1 mei 1986, Leidschendam. Het landelijke coördinatiecentrum van Marius Enthoven werd platgebeld door Nederlanders die bezorgd waren over radioactieve straling uit de Sovjet-Unie.

InterviewMarius Enthoven

Wat we in de coronacrisis kunnen leren van de ramp in Tsjernobyl

1 mei 1986, Leidschendam. Het landelijke coördinatiecentrum van Marius Enthoven werd platgebeld door Nederlanders die bezorgd waren over radioactieve straling uit de Sovjet-Unie.Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

De kernramp in Tsjernobyl in 1986 en de coronacrisis nu, de verschillen zijn groot. Toch ziet Marius Enthoven overeenkomsten: de hoofdrol van het RIVM, de noodzaak besluiten te nemen met gebrekkige informatie, het belang van communicatie. Rampendeskundige Enthoven, in 1986 nationaal coördinator crisismanagement, doet zijn verhaal.

Het was zondag 28 april en ik keek zoals gewoonlijk ’s avonds het NOS Journaal. In Zweden en Finland was een ongebruikelijk hoge radioactiviteit gemeten. Maandagochtend was er meer nieuws op de radio: de Zweden hadden geconcludeerd dat de radioactiviteit niet uit hun eigen centrales kwam. Het moest uit de Sovjet-Unie komen, gezien de windrichting. Een afstand van meer dan tweeduizend kilometer! Bij mij gingen alle alarmbellen af. Als ze in Scandinavië al dergelijke verhoogde straling maten, kon die zomaar bij ons komen.

“Ik was gespitst op dit soort signalen. Als hoofdinspecteur milieuhygiëne was ik verantwoordelijk bij milieurampen. Grote bodem­verontreiniging, ploffen bij fabrieken, alles met bedreigingen voor de gezondheid van ­omwonenden.

“Het toeval wilde dat ik die maandagochtend hoog overleg had op het ministerie van volksgezondheid. Ik had twee bazen: milieuhygiëne was sinds drie jaar ondergebracht bij het ministerie van Vrom (onder meer milieu) en functioneel vielen we nog onder Volksgezondheid, wat toen WVC heette. Dus we konden meteen spijkers met koppen slaan: moesten we een alarmfase afkondigen, hoe betrekken we iedereen erbij? We hadden haast. Het ongeluk in Tsjernobyl was de 26ste april gebeurd, de 27ste nog stilgehouden door de Russen en pas op maandag de 28ste internationaal opgemerkt.

“Heeft u die HBO-serie over Tsjernobyl gezien, of het boek gelezen? Ik ook, maar toen tastten we compleet in het duister. We wisten helemaal niets van de RBMK-reactoren van dit type, van hun instabiliteit en risico’s. De Russen waren wel lid van het Internationaal Atoomenergieagentschap, maar ze deden niet mee aan kennisuitwisseling bij nucleaire calami­teiten.

“Tegen Pieter (Pieter Winsemius, de toenmalige minister op Vrom) zei ik: ‘Als die wolk hierheen komt, krijgen we iets dat we nog niet eerder hebben meegemaakt’. Dat was hij met me eens. Om half zeven die avond zaten we daarom in het Torentje bij minister-president Lubbers, met twee ministers en hun hoge ambtenaren. Het besluit viel: er komt een ­crisisorganisatie. En ik werd aangesteld als ­nationaal coördinator, met alle bevoegdheden. Het ministerie van landbouw, onder minister Braks, sloot zich de dag erna aan, net als buitenlandse zaken.”

Lag er een draaiboek voor nucleaire rampen?

“Nee, er lag een draaiboek voor een ongeval in de kerncentrale in Borssele, een brand of iets dergelijks waardoor radioactiviteit zou ontsnappen. Dat rampenplan was regionaal, gericht op de omwonenden. Er was niets voor een potentiële landelijke ramp. In die tijd was de BB net afgebouwd, de Bescherming Bevolking (de civiele organisatie die in de tijd van de Koude Oorlog burgers onder meer moest beschermen tegen bombardementen en kernwapens, red.) Die eerste dagen hebben we wel gekeken of er bijvoorbeeld genoeg jodium­pillen waren die beschermen tegen straling. In het magazijn van het ministerie lagen er nog een schamele 50.000. Wie hadden we die moeten geven? Er lag geen plan om ze landelijk te distribueren.

Marius Enthoven in 1986.Beeld Marius Enthoven

“Allereerst moest ik een onderkomen zoeken voor mijn team. Er stond een groot kantoor leeg in Leidschendam, maar we hadden natuurlijk niet de communicatiemiddelen die nu zo’n grote rol spelen bij de Covid-19-crisis. Want er was geen internet, hè, we deden het met telefoon, fax en telex. Zodra we die hadden geïnstalleerd, bleek dat er geen enkel telefoon- of faxverkeer mogelijk was met buitenlandse ministeries, zo gloeiend bezet waren de internationale lijnen. Zweden was onbereikbaar. Het duurde dagen om de juiste mensen te pakken te krijgen. Met wat hulp van onze ambassades lukte het gelukkig toch. We waren zelf ook lastig bereikbaar die eerste dagen.

“Een van mijn eerste besluiten was het RIVM aanwijzen om metingen te doen en alle meetwaardes te coördineren. Ja, net als nu was hun rol cruciaal, maar er was niet zoiets als het Outbreak Management Team dat de regie had. Ons ambtelijke team gaf de voorzetten, de ­ministers sloten dagelijks aan voor overleg. Zij legden de accenten. Ik mocht mijn mensen overal vandaan halen, vooral experts met stralingskennis van het ministerie van landbouw, TNO, de Arbeidsinspectie. Een enkele ambtenaar sputterde tegen, het waren immers vrije dagen, met Koninginnedag. ‘Niets mee te maken, komen!’, zei ik.

“Drie dagen hadden we – achteraf bezien – om het crisiscentrum draaiende te krijgen. Op 29 en 30 april en 1 mei dreef de nucleaire wolk eerst boven Scandinavië, toen richting Zuid-Duitsland. Dat gaf ons net genoeg tijd om alle meetinstrumenten boven water te krijgen en in gereedheid te brengen. Alleen het RIVM had een installatie om achtergrondstraling te meten. Verder had Defensie stralingsmeters voor veel hogere doses straling, net als TNO en de Arbeidsinspectie. Razendsnel hebben we ook een stralingsmeter laten inbouwen in een vliegtuigje, van een bedrijf dat al voor de Milieu-inspectie werkte. Zo konden we als enige land de lucht in om op hoogte straling te meten boven Nederland en Duitsland.

“Wat niet hielp, was dat er nauwelijks bruikbare informatie kwam uit de Sovjet-Unie, of heel tegenstrijdige. Extra verwarrend was dat de eenheid waarin straling wordt gemeten internationaal net was gewijzigd. Dus hadden we een heel team nodig om stralingsgegevens te checken, in te schatten of de cijfers konden kloppen en die om te rekenen naar de juiste eenheid. Nee, Europese coördinatie was er al helemaal niet. Duitsland ploegde koren onder, net over de grens in Frankrijk – groot in kernenergie – stond het graan gewoon te wuiven op de akkers. Europees gezien zijn er alleen stralingsnormen voor voedsel, zuivel en vlees vastgesteld voor im- en export, want die bestonden nog niet.”

Had u te maken met onrust onder de ­bevolking?

“Paniek voorkomen was een van onze hoofddoelen, naast het zo laag mogelijk houden van de radioactieve besmetting van de bevolking, en een goede controle van de import van goederen en voedsel. Veel Nederlanders hadden in die tijd een grote angst voor straling. Dat kwam door de kort daarvoor gehouden maatschappelijke discussie over kernenergie en door het kernwapendebat. Nucleair, straling, dus gevaarlijk, zo redeneerden de meesten. Je kan het niet zien en niet ruiken, toch raakt het je emotioneel, omdat het om je gezondheid gaat. Ja, mij ontgaat een zekere overeenkomst met het coronavirus niet. Alleen is de schaal van de vrijheidsbeperkingen nu natuurlijk niet te vergelijken met toen. Wij adviseerden slechts: niet naar buiten als het gaat regenen. Daar had je geen boa’s voor nodig.

“We richten een telefonisch centrum in met zo’n vijftig lijnen, dat burgers konden ­bellen met vragen. Tweemaal per dag moesten we de medewerkers daarvan van nieuwe juiste standaard-antwoorden voorzien. Eerst kregen we veel vragen over reizen. Het IJzeren Gordijn was zich aan het openen en mensen gingen in die tijd voor het eerst naar de Sovjet-Unie op vakantie. Ik herinner me de aparte vragen, zoals van die dame die stripdanseres was in een Poolse nachtclub en wilde weten of ze nog kon optreden. Vooral toen we de spinazie uit de handel haalden, omdat zich daarin radioactiviteit ophoopte, barstte het los. ‘Mijn zwangere dochter heeft net twee borden spinazie van het veld gegeten. Moeten we ons zorgen maken?’ Nou, dat hoefde pas als je de hele week spinazie wilde eten. Er zijn bij mijn weten ook geen veilige producten gehamsterd. Maar als alle melk besmet was geraakt? Dan was het misschien anders gelopen.”

Was er een moment waarop u dacht: nu is het op z’n ergst?

“Het spannendste moment was toen de wind opnieuw draaide en de nucleaire wolk afboog naar Nederland. Als het maar niet ging regenen! Via de grote rivieren was al besmet water uit Zuid-Duitsland onderweg. Aan alles moesten we denken: drinkwaterbedrijven die normaal rivierwater afnamen, luchtverversings­installaties die radioactieve deeltjes zouden gaan rondblazen, tot de meest ingrijpende: een mogelijke besmetting van alle koeiemelk door besmet gras. Voor de landbouw stond er veel op het spel: verlies van de omvangrijke ­export van zuivel.

“Het KNMI voorspelde geen regen. Toch belden op 2 mei uit het hele land mijn inspecteurs op: het regent hier! Het melkvee dat net van stal was, moest er dus weer in. We konden geen maatwerk leveren: de stalplicht gold voor heel Nederland. Twee of drie dagen heeft het her en der geregend, en we wisten pas een paar dagen later om hoeveel straling het ging. De meeste boeren werkten mee, een enkeling moest worden gedwongen.”

Welke bevoegdheden had u daarvoor?

“Ja, nu raak je een delicate kwestie. Op 1 mei was nét de nieuwe Rampenwet in werking ­getreden. Op grond daarvan had de minster van binnenlandse zaken bij een ramp de coördinatie moeten voeren, maar dat ministerie was er helemaal niet klaar voor. In goed overleg is toen besloten om het geen kernramp te noemen. Daarom lees je ook in alle officiële stukken ‘het kernongeval Tsjernobyl’. Bizar, denk ik nu. Voor onze bevoegdheden maakte het niet veel uit. We hoefden zoals gezegd geen mensen te evacueren – waar hadden we ze trouwens heen moeten sturen? – of in huis op te sluiten. Op grond van milieu-, landbouw- en volksgezondheidswetten konden we alles regelen, zelfs het isoleren van reizigers op Schiphol, mochten ze radioactief besmet zijn.

“Pas later is er een hele structuur opgezet voor rampenbestrijding. Ik was de eerste natio­naal coördinator ooit; nu is er bijvoorbeeld een permanente nationaal coördinator voor terrorisme en veiligheid. De veiligheidsregio’s zijn ook van veel later datum.”

Stralingsonderzoek op het terrein van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene in Bilthoven, na de nucleaire ramp in Tsjernobyl. Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Kregen u en uw team ook kritiek?

“Niet tijdens de twee weken dat die reactor in Tsjernobyl als een barbecue stond te branden. Wij wilden in het crisismanagement zo transparant mogelijk handelen. Daarvoor heb ik iets ongebruikelijks gedaan, met instemming van minister Winsemius. Op onze uitnodiging liep een extern adviseur van Berenschot vanaf het eerste begin met alle overleg mee. Hij mocht alle stukken inzien en moest na afloop een evaluatie schrijven. Dat rapport is naar de Tweede Kamer gestuurd. De ministers stuurden tijdens de crisis natuurlijk wel Kamerbrieven, maar het debat kwam pas later, grotendeels op basis van dit rapport, dat ongeveer vijf maanden na de ramp in Tsjernobyl uitkwam.

“Berenschot kraakte vooral kritische noten over de communicatie. Dat we dingen wel uitlegden, maar te laat publiceerden. Er staan ook citaten van ambtenaren in, bijvoorbeeld dat ze ‘geleefd werden door de metingen’. Dat blijkt ook nu weer in deze crisis; goede voorlichting aan de bevolking is enorm lastig. Zeker als je nog lang niet alle informatie hebt. En dan ­hadden wij nog niet te maken met de sociale media. We stuurden faxen naar redacties en ­Teletekst, folders naar de gemeenten, ik was iedere avond in het journaal. De ministers Braks en Winsemius kwamen een paar keer op tv, bijvoorbeeld bij het stalverbod. Lubbers bemoeide zich er niet mee. Hij ging zelfs voor een bezoek naar Japan en vond dat alles in goede handen was.

“Dat Kamerdebat was verder niet zo spannend. Vergeet niet dat de economische schade heel gering was; dat verklaart ook dat het ­Malieveld leeg bleef. Er vielen geen doden. De oversterfte door Tsjernobyl in Nederland is ­later berekend op slechts tien personen. Het ingrijpendste gevolg was dat de twee geplande nieuwe kerncentrales bij Borssele er nooit zijn gekomen. In heel Europa zijn sindsdien geen nieuwe kerncentrales meer gebouwd.”

Welke lessen heeft u uit ‘Tsjernobyl’ ­getrokken?

“De belangrijkste is deze: voer heldere, krachtige en centrale regie. Trek het naar je toe. Daar hadden ze nu in de coronacrisis in het ­begin moeite mee, bijvoorbeeld bij de inkoop van beschermingsmiddelen. Het heeft me ­hogelijk verbaasd dat het in Italië al zo fout ging en dat hier geen zichtbare actie kwam, al besef ik dat ik ook niet alles zie. 

Een tweede les: geef de uitvoeringsorganisatie grote doorzettingsmacht. Dan maak je misschien fouten, maar anders krijg je niets voor elkaar. Over het belang van goede gegevensvergaring en eenduidige communicatie hebben we het al gehad. Ik zag veel goeds gebeuren, maar de voorlichting over het testbeleid was ondoorgrondelijk. Ik heb het ook vreemd gevonden dat het RIVM dagelijks veel cijfers brengt, maar dan weer niet het aantal patiënten op de intensive care. Dat cijfer kwam iedere keer van meneer ­Gommers.

“Het lastigste is misschien wel: wees voorbereid op de volgende ramp. Na ‘Tsjernobyl’ kwam er een landelijk meetnet voor straling onder leiding van het RIVM. Het is alleen nooit meer gebruikt in een rampsituatie – ­Fukushima was aan de andere kant van de aardbol. We maakten een geheel nieuw draaiboek voor kernongevallen, met jaarlijkse trainingen en nieuwe functionarissen.”

Dus als de kerncentrale in het Belgische Doel morgen ontploft, of als er een aanslag wordt gepleegd?

“Dan zijn we voorbereid. Ik mag hopen dat de kennis niet is verwaterd, door reorganisaties of bezuinigingen. Het zou me alleen niet verbazen. Als het lang goed gaat, dan verslapt een ­organisatie. De overheid heeft een slecht geheugen. Laten we wel wezen, het is ook al 34 jaar geleden.”

Lees ook: 

Tsjernobyl volgens de échte hoofdrolspelers: ‘We dachten toen niet zoveel na als nu’

Tsjernobyl staat wereldwijd in de belangstelling nu de kernramp van 1986 onderwerp is van een zeer goed ontvangen Amerikaans-Britse serie. Het dwingt de werknemers die hielpen bij de rampbestrijding tot een kritische terugblik.‘Er werd inderdaad veel gelogen.’

Drie keer werd Nederland gewaarschuwd voor een pandemie, maar de regering koos voor het isolement

De Nederlandse regering kreeg na de ebola-uitbraak in Afrika drie keer het dringende advies een aanpak te ontwikkelen waarin pandemieën internationaal kunnen worden bestreden. Maar ze koos voor het isolement.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden