het gaat niet weg, het wordt niet minder – de titel van Enquists nieuwe bundel zegt het al: ‘Berichten van het front’. Nog altijd woedt er een gevecht met woede, wanhoop, verdriet, gemis, berusting.

Smijten met woorden

In haar pogingen daar vorm aan te geven lijkt de dichter een bondgenoot gevonden te hebben in Demeter, de Griek­se godin van de landbouw. Ook zij was haar dochter kwijt. Ook zij zocht wanhopig, en ze vond Persephone terug, in de onderwereld. Ze mag haar zelfs meenemen en een groot deel van het jaar bij zich houden. Maar in de rest van het jaar, als Persephone in de onderwereld is, is moe­der Demeter boos. Dan groeit er niks, dan is het winter. En daar haakt Enquist af: “Niets heeft ze te klagen, maar ijsregen ranselt ons beurs.”

Voor de dichter is het altijd koud en winter, zij zoekt vergeefs een toegang tot de onderwereld: “Kind, het kind, haar kind, blijft kwijt.” En toch is de dochter in al haar afwezigheid overal.

Enquist strijdt met de taal om de leegte te vangen. Haar regels zijn hoekig, ze smijt “woor­den als keien naar beneden (…), / ze ketsen kwaad tegen de rotswand”.

Maar zoals het na de winter lente wordt, zo maakt bittere wanhoop in deze bundel langzaam plaats voor iets anders, wijkt stilstand voor groei in de tuin van de dichter, waar Japanse duizendknoop en regen langs een boomstam onverwacht troost bieden. De woede verdwijnt, en al verklaarde Enquist de onderwereld voor gesloten, misschien is er toch een plek, een sterrenhemel, waarvandaan de doden spreken? “aanvaard de groet uit hun verte”.

Is lezen niet ook een soort luisteren?

Enquists stevige taal, vol gebiedende wijs en regels die butsen maken, versluiert maar weinig, al is het, zo tegen het slot, de vraag of de dood nog zover weg is.

Sommigen vinden dat ze wel genoeg over de verloren dochter heeft geschreven, weet de dichter. Voor hen heeft ze een simpel advies: “u hoeft het niet te lezen”. Maar is lezen niet ook een soort luisteren? Precies die boodschap had een deskundige in Tijd voor de trooster: ‘Luisteren.’ Zo ook besluit Enquist haar frontberichten: “wantrouw / de woorden. Luister goed. En koester de muziek.”

Phlegreïsche avelden

Hé wacht, daar gaat ze weer, stram
van gram, over de velden; kijk naar die
hoge benen, de paniekbliksem in die blik.

Op de akker vol doden kringelt
zwavel boven de verrotte buxus.
Brandende voetzolen heeft ze, een vraag
sist tussen haar tanden: hoe kan een kind
dat zo thuis was in leven zorgeloos
de onderwereld in duiken? Onachtzaam, blind?

Zij speurt naar verscholen toegang:
traptreden, holen en poorten. Gebrek
aan het kind kooit haar in moederschap.

Ze rukt aan de tralies. Krommer en grijzer
van dag tot versleten dag. Kijk hoe ze
nooit ontsnapt, nooit iets vindt.

Anna Enquist

Anna Enquist
Berichten van het front
Arbeiderspers; 64 blz. € 19,99

Janita Monna schrijft wekelijks over poëzie voor Trouw

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden