ColumnPolitiek

Twee hoeraatjes voor democratie, geen drie

null Beeld
Beeld

Als het in deze dagen niet meevalt nog een goed woord te vinden voor onze ernstig ontspoorde democratie, biedt wellicht de Britse schrijver E.M. Forster (1879-1970) enige hoop. Hij schreef aan het eind van de jaren dertig, toen dit stelsel ten onder dreigde te gaan: ‘Hoe groter de duisternis, hoe feller de lichtpuntjes schijnen’.

De woorden maakten deel uit van een essay dat hij na de oorlog opnam in een bundel onder de titel ‘Twee hoeraatjes voor de democratie’. Hierin verdedigde hij het stelsel, omdat het ‘minder verfoeilijk is dan andere regeringsvormen in onze tijd’. Alleen al om die reden verdiende het steun.

Forster was niettemin zuinig met zijn waardering. Maar al te goed onderkende hij de menselijke zwakte, zoals blijkt uit zijn beroemde roman ‘A Passage to India’. De democratie was niet zijn ‘gedroomde republiek’ en zou dat ook nooit worden. ‘Voor een derde hoeraatje is geen reden. Twee is genoeg’. Het eerste omdat het stelsel ruimte geeft aan verscheidenheid van opvattingen en overtuigingen, het tweede omdat het openbare kritiek op de regering toestaat.

Het individu belangrijk

De betekenis hiervan is niet gering gebleken in de onthulling van het ‘ongekende onrecht’ dat de overheid in de jacht op toeslagenfraude enkele tienduizenden burgers heeft aangedaan. In dat licht leek Forster haast nog te optimistisch. Hij schreef dat de democratie zich onderscheidt van autoritaire regimes, omdat zij uitgaat van het idee ‘dat het individu belangrijk is en de verscheidenheid van individuele burgers nodig om een beschaving te scheppen’. Van die noties is in de fraudejacht niets gebleken. Burgers waren na een strafrechtelijk misdrijf beter af geweest.

Forsters hart lag bij de mensen in de kunst en de wetenschap, die iets scheppen of ontdekken en het leven niet zien in termen van macht. ‘Zulke mensen krijgen meer kans onder een democratie.’ Maar van de vrijheid profiteren net zo goed de mensen die creatief zijn in hun huiselijk leven, hun kinderen fatsoenlijk willen opvoeden en de buren helpen. ‘Dat kunnen ze alleen maar doen als de samenleving hen die vrijheid geeft, en de samenleving die hen de meeste vrijheid geeft is de democratie.’

Alleen al de bijna argeloze beschrijving van deze cruciale waarden laat zien hoe diep de nu geopenbaarde crisis in onze democratische rechtsorde steekt. Niet de menselijke maat en de beginselen van behoorlijk bestuur en recht waren bij de bestrijding van toeslagfraude leidend, maar de resultaten, de targets van een bedrijfsmatig denkende en opererende overheid.

Rutte’s helden

Het schandaal onderstreept eens te meer de noodzaak dit denken op de schop te nemen, omdat het de overheid al gauw ziet als ‘een macht boven de samenleving’ – een perspectief waarvoor de liberale premier Cort van der Linden, een van Rutte’s helden, een eeuw geleden al krachtig waarschuwde. In het verlengde daarvan is de vraag acuut of in de organisatie van de overheid het middel van besturen niet een doel op zichzelf is geworden, waarbij het echte doel, de aandachtige zorg voor publieke belangen, uit het zicht raakt.

Ook Forster voorzag dit gevaar. ‘Soms verliest een goed bedoelende ambtenaar zijn hoofd uit naam van de efficiency en al gauw denkt hij dat hij God zelf is.’ Zijn hoeraatje voor openbare kritiek als tegenmacht is dan ook meer dan terecht gebleken. Vanwege dat belang geloofde hij in de pers, al had hij daar niet zo’n hoge pet van op, en in het parlement. ‘Het parlement wordt vaak bespot als een praathuis. Ik geloof er in omdat het een praathuis is.’

De volgende passage lijkt direct ontleend aan de rol van de Kamerleden Omtzigt en Leijten in het blootleggen van het schandaal: ‘Ik geloof in het individuele parlementslid dat het zich lastig maakt en ondanks hoon en terechtwijzing misstanden aan de kaak stelt die anders verborgen zouden blijven’.

Suffende bewindslieden

Forster dacht dat de kans daarop al te voortvarende ambtenaren behoedzaam zou maken, maar in het toeslagenbeleid kregen zij dankzij suffende bewindslieden, en door de Rutte-doctrine meer dan ooit afgeschermd van nieuwsgierige journalisten, Kamerleden en advocaten, alle ruimte hun gang te gaan.

De crisis kon ontstaan door het ontbreken van tegenmacht in alle geledingen van de staat, van de organisatie op het ministerie van financiën tot de bestuursrechters van de Raad van State. De crisis heeft zich verdiept door regelrechte tegenwerking van de controlerende machten. Forster zag het goed. In zijn dagen kwam het gevaar van buiten, de ‘soldatenlaars’ van autoritaire regimes, maar ook van binnen uit, door rot in de staat.

Het kabinet moet niet aftreden. Dat is te gemakkelijk. De diepte van deze crisis vergt dat het zich publiekelijk verantwoordt. Daarna kan de Tweede Kamer als het hoogste orgaan in onze democratie over zijn lot beslissen.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie. Lees ze hier terug.

Lees ook:  het toeslagendossier

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden