ColumnHans Goslinga

Nederland is toch beter af met een erfelijke koning

In de jaren zestig van de vorige eeuw poogde een PvdA-voorman opflakkerend republikeins vuur in zijn partij uit te trappen met de waarschuwing voor ‘een republiek onder De Quay of Luns’. Vanwege dat als schrikbeeld bedoelde perspectief schreef hij in een vertrouwelijke brief aan partijgenoten dat hij dan toch de voorkeur gaf aan ‘een Nederland met een Juliana of Beatrix als staatshoofd’.

De aanleiding voor zijn brief was de wijze waarop kroonprinses Beatrix politiek Den Haag publiekelijk voor het blok had gezet. Ze zou met de Duitser Claus von Amsberg trouwen en Amsterdam moest de plaats van de huwelijksvoltrekking zijn. Gerard Nederhorst, de fractieleider van de PvdA, trok daaruit de conclusie dat zij ‘volledig vreemd stond tegenover de eisen die het koningschap stelt’ en dat het zaak was ‘haar eigenzinnigheid krachtig in te tomen’.

In de politieke rel die de brief veroorzaakte, kwam veel samen: de spanningen in de PvdA zelf, de steeds moeizamer verhouding tussen de sociaal-democraten en de KVP van de populaire Luns, het oplaaien van anti-Duitse sentimenten en de opkomst van een generatie die de oorlog nog een keer wilde overdoen en haar pijlen richtte op ‘het establishment’. De rel leverde ook een zeldzaam moment op waarop de republiek als alternatief voor onze monarchie in een gespannen sfeer op de deuren van het Binnenhof klopte.

De republikeinse geest is in Nederland altijd een marginale zaak gebleven. De poging van het in 2017 heropgerichte Republikeinse Genootschap via de rechter de vermeende macht van de koning verder in te perken, is vooral juridische spielerei; er zit geen politieke kracht achter. De parlementaire democratie kan goed samengaan met een koning die geen politieke macht heeft en in zijn optreden het belang van de natie als geheel verbeeldt.

De argumentatie voor deze constellatie heeft eigenlijk altijd een wat defensief karakter gehad. In zekere zin logisch, omdat de erfopvolging niet strookt met het gelijkheidsprincipe van de democratie en voorbijgaat aan persoonlijke verdiensten. De socialist Troelstra zei een eeuw terug dat erfelijkheid een goed criterium is bij stamboekvee, maar niet bij staatsambten. Daar had hij gelijk in, maar ook met een gekozen staatshoofd kun je een kat in de zak kopen en in het ongunstigste geval zelfs een machtswellusteling.

Het Republikeins genootschap meent dat wij in deze tijd ‘geen sprookjesfiguur nodig hebben als staatshoofd’. Nog daargelaten of koning Willem-Alexander zich zo manifesteert, is deze vraag van de staatsrechtgeleerde André Donner nog altijd relevant: vervang je met een verandering in republikeinse zin niet het ene ‘sprookje’ voor het andere, de illusie dat alle macht van het volk uitgaat. Hij hield die begoocheling voor gevaarlijker, omdat zij aanknoopt bij democratisch idealen en suggereert de werkelijkheid te benaderen.

De monarchie mist juist door haar ongerijmdheid elke aanspraak op adequate weergave van de werkelijkheid en leent zich daarom het minst voor misbruik en demagogie. Dit heldere inzicht maakt als vanzelf begrijpelijk dat het in constitutionele monarchieën vaak republikeinser toegaat dan in een republiek. Het Koninkrijk der Nederlanden is in wezen de Republiek van Oranje. De oudste moderne democratie ter wereld dreigt door een gekozen president die zich beroept op de volkswil ten onder te gaan. In India gebeurt iets soortgelijks.

In onze parlementaire democratie zijn ministers dienaren van de Kroon, wat wil zeggen dat hun optreden in dienst staat van het door het staatshoofd verbeelde geheel. Die notie voorkomt dat zij zich op ‘de wil van het volk’ beroepen en tegenstanders betitelen als ‘vijanden van het volk’. Daarom getuigt het van rigide denken de koning van zijn formele bevoegdheid te beroven wetten na parlementaire goedkeuring te contrasigneren. Hetzelfde geldt voor het pleidooi de koning uit de regering en de Raad van State te zetten, iets wat in de politiek ook D66 voorstaat. De ironie is dat je op deze manier niet de macht van de koning beperkt, maar van de koning weer een zelfstandige macht maakt.

Het ingenieuze van ons bestel, het huis van Thorbecke, is nu juist dat de onderscheiden machten elkaar zowel scherp houden als intomen. Niet de strikte scheiding is de essentie, maar het evenwicht. Dat alles gebeurt in naam van de koning wil dus in de grond zeggen: in naam van het geheel, de publieke zaak, de res publica.

Nederhorst doorzag dat destijds al scherp. Hij wilde onder geen beding een koningskwestie veroorzaken door zijn goedkeuring aan het huwelijk tussen Beatrix en Claus te onthouden. Zo’n kwestie zou een emotionele strijd in de natie losmaken, die zowel de verbindende rol van het staatshoofd als de parlementaire democratie zou schaden.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden