ColumnHans Goslinga

Een sterke Tweede Kamer kan een dam zijn tegen het wantrouwen

Het is niet waarschijnlijk dat het Kamerlid Pieter Omtzigt alleen de geschiedenis zal ingaan als de ‘running mate’ van CDA-lijsttrekker Hugo de Jonge. Het is ook niet te hopen.

In het Amerikaanse bestel wordt de running mate van een presidentskandidaat in het gunstigste geval vicepresident en daarmee voorzitter van de Senaat. Dat lijkt mooi en kan als eervol worden beschouwd, maar Thomas Marshall, die een eeuw geleden vice­president was onder Woodrow Wilson, vertelde graag dit verhaal: “Er waren eens twee broers. De een ging naar zee, de ander werd vicepresident. Van beiden is nooit meer iets vernomen.”

Dat was nog gezonde zelfspot. Dodelijk was de reactie van oud-president Eisenhower op de vraag wat zijn vice­president Nixon aan ideeën had ingebracht tijdens zijn bewind. “Als je me week geeft”, zei Eisenhower, “herinner ik me er misschien een.” Beide anekdotes stonden deze week in de column van Gail Collins in The New York Times.

De politieke betekenis van de running mate is van louter strategische aard in verkiezingstijd, al speelt bij de keuze van de bijna 78-jarige Democratische presidentskandidaat Joe Biden voor Kamala Harris wellicht mee dat de vicepresident ‘maar één ademtocht is verwijderd’ van het hoogste ambt, zoals de eerste vicepresident John Adams het uitdrukte.

In het geval van Omtzigt diende de vondst om hem en zijn verrassend grote aanhang binnenboord te houden. De titel stelt hier op zich niets voor. Het leentjebuur spelen in het Amerikaanse bestel versterkt wel opnieuw de verkeerde indruk dat de inzet van onze verkiezingen voor de Tweede Kamer het Torentje is. Niet de controle van de macht, maar de macht, hoe relatief ook de macht van onze premier is vergeleken met die van de Amerikaanse president. Nu kun je zeggen dat het na een praktijk die in de laatste halve eeuw is gegroeid, geen zin meer heeft de schijn van het tegendeel op te houden.

Maar in dat geval moet je ook de gevolgen op de koop toe nemen, dus accepteren dat het premierschap in ons bestel dominant is, de regerende partijen in de Tweede Kamer weinig meer zijn dan diens claque, de oppositie louter voor spek-en-bonen meedoet en het ambtelijk apparaat, bevangen door het machtsdenken, zich meer en meer gedraagt als een oester.

Samen met de oppositie

De betekenis van Pieter Omtzigt is nu juist dat hij de Tweede Kamer opnieuw bewust heeft gemaakt van haar zelfstandige positie als controleur van de macht en, niet minder belangrijk in tijden van groeiend wantrouwen, als herkenbare representant van de burgers, die ook echt voor de burgers opkomt. Bovendien heeft hij door de samenwerking met het SP-Kamerlid Leijten in de toeslagenkwestie laten zien dat de oppositie niet is veroordeeld tot louter stampvoeten.

Dat laatste is van cruciaal belang voor de toekomst van onze democratie, omdat de basis daarvan is dat je het eens bent over de feiten en over wat, in de woorden van de liberaal Thorbecke, ‘waar, goed en rechtvaardig’ is. Die basis dreigt te worden opgebroken door de opkomende identiteitspolitiek, verspreiding van nepnieuws en een polarisatie die kan ontaarden in een stammenstrijd.

Een van de oorzaken is de zware nadruk op de macht, die een verkrampend effect heeft op het ontwikkelen van gezonde tegenmacht en als vanzelf ongezonde tegenmacht uitlokt in de vorm van een populisme dat de instituties van de democratie en rechtstaat belachelijk maakt. De politici zelf verzwaren het accent op de macht door van de Kamerverkiezingen een strijd om het Torentje te maken, sinds de kabinetten-Lubbers het symbool van de macht. In dat perspectief is Omtzigt geen tegenspeler meer, maar een meeloper, zoals je de term running mate zou kunnen vertalen.

De denkfout die in Den Haag een olievlekwerking heeft gekregen, is dat tegenmacht hindermacht is en Omtzigt dus een lastige jongen. Dat zal best, maar dat moet ook. In artikel 50 van onze Grondwet is vastgelegd dat de Staten-Generaal ‘het gehele Nederlandse volk vertegenwoordigen’. Dat is geen oproep tot een stammenstrijd, maar juist een dwingende uitnodiging aan Kamerleden om het algemeen belang te dienen. In de toeslagenkwestie is dat voor Omtzigt, zei hij gisteren in deze krant, het herstel van de rechtsstaat. Dus niet primair het enge partij- of coalitiebelang.

Dat is een dringend gewenste verbreding van het perspectief, omdat het parlement zich als schakel tussen de uitvoerende macht en de burgers te veel ruimte heeft laten afpakken. Zozeer dat de regering een loopje neemt met de informatieplicht aan de Kamers. Omtzigt voelt zich in de toeslagenkwestie zelfs ‘constant tegengewerkt’.

De regering hoeft geen informatie te verstrekken die in strijd is met het belang van de staat. Maar deze houding is in strijd met het belang van de parlementaire democratie.

 Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie. Lees ze hier terug.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden