null Beeld Chuan Ming Ong
Beeld Chuan Ming Ong

AnalyseLangstzittende premier

Hoe Rutte Nederland in een premiersdemocratie veranderde

Nederland is met Mark Rutte een bijna volwaardige premiersdemocratie geworden. Dat gebeurde niet van de ene op de andere dag, maar een beetje sluipend sinds Ruud Lubbers het prieeltje aan de Hofvijver in de 4309 dagen van zijn bewind omtoverde tot het machtscentrum in de politiek.

Hans Goslinga

In de praktijk van onze parlementaire democratie is het zwaartepunt van de macht sterk naar de premier verschoven. Mark Rutte heeft de trekken van een regeringsleider gekregen, al zou je dat niet gauw zeggen als je hem op zijn fiets, appeltje in de hand, door Den Haag ziet rijden. In dat beeld schuilt in zekere zin het geheim van een langdurig premierschap.

Liberaal Rutte passeert op 2 augustus de christen-democraat Lubbers als langstzittende premier, een feit dat hij op zijn laatste persconferentie voor de zomer afvinkte als ‘een voetnoot’. Daarin verschilt hij niet van Lubbers, die er ook geringschattend over deed toen hij in de zomer van 1993 het record van Charles Ruijs de Beerenbrouck verbrak. Hij trakteerde zijn ministersploeg op een saucijzenbroodje bij de koffie, en dat was het.

Leiderschap naar Nederlands model

Het past bij het leiderschap naar Nederlands model je klein te maken, zeker op zulke momenten. Premiers die zich als persoon of gemeten naar politieke ambities groot maakten, zoals Abraham Kuyper, Willem Schermerhorn, Jo Cals en Joop den Uyl, was geen lang leven in het ambt beschoren. Willem Drees, die tien jaar premier was, liep van zijn huis aan de Beeklaan naar het ministerie van algemene zaken, toen nog gevestigd aan Plein 1813, een wandeling van ruim een half uur, en hij sloot tot ontsteltenis van zijn ambtenaren gewoon aan in de rij voor de Cineac op het Buitenhof als hij het Polygoon-nieuws wilde zien.

Lubbers karde in een aftandse vaalgele Renault 6 door Den Haag, wars van de glamour die twee VVD-Kamerleden in die dagen met hun knalrode Alfa Romeo’s Spider demonstreerden. Rutte pendelt tussen zijn huis in het Benoordenhout en het Torentje op zijn fiets. In onze egalitaire samenleving gaat de macht gekleed in alledaagsheid.

Rutte is de langstzittende premier

Op dinsdag 2 augustus, zit Mark Rutte 4310 dagen in het Torentje, waarmee hij Ruud Lubbers van de troon stoot als langstzittende premier van Nederland. In een serie van drie afleveringen staat Trouw stil bij dat politieke record. Twee weken geleden verscheen deel 1: hoe Rutte groeide als Europees leider. Vorige week blikten ervaren fractievoorzitters terug op Ruttes politieke loopbaan en in dit laatste deel komen de verschillen en overeenkomsten tussen Rutte en Lubbers aan bod.

Maar de schijn kan bedriegen, want gaandeweg is de premier de spilfiguur geworden, de spin in het web van de Haagse binnenwereld, het gezicht van het kabinet voor de buitenwereld. Joop den Uyl gaf hiertoe de aanzet door in 1977, na zijn eerste kabinet, campagne te voeren onder de leus ‘Kies de minister-president’. Dat bleek lucratief, al verprutste hij de formatie, doordat zijn partij, de PvdA, zich politiek te groot maakte.

Het CDA pakte in 1986, na het eerste kabinet-Lubbers, met meer succes de draad weer op: ‘Laat Lubbers zijn karwei afmaken’. Ook dat leverde een klinkend resultaat op, en opnieuw regeermacht. De machtsstrijd bleek aansprekend. In 1989 was de succesvolle campagneleus van het CDA dan ook ‘Verder met Lubbers’.

De democratische legitimatie neemt af, de macht van de premier neemt toe

Sindsdien domineert de strijd om de sleutel van het Torentje de verkiezingen van de Tweede Kamer en mengen zich daarin door de fragmentatie steeds meer kandidaten. Als de leider van de grootste partij de sleutel de goede kant uitdraait, wordt hij premier, ook nu de grootste partij vaak de minst kleine is.

Rutte werd in 2010 voor het eerst premier met slechts 31 VVD-zetels in de Kamer. Hier doet zich een opmerkelijke beweging voor: de democratische legitimatie neemt af, de macht van de premier neemt toe. Het parlement zet zich als tegenmacht bij voorbaat op achterstand en laat in de formatie zelfs het ondoorzichtige machtsspel begaan.

Onder het eerste kabinet-Lubbers deed het inmiddels omstreden Torentjesoverleg zijn intrede, het wekelijkse beraad van de coalitietop om de horloges gelijk te zetten. Tezamen met de byzantijnse regeerakkoorden bracht dit de premier bijna als vanzelf in een spilpositie. Onder Wim Kok was het Torentje al zo’n machtsbolwerk, dat de toenmalige oppositieleider Enneüs Heerma, op de bevroren Hofvijver baantjes trekkend onder het raam van Kok, journalisten toeriep: ‘Ik rijd er zeven keer omheen en dan zie ik wel wat er gebeurt’.

Duitsland ontwikkelde zich na de oorlog al meteen tot een ‘kanseliersdemocratie’. Dat lag aan de machtspositie van de CDU, het gezag, Konrad Adenauer, de eerste kanselier die liefkozend Der Alte werd genoemd, maar ook aan diens grondwettelijke positie. Hij beschikte ook over sterke bevoegdheden, zoals het aanstellen en ontslaan van ministers, het geven van aanwijzingen en het bepalen van de kabinetsagenda.

Zijn ambtgenoot in Nederland, de sociaal-democraat Willem Drees, tien jaar jonger maar net als Adenauer een vaderfiguur, had die bevoegdheden allemaal niet. Pas sinds 2006 kan onze premier uit eigen beweging zaken op de agenda zetten. Dat Drees het toch zo lang volhield en hét gezicht werd van de opbouw van de sociale welvaartsstaat, lag aan zijn besef dat in ons veelstromenland samenwerking is geboden.

Ruud Lubbers karde in een aftandse vaalgele Renault 6 door Den Haag. Beeld Beeldbank Nationaal Archief
Ruud Lubbers karde in een aftandse vaalgele Renault 6 door Den Haag.Beeld Beeldbank Nationaal Archief

Het compromis als hoeksteen van een geslaagd premierschap

De premiers Cort van der Linden, Charles Ruijs de Beerenbrouck en Hendrik Colijn hadden voor de oorlog al laten zien dat het compromis de hoeksteen is van een geslaagd premierschap. Drees zette die lijn voort. In de jaren zestig en zeventig ontstonden er breuken door grote veranderingen in de samenleving (ontzuiling, welvaartsgroei, individualisering) en politieke polarisatie. De natie zag in die korte periode negen premiers komen en gaan. Je kunt het patroon vanaf Lubbers ook zo zien: de premier als stabiele factor in een land waar de geest van de Hoekse en Kabeljauwse twisten nooit helemaal is geweken.

In dat perspectief is het niet onlogisch dat Rutte in de woelige politiek van deze eeuw de marges van zijn positie heeft verruimd. De kanseliersdemocratie bij de buren was een reactie op het echec van de Weimar-democratie (1919-1932), die aan fragmentatie en zwakke coalities ten onder ging. Tijdens de pandemie versterkte Rutte de zelfstandige positie van de premier met het aantrekken van een lid van een oppositiepartij (Van Rijn, PvdA) als vervanger van de overspannen minister Bruins en met het ontslag van de dissidente staatssecretaris Mona Keijzer (CDA).

Bovenpartijdig toonde hij zich ook in twee televisietoespraken tot de natie, een instrument dat uiterst zelden uit de kast is getrokken. Kok deinsde er bij het uitbreken van de Kosovo-oorlog in 1999 welbewust voor terug. In zijn ogen paste het niet in de Nederlandse verhoudingen.

Bij Rutte zit de essentie niet in harde bevoegdheden, maar net als bij Drees in de bereidheid tot samenwerking met anderen, ook als die zich aan de randen van het krachtenveld bevinden, zoals de PVV en de SGP. Hij wil een dealmaker zijn à la de Amerikaanse president Lyndon Johnson. Net als Lubbers ideologisch niet te uitgesproken, zodat hij er ook niet op kan worden aangesproken. In de Kamer zei hij twee jaar terug: ‘Als liberaal gaat het mij meer om de reis dan om het eindpunt’. Lubbers zei: ‘We zijn samen onderweg’.

Een verbrokkelend politiek landschap

De Britse liberale politicus Herbert Asquith, premier van het Verenigd Koninkrijk tussen 1908 en 1916, liet de les na dat het premierschap is wat de bekleder van het ambt ‘verkiest en ervan weet te maken’. Die notie geeft aan dat de positie van de premier niet in constitutioneel betonijzer is gevlochten, ook niet bij ons. Er zijn altijd marges.

Rutte heeft daarvan meer gebruik gemaakt dan Lubbers, noodgedwongen ook, omdat hij feitelijk minderheidskabinetten leidde en in een verbrokkelend politiek landschap moet opereren. ‘Voor de premier valt er meer te coördineren naarmate de kiezers meer gaan zweven’, zei hij in 2016 in zijn Thorbeckelezing.

Bovendien heeft hij te maken gekregen met anti-democratische partijen, die ook hier het spook van Weimar hebben wakker geroepen. In dat perspectief kun je de positie van Rutte vergelijken met die van Colijn in de jaren dertig: een strategische buffer tegen krachten die macht boven recht stellen. Dat is geen onbelangrijke notie nu in de westerse wereld de democratie zelf inzet is geworden van een existentiële strijd en opeenvolgende crises het oplossend vermogen van de overheid onder druk zetten, een zware wissel trekkend op het vertrouwen van burger.

Des te pijnlijker is het dat Rutte twee affaires meesleept (toeslagen, Groningen), waarin de macht van de overheid zelf is ontspoord, principes van het recht met voeten zijn getreden en tienduizenden burgers zijn vermorzeld. Rutte heeft deze schandalen politiek overleefd dankzij zijn onbedreigde machtspositie. ‘Ik voel dat ik langzamerhand halverwege ben’, zei hij begin juli, de vraag wegspelend of hij nog de aangewezen figuur is de boel bij elkaar te houden in een samenleving waarin de spanningen oplopen.

Rutte regeert thans met twee vicepremiers, Kaag (D66) en Hoekstra (CDA), die vorig jaar nog een motie van afkeuring tegen hem indienden, maar geen verweer hadden tegen zijn machiavellistische overlevingskunsten. De keerzijde van zijn machtspositie is dat hij wordt aangesproken op alles wat er fout gaat. Hij kan niet zo gemakkelijk meer terugkruipen in de schulp van zijn strikt formele positie, een manier van kleinmaken waartoe Drees, Lubbers en Kok in gevoelige kwesties nog wel eens hun toevlucht namen. ‘Ik ben geen superminister’, zei Kok tijdens de enquête naar de Bijlmerramp.

Ook Wim Kok stapte wel eens op de fiets, hier, in 1997, toegejuicht door andere premiers tijdens een Europese top in Amsterdam.  Beeld AP
Ook Wim Kok stapte wel eens op de fiets, hier, in 1997, toegejuicht door andere premiers tijdens een Europese top in Amsterdam.Beeld AP

‘Je krijgt alleen op je bord wat een beetje is aangebrand’.

In onze dagen doet zich de wonderbaarlijke paradox voor dat de pogingen Rutte een kopje kleiner te maken, hem meer een superminister maken. Dit fenomeen openbaart zich in een nieuw begrip dat in Den Haag opgang maakt: de eindverantwoordelijkheid van de premier. Rutte neemt het zelf nogal eens in de mond, maar ook de oppositie roept hem op die titel om de haverklap naar de Tweede Kamer en anders komt uit de samenleving wel de oproep aan hem in brandende kwesties de leiding te nemen. De vakministers zijn groter in getal dan ooit, maar in de slagschaduw van de premier bijna onzichtbaar.

De verschuiving die zich hier voordoet, is meer dan marginaal. Alsof de Romeinse dichter Ovidius het script schreef, ondergaat de premier onder het oog van de natie een metamorfose. Van voorzitter van de ministerraad, de primus inter pares die waakt over de eenheid van het beleid en besluiten afhamert op basis van collegiaal bestuur, tot full swing regeringsleider of, zoals Rutte zelf vaststelde, ‘minister van alle zaken’. Vergelijk dat eens met Piet de Jong, die zei dat je als premier ‘alleen op je bord krijgt wat een beetje is aangebrand’.

Macht wordt niet alleen bepaald door de eigen kracht, maar ook door de zwakte van anderen. In zijn eigen partij, noch in de wijdere omgeving dient zich een sterk en vertrouwenwekkend alternatief aan. Daarbij komt de ervaring dat als een premier vertrekt, diens partij een duizelingwekkende val in de kiezersgunst maakt. Het CDA verloor na Lubbers twintig zetels, de PvdA na Kok 22 zetels en het CDA na Balkenende twintig zetels. De natie raakt als het ware even gedesoriënteerd als de stoel van de macht ineens leeg is.

Er zijn overwegingen genoeg die pleiten voor een terugtreden van Rutte, maar hij wekt zelf de indruk van geen ophouden te weten. Lubbers trad aan met de waarschuwing van Marga Klompé, in die dagen een grand old lady: ‘Ruud, pas op, op de dag dat je begint, slaat het bederf toe’. Naderhand zei Lubbers in zijn memoires: ‘Het bederf kwam niet, het isolement wel. Door je eenzaamheid ga je dingen minder goed zien’.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden