AnalyseParlementair voetvolk

Politiek commentator Lex Oomkes neemt afscheid: ‘De kiezer is zijn ankers kwijt’

Beeld Tom Janssen

Politiek commentator en columnist Lex Oomkes neemt na 35 jaar afscheid van Trouw. In zijn parlementaire jaren zag hij de klassieke volkspartijen verdwijnen, met fundamentele gevolgen voor de politiek. De kiezer is zijn ankers kwijt. Politici voeren een permanente campagne en verliezen hun hoofdtaak uit het oog: het maken en beoordelen van wetten.

Pieter Omtzigt is geen doorsnee Kamerlid. Om heel veel redenen. De Twentenaar trok zich niets aan van de nauwelijks verhulde boodschap dat zijn partij, het CDA, van hem af wilde toen hij een onverkiesbare plek kreeg op de kandidatenlijst. Hij zorgde in 2012 voor zijn eigen campagne en werd met voorkeursstemmen alsnog gekozen.

Omtzigt bereikte dat niet door de populaire jongen uit te hangen. Sterker nog, de man is uiterst vermoeiend. Door zijn consequente vasthoudendheid en door zijn geheel terecht gebleken neiging ervan uit te gaan dat de politieke pijn vaak zit in de details.

Een immer terugkerende kiespijn voor partij en kabinet, een zegen voor de Nederlandse politiek. In een van de vele debatten over de kinderopvangtoeslagen vroeg zijn PvdA-collega Henk Nijboer welke lessen de Kamer zelf diende te trekken uit die voor de politiek beschamende affaire. De Kamer, aldus Omtzigt, zou eens wat meer aandacht mogen besteden aan haar eigenlijke taak: het maken en beoordelen van wetgeving. “Dit is een Tweede Kamer die tweederde van zijn tijd doorbrengt met, als je links bent, wat op de voorpagina van de Volkskrant stond of, als je rechts bent, met de opening van De Telegraaf. Wetgeving heeft verregaande consequenties voor mensen. Hoe kunnen we er nu voor zorgen dat de Kamer wetgeving serieus neemt?”, aldus de ware woorden van kandidaat-lijsttrekker Omtzigt.

Staatssecretaris Menno Snel van Financiën in debat met Pieter omtzigt (CDA) tijdens het debat in de Tweede Kamer over het optreden van de Belastingdienst in de affaire rond kinderopvangtoeslagen. Snel zou uiteindelijk aftreden.Beeld Phil Nijhuis

Beleid is van secundair belang

In 35 jaar is het aanzien en wezen van de vaderlandse politiek drastisch veranderd. Omtzigt wijst op één aspect: de politiek is verworden tot een poging de politieke tegenstander vooral pootje te haken. Het beeld – hoe kom ik over op de kiezer – werd dominant. Beleid is van secundair belang, zoals Omtzigt terecht constateerde.

Hoe anders was dat eind 1985 toen Lubbers met zijn eerste kabinet een eerste versobering van de verzorgingsstaat doorvoerde. Hij werd fel bestreden door Joop den Uyl, die maar niet kon kiezen wie hij wilde aanwijzen als zijn opvolger als leider van de PvdA. De eerste golf individualisering was voorbij, maar de verzuiling was nog niet definitief van het toneel verdwenen.

Het belangrijkste en voor de politiek beslissende fenomeen: de volkspartij bloeide nog volop. Het CDA en de PvdA waren gezamenlijk goed voor tweederde van de zetels in het parlement, de VVD – immer de kleinste van de drie –had net een groeispurt achter de rug en schommelde in die jaren rond dertig zetels. Ter vergelijking: de VVD zal in maart bij de volgende Kamerverkiezingen een gat in de lucht springen als dertig zetels worden gehaald. De partij zal daarmee ongetwijfeld opnieuw de grootste worden.

Lex Oomkes.

Het verdwijnen van de volkspartij heeft fundamentele gevolgen gehad voor de politiek. De hierboven aangehaalde woorden van Omtzigt duiden op de permanente campagne die politiek bedrijven is geworden. Een vaste aanhang waar partijen bij de volgende verkiezingen in ieder geval op zouden kunnen rekenen, is verdwenen. Voor elke stem moet permanent, in het uiterste geval vier jaar, worden gestreden. De pet en de hoed trokken in het verleden gezamenlijk op binnen de partij. Dat gold met name voor de PvdA en voor de partijen die het CDA vormden. Nu zijn inkomen, opleidingsniveau en woonsituatie beslissender  voor het stemgedrag, bepalender dan vroeger het lidmaatschap van een specifiek kerkgenootschap. De gevolgen zijn verstrekkend. De politiek lijkt in vrijwel niets meer op de politiek van het midden van de jaren tachtig.

Het compromis

De parlementaire historici Joop van den Berg en Bert van den Braak rondden in 2017 een standaardwerk af. Het tweede deel van de parlementaire geschiedenis van Nederland kreeg als titel ‘Zeventig jaar zoeken naar het compromis’. Treffender kon een titel van een boek over de naoorlogse politieke geschiedenis niet zijn.

Het vertrouwde verzuilingsmodel van de jaren vijftig, dat in de jaren zestig al hevig wankelde, was eind 1985 nog bepaald niet verdwenen. Verkiezingen begonnen al sterke verschillen in uitslagen te vertonen, maar de grote partijen hielden stand. Elites konden elkaar in verkiezingen nog bestrijden om na die verkiezingen zaken te doen. Polarisatiestrategieën werkten niet, de drie volkspartijen wisselden elkaar aan de macht af. De grote verschillen vormden geen gevaar voor de uiteindelijke consensus.

Een consensus die, een aantal vrij marginale uitzonderingen aan de randen van het politieke spectrum daargelaten, niet ter discussie stond. Grote veranderingen als de in de jaren tachtig ingezette afslanking van de verzorgingsstaat, konden uiteindelijk ook bij links instemming vinden.

Paars, in de jaren negentig, bracht daar langzaam aan verandering in. Politieke elites en de samenleving gingen meer en meer met de rug naar elkaar staan. De politieke elites maakten zich zorgen over efficiency, de overheid diende lean en mean te worden met de grote bedrijven als voorbeeld, terwijl tegenstellingen in de maatschappij groter werden. De multiculturele samenleving werd voor de één een nastrevenswaardig doel, voor de ander een somber schrikbeeld.

Terwijl de volkspartijen een dergelijke tegenstelling tot in de jaren tachtig intern konden opvangen, leidde dat meer en meer tot vervreemding bij de ene groep en het krampachtig vasthouden aan de vertrouwde mechanismen bij de andere. Draagvlak voor het compromis werd minder in de partij voorgekookt en moest meer worden bevochten.

Uiteindelijk is het compromis na 35 jaar een tamelijk besmet begrip geworden. ‘Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg’ staat voor velen voorop.

Winnaar van de gemeenteraadsverkiezingen Pim Fortuyn (l) passeert de verliezende PvdA-fractievoorzitter Ad Melkert na het tv-debat in 2002. Beeld ANP

De kiezer

Tien jaar liberalisering onder Paars leverde Pim Fortuyn en, helaas, de moord op diezelfde Pim Fortuyn op. De eerste politieke moord (oorlog en bezetting daargelaten) sinds de gebroeders De Witt in 1672 werden gelyncht aan de Hofvijver, kan wat betekenis betreft niet worden overschat.

De kiezer sloeg, wellicht mede onder invloed van die moord, van zijn ankers. Een keuze voor één van de vroegere volkspartijen was soms mogelijk, maar uiteindelijk aanzienlijk minder zeker. De dames en heren moesten aan het werk, om het zo maar te zeggen.

De eerste tekenen dat er iets broeide waren al in de jaren tachtig zichtbaar, maar kwamen pas in 1994 volledig tot uiting. CDA en PvdA verloren bij de verkiezingen gezamenlijk 32 zetels. Niet meer dan zeven daarvan gingen naar die derde volkspartij, de VVD. Nieuwe splinterpartijen, met slechts één prominent programmapunt, kwamen op. En met de tragedie rond de ouderenpartijen als voorbeeld, verdwenen weer even snel.

De emancipatie van de burger, in de jaren zestig na de wederopbouw gestart, culmineerde in de vorming van Paars. Het CDA werd eindelijk van de macht uitgesloten. Het uitkomen van de droom van Hans van Mierlo betekende ook in het politieke stelsel het definitieve einde van de verzuiling.

De PvdA was door het oog van de naald gekropen, aldus een verbouwereerde Wim Kok op verkiezingsavond. Hij wist niet dat de naalden elkaar voor de partij steeds sneller zouden opvolgen tot er in 2017 geen gaatje meer was in de naald om door te kruipen.

Het radicaal tegenovergestelde van de volkspartij is nu schering en inslag in de politiek. Belangen worden niet meer verenigd in één partij, de pet en de hoed eendrachtig actief in de volkspartij. Ieder belang heeft nu zijn eigen politieke partij en dus zijn zetel(s) in de Kamer. Met niet noodzakelijkerwijs, maar helaas snel uitbrekende ruzies tussen politiek totaal onervaren mensen.

Premier Mark Rutte (R) omhelst PVV-leider Geert Wilders in maart 2012 terwijl ze kijken naar VVD-fractievoorzitter Stef Blok (R), CDA-Kamerlid Sybrand Haersma Buma (L) en CDA minister Maxime Verhagen in de tuin van het Catshuis tijdens de onderhandelingen over een bezuinigingspakket. Uiteindelijk zouden de onderhandelingen mislukken en zou het kabinet Rutte-I op 23 april vallen.Beeld ANP

Coalitievorming

Coalities van meerdere partijen zijn in de Nederlandse politiek niet ongewoon. Niet het aantal partijen dat nodig is om een kabinet te vormen dat steunt op een parlementaire meerderheid is bijzonder. Maar het is redelijk uniek dat ideologisch volstrekt tegengestelde partijen tot samenwerking worden gedwongen.

Het derde kabinet-Rutte is vooralsnog een soort sluitstuk van een periode van dertig jaar waarin alles in de politiek begon te schuiven. De kiezer is zijn ankers kwijt en oude zekerheden in de politiek verdwijnen.

De ChristenUnie en D66, twee ideologische uitersten in het politieke aanbod, verdienen respect voor hun bereidheid de samenwerking te zoeken. Het lijkt alsof het de twee partijen gaat lukken een volledige kabinetsperiode de tegenstellingen naar de achtergrond te schuiven.

Rutte zelf heeft ook laten zien dat verschillen overbrugbaar zijn. Want na het kabinet waar rechts zijn vingers bij zou aflikken, gebeurde het onwaarschijnlijke: Rutte kon even gemakkelijk samenwerken met Wilders’ PVV als met de PvdA van voormalig Greenpeace-activist Diederik Samsom.

Onwaarschijnlijke combinaties, louter en alleen om maar tot meerderheden te komen. Meerderheden die steeds verder afbrokkelen en bij dit kabinet net als bij het vorige kabinet na tussentijdse verkiezingen niet meer bestaan in de Eerste Kamer. Alles voor de ‘bestuurbaarheid van het land’, maar uiteindelijk leidend tot erosie in de geloofwaardigheid. De elites in het politieke midden zijn nog immer, net als in het midden van de jaren tachtig, gepreoccupeerd met samenwerking, terwijl in de samenleving de tegenstellingen toenemen.

Het polderen neemt toe. Het is niet gewaagd te veronderstellen dat zonder die oer-Nederlandse traditie ook de bij elkaar in het midden kruipende elites weinig meer tot stand zouden brengen. Vreemd genoeg beleefde de overlegeconomie haar hoogtepunt onder de meest liberale kabinetten van de jaren negentig. Van heinde en verre kwam men uit het buitenland om dat Nederlandse wonder te aanschouwen en ook nu valt er met werkgevers en werknemers nog goed zaken te doen.

Ook het gezag van de centrale organisaties van werkgevers en werknemers is tanende. De vakbeweging wordt uitgehold door een daling van ledenaantal en werkgevers laten zich minder gelegen liggen aan wat hun voormannen in Den Haag allemaal zeggen.

Een verkiezingsdebat in de TV-studio tussen de lijsttrekkers van de vier grootste partijen. Vlnr: Hans van Mierlo D66, Ed Nijpels VVD, Joop den Uyl PvdA en Ruud Lubbers CDA in 1986.

De leider (en het voetvolk)

Verkiezingen voor de Tweede Kamer waren medio jaren tachtig al verkapte verkiezingen van een minister-president. De PvdA schaamde zich daar in de jaren zeventig al niet meer voor met de leuze “Kies de minister-president”. Het CDA ging de verkiezingen van 1986 in met de kreet “Laat Lubbers zijn karwei afmaken”.

De schaamte om te zeggen dat je slechts kandidaat staat om minister of zelfs minister-president te worden is verdwenen. Elke kandidaat die zich voor het lijsttrekkerschap opwerpt, laat in de media vrolijk weten uiteraard voor ‘het hoogste’ te gaan. Dat was in de jaren tachtig al níet het lidmaatschap van de Kamer en ruim dertig jaar later al helemaal niet meer.

In de Kamer zit uiteindelijk (als je niet het ongeluk hebt tot de oppositie veroordeeld te zijn) het voetvolk. De parlementariër wordt geacht het regeerakkoord te bewaken en het kabinet tot het uiterste te verdedigen. Grote ego’s zijn er nog altijd in de politiek, maar individuele politici met een eigen gezicht veel minder. Pieter Omtzigt vormt hier een welkome uitzondering op. Elke partij heeft eigenlijk niet meer dan één gezicht: de Leider.

In de fractie van een volkspartij, zeker in partijen die het CDA vormden en de PvdA, zaten mensen die zich, liefst klassiek, in de avonduren hadden opgewerkt. Van arbeider tot Kamerlid. Bij voorkeur via een loopbaan in de vakbeweging.

Met enige overdrijving kan gesteld worden dat partijen tegenwoordig uit één klasse rekruteren. De doctorandussen bevolken het parlement, soms afgewisseld door een doctor of een ingenieur. De avondschool kent inmiddels geen ou­d-leerlingen meer in Den Haag.

Het parlement is daarin slechts een afspiegeling van de samenleving. Als dat kwalijke gevolg in de samenleving – groeiende tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen – de politiek maar bespaard blijft. De politiek zal aan die tegenstellingen de komende jaren juist een hele kluif hebben.

Lees ook: 

Politiek columnist Hans Goslinga: Onwaarheid is een middel geworden om de macht te veroveren

Politiek columnist Hans Goslinga is van de Amerikaanse school, van de feiten, niet van de meninkjes die in zijn ogen te veel het politieke debat domineren. Deze week verschijnt een bundeling van zijn columns die hij schreef voor deze krant.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden