op locatie de beek in Grana

De beek in ‘De acht bergen’ die ineens volwassen wordt

ZOMERTIJD ITALIEOp Locatie Beeld Gemma Pauwels

Deze zomer presenteren wij u ‘literaire locaties’; hoe kijken schrijvers naar een plaats? Aflevering 4: Paolo Cognetti over de beek bij het dorpje Grana.

Als iemand had voorspeld dat een roman die voor pak ’m beet tachtig procent bestaat uit minutieuze beschrijvingen van het landschap in de Noord-Italiaanse Alpen een internationale besteller zou worden, was hij misschien wat meewarig aangekeken. Maar ‘beschrijvingen van het landschap’ doet ‘De Acht Bergen’ (2016) van Paolo Cognetti zwaar te kort. De bergen, de bomen, de gletsjers, de stenen, het mos, de rivier, het water, de sneeuw: de magnifieke manier waarop Cognetti de natuur doet verschijnen, maakte haar tot hoofdkarakter van zijn roman. Tastbaar, zinnelijk, maar zonder sentimentaliteit of barokke taal. Die natuur is voor stadsjongen Pietro, die 11 is als het boek echt begint, niet vanzelfsprekend. Met zijn ouders woont hij in Milaan. Zijn vader, onrustig en solistisch, is alleen gelukkig als hij door de bergen kan zwerven. Vader en zoon hebben moeizaam contact. Dan huurt zijn moeder een eenvoudig huisje in het dorpje Grana, Pietro en zij zijn daar veel samen, zijn vader moet steeds weer naar Milaan voor z’n werk. Als hij vertrokken is keert zij ‘terug naar een versie van zichzelf die ik nooit had gekend’. Vrijer, gedecideerder. De beek vlak bij het huis wordt Pietro’s eerste verkenningsterrein, symbolischer kan bijna niet.

“Er waren twee grenzen waar ik niet voorbij mocht: stroomopwaarts een houten bruggetje waarachter de oevers steiler werden en zich vernauwden tot een kloof, en stroomafwaarts het struikgewas aan de voet van de rots, waar het water zijn weg vervolgde tot onder het dal. Dat stuk kon mijn moeder vanaf het balkon overzien, maar voor mij stond het gelijk aan een hele rivier. De beek kwam er eerst sprongsgewijs omlaag, in een

opeenvolging van schuimende stroomversnellingen, tussen grote steenblokken door waar ik me overheen boog om de zilveren weerspiegelingen op de bodem te bekijken.”

Eerder stelt zijn vader, die zijn zoon graag uittest, hem een raadselachtige vraag. Stel nou eens, zegt hij, dat het water de tijd is die verstrijkt. “Als hier waar wij staan het heden is, waar denk je dan dat de toekomst is?” Waar het water heengaat, zegt Pietro, maar nee, dat is het ‘foute’ antwoord.

“Verderop vertraagde de beek en vertakte zich, alsof hij van jongen ineens volwassen werd, en doorsneed door sparren gekoloniseerde eilandjes die ik gebruikte om over te steken en op de tegenoverliggende oever te springen. Nog meer naar beneden, op het punt waar een couloir op uitkwam, had zich door een opeenhoping van allerlei hout een wal gevormd: een lawine had ’s winters boomstammen en takken meegesleurd die nu in dat water lagen te rotten – maar van die dingen wist ik toen nog niks af. Voor mij was dat het moment in het leven van de beek waarop die een obstakel tegenkwam, tot stilstand kwam en troebel werd.”

Dan ontdekt Pietro een jongen die in de weiden van de oever koeien hoedt. Op aandringen van zijn moeder sluit de introverte Pietro vriendschap – of nu ja, over de vraag wat die vriendschap precies inhoudt, draait de rest van het boek grotendeels – met deze Bruno, die het landschap als zijn broekzak kent. Dat avontuur van de intimiteit van met zijn tweeën zijn en de verrassingen die dat oplevert houden Pietro uit zijn slaap – tot hij opeens snapt dat voor een riviervis alles met de stroom meekomt. “Het verleden is dalwaarts, de toekomst bergopwaarts. Dat had ik mijn vader moeten antwoorden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden