Links-populisme

Een requiem voor het links-populisme. Waar ging het toch mis?

Beeld Hedy Tjin

Tien jaar lang leek links het politieke initiatief voor het grijpen te hebben. Maar nu ook Jeremy Corbyn en Bernie Sanders uitgerangeerd zijn, is het tijd voor zelfonderzoek. Waar liep het mis?

Zelden leek de westerse wereld zo rijp voor een links politiek reveil als tien jaar geleden. De kredietcrisis van 2008 had genadeloos de limieten van dertig jaar deregulering blootgelegd. Banken bleken helemaal niet om te kunnen gaan met de vrijheid die ze van liberaliserende politici hadden gekregen; hun risicovolle gespeculeer bracht de wereldeconomie in crisis. Zelfs Alan Greenspan, de oud-directeur van de Amerikaanse federale bank, die decennia met het werk van kapitalistisch profeet Ayn Rand onder zijn kussen had geslapen, moest tijdens een hoorzitting in het Amerikaanse Congres zichtbaar aangeslagen toegeven dat zijn geloof in de vrije markt een flinke knauw had gekregen.

En toch: zelden moesten linkse politici zo machteloos vanaf de zijlijn toekijken als de afgelopen tien jaar. 

De meeste regeringen besloten de crisis te bestrijden met beproefde recepten uit het neoliberale kookboek: bezuinigingen en begrotingsdiscipline. Rond 2011 vulden de pleinen van Noord-Amerika en van Europa zich dan ook met allerlei linksige protestbewegingen die zich tegen ongelijkheid en bezuinigingen keerden. Occupy, dat in de VS begon, was de bekendste, maar ook in Spanje timmerden de Indignados aan een nieuw politiek bewustzijn. De los georganiseerde straatprotesten waren het startschot voor een generatie nieuwe partijen en politici, die vaak ‘links-populistisch’ worden genoemd. 

Maar inmiddels kun je concluderen: nergens wisten die hun belofte echt waar te maken. In Griekenland won Syriza weliswaar een verkiezing, maar de belofte om een radicaal andere economische koers te gaan varen strandde op een gesloten Europees front, waarna de partij de regeringsmacht verloor. In Frankrijk lijkt het momentum van het linkse  La France Insoumise alweer verlopen. In Spanje zit Podemos weliswaar in de regering, maar dan toch als junior-partner van de sociaal-democraten, die haar ambities voor een economische omwenteling heeft moeten opgeven.

De afgelopen maanden strandden ook de laatste twee leiders die de linkse hoop van de jaren tien vertegenwoordigden. Jeremy Corbyn verstrikte zichzelf in de brexit, en de linkse dadendrang van Bernie Sanders bleek toch een stap te ver voor de Verenigde Staten.

Jeremy Corbyn tijdens een debat over de coronacrisis in het Britse Lagerhuis.Beeld Reuters

Sindsdien gonst het in linkse kringen: wat ging er mis? Anton Jäger, een Belgische historicus die aan de Universiteit van Cambridge zojuist zijn dissertatie over het klassieke Amerikaanse populisme inleverde, is in socialistische bladen als Jacobin een bekende stem in zulke discussies. “Ik zou me als kritisch sympathisant van het links-populisme omschrijven, als een naar links neigende sociaal-democraat die ook heel nieuwsgierig is naar wat er elders op het spectrum gebeurt. Ik vind dat het links-populisme de laatste tien jaar de juiste vragen heeft gesteld, maar misschien niet de juiste antwoorden heeft gegeven.” In een veel gedeeld artikel concludeerde hij onlangs dat dat het links-populisme ‘enerzijds te links en anderzijds te populistisch’ is geweest om echt een factor van betekenis te kunnen worden. Dat klinkt op het eerste gehoor als een flauw woordspelletje, en je zou kunnen denken dat Jäger een terugkeer naar de tamme sociaal-democratie van de jaren negentig bepleit. Maar dat doet hij juist niet, dus het vergt enige uitleg.

Volk en elite

Waar hebben we het eigenlijk over als we over links-populisme spreken? Allereerst is het een strategie om mensen te mobiliseren, volgens Jäger. Vroeger was het simpel: links was er voor de arbeidersklasse, rechts voor het kapitaal. Maar dat schema is gecompliceerder geworden. Na de crisis van 2008 probeerden linkse partijen dus de traditionele arbeidersklasse in een coalitie te verenigen met allerlei andere groepen die zich benadeeld voelen: flexwerkers, feministen, immigranten, milieubeweging. Zulke soms uiteenlopende belangen worden samengesmeed met een populistisch beroep op een tegenstelling tussen volk en elite. Jäger: “Slogans als ‘Wij zijn de 99 procent’, dat is retorisch een verschil met klassiek linkse politiek.”

Daarnaast was het links-populisme een antwoord op het afkalven van allerlei traditionele instituten, zoals vakbonden en massapartijen. “Het links-populisme beweegt zich in een medialandschap dat heel anders is dan dertig jaar geleden, en omdat het geen beroep kan doen op de klassieke massa-organisaties, is het heel digitaal geënt. Als je ziet hoe rechts-populisten dat doen, Wilders en Baudet bijvoorbeeld: je hoeft eigenlijk geen massabasis meer te bouwen, je kunt met kleine verkiezingsvehikels en een actieve aanwezigheid op internet politiek al veel verwezenlijken.”

Versplinterd politiek bestel

Maar dat is ook een zwakte. Want rechts-populisten willen vooral een nationale identiteit benadrukken. En het verplicht zingen van het volkslied ‘kost heel weinig’, grapt Jäger, vergeleken bij de economische hervormingen die linkse partijen voor ogen stonden. “Als je echt een ambitieuze anti-bezuinigingspolitiek wil voeren, kan je dat alleen doorzetten als je genoeg kracht in de samenleving hebt opgebouwd, en daar druk kunt organiseren.” Daar heb je bijvoorbeeld vakbonden bij nodig. In die zin was het links-populisme ‘te populistisch’ om echt veel voor elkaar te krijgen.

Daarnaast slaagde het links-populisme er toch niet in om echt veel nieuwe kiezers voor zich te winnen, in een tijd dat het politieke bestel versplinterd raakte, en allerlei burgers politiek ontheemd raakten. Zulke potentiële nieuwe kiezers werden afgeschrikt door een socialistische oudgediende als Jeremy Corbyn of door Podemos, dat heel nadrukkelijk in de communistische traditie wortelde. In die zin was het links-populisme volgens Jäger ‘te links’. Terwijl er volgens hem wel degelijk meer kiezers te winnen waren geweest voor een programma dat economisch gezien een echte ruk naar links maakt, en dat afstand neemt van privatiseringen en bezuinigingen.

Want ja, daarvoor is wel degelijk een groot electoraat te vinden, zegt ook Sheri Berman, een Amerikaanse hoogleraar politicologie aan Columbia University, gespecialiseerd in linkse partijen in Europa. Naast haar wetenschappelijke werk publiceert ze ook veel opiniërende bijdrages over linkse politiek. De Amerikaanse omschrijft zichzelf als een ‘Europese sociaal-democraat’, al is ook zij kritisch op de technocratische centrumkoers die de meeste sociaal-democratische partijen vanaf de jaren negentig gingen varen.

Ook nu lijkt de pendule weer die kant op te zwaaien. In het Verenigd Koninkrijk moest Corbyn plaatsmaken voor Keir Starmer, die vaak als politieke erfgenaam van Tony Blair wordt gezien. En Joe Biden, die nu bij de Amerikaanse Democraten de kar moet trekken is volgens Berman de ‘technocratische middenpoliticus par excellence’, al tekent ze daarbij aan dat hij dat, onder druk van Bernie Sanders, wel doet met het meest linkse verkiezingsprogramma dat Amerika sinds de Tweede Wereldoorlog heeft gezien.

Waar moet je dan de kiezers vinden?

De conclusie dat links economisch meer naar het midden zou moeten opschuiven om weer kiezers te vinden, is in ieder geval precies de verkeerde, zegt Sherman, als ze haar kiezersdata erbij haalt. “Vanuit een strategisch perspectief is het moeilijk om je een gerevitaliseerd, politiek krachtdadig links voor te stellen zonder een uitgesproken linkse economische agenda. Dat is een voorwaarde, het is niet voldoende. Maar anders snap ik niet waar je je kiezers zou moeten vinden.”

Waar hielden die kiezers zich dan de afgelopen tien jaar verborgen? Ten eerste moet het failliet van de nieuwe linkse politiek ook weer niet overdreven worden. Syriza verloor de regeringsmacht, maar haalde nog steeds heel veel stemmen. En dat het met Corbyn en Sanders niet lukte, zo benadrukt Sherman, had ook iets te maken met hun persoonlijke tekortkomingen: Corbyn die zich geen raad wist met brexit, Sanders die moeilijk compromissen kon sluiten. “Als je enquêtegegevens van na de verkiezingen bestudeert, is het heel duidelijk dat er veel steun was voor het verlaten van de bezuinigingspolitiek waar de Conservatieven mee geassocieerd werden, en voor het opnieuw nationaliseren van nutsbedrijven. Maar men vertrouwde dat Corbyn niet toe.”

De achilleshiel

Er speelt bovendien nog iets anders, volgens Berman. Ook veel rechts-populisten hebben op economisch gebied koers naar het midden gezet. Jean-Marie Le Pen, de vroege leider van het Franse Front National, was economisch gezien nog een uitgesproken bewonderaar van Thatcher, zijn dochter en opvolger Marine werpt zich op als verdediger van de verzorgingsstaat. Berman wil het zeker niet links noemen – “Het is vaak een chauvinistische verdediging, die ook veel groepen uitsluit” – maar voor de gemiddelde kiezer die zich zorgen maakt over zijn huur of baan is het verschil moeilijker te zien. En waar economische verschillen tussen partijen kleiner worden, worden culturele verschillen automatisch bepalender, en gaan de meest verhitte discussies ineens over immigratie, de EU en genderkwesties.

Daar zit de achilleshiel van de links-populistische coalitie, ziet ook Jäger. Want de economische belangen van de traditionele arbeidersklasse in de perifere gebieden en de precaire middenklasse en de arbeidsmigranten in de steden zijn misschien grotendeels te verenigen. “Maar cultureel komen die twee groepen moeilijker overeen.” Je zag het bij de afgelopen verkiezingen: Labour verloor de perifere gebieden in het noorden, waar het ooit onaantastbaar was, en werd de partij van een stedelijke coalitie. “Kinderen van de professionele kaste, kinderen van immigranten uit het Britse rijk, die hebben een fundamenteel andere verhouding tot globalisering. Het zijn mensen die hoge huren betalen, loonstagnatie meemaken, maar die ook erg gehecht zijn aan de mogelijkheden die de EU hen heeft geboden.”

Diezelfde politieke tweedeling tussen de geglobaliseerde steden en de periferie zie je overal in de westerse wereld. Maar een coalitie die alleen maar rust op kiezers in de steden kan nooit een solide basis vormen voor een linkse politiek. Zelfs als je daarmee een meerderheid bij de verkiezingen zou behalen, moet je programma breder gedragen worden, zegt Jäger. “Dus je moet het bruter economisch spelen.”

De episode van het links-populisme begon met een crisis, en lijkt ook weer te eindigen in een crisis. Hoe de wereld er over een paar maanden uitziet, is ongewis. Maar één ding is wel opvallend: bij het bestrijden van de coronacrisis bleek de neoliberale consensus van bezuinigen en privatiseren ineens afgebrokkeld: ook rechtse regeringen steken zich nu in de schulden met enorme steunpakketten voor burgers, de EU liet de begrotingsregels varen, en in het Verenigd Koninkrijk nationaliseerde de conservatieve regering zelfs de spoorwegen. Bitterzoet stelt Jäger vast: terwijl het linkse partijen in tien jaar politieke strijd niet lukte om het neoliberalisme de genadeklap te geven, krijgt een virus dat in een maand voor elkaar.

Verward reageren

Jäger ziet dat linkse stemmen in het VK verward reageren op die nieuwe realiteit. “Jij hebt eigenlijk vijf jaar gevraagd dat de staat meer geld zou uitgeven, zou instaan voor de sociale zekerheid van de bevolking, en dan begint rechts dat ineens te doen. Dat wordt de komende tijd een belangrijke vraag voor linkse partijen: waarin verschilt wat wij willen van wat een rechtse regering nu doet?”

Eerst zien, dan geloven, zegt Sheri Berman. “Ik kan me de krantenkoppen uit 2008 en 2009 nog herinneren: het neoliberalisme is dood, het tijdperk van de vrije markten is voorbij, het failliet van privatiseringen… Maar wat kregen we? We kregen gewoon weer datzelfde bezuinigingsbeleid. En als Trump straks herkozen wordt, kan je er 100 procent zeker van zijn dat dit allemaal weer teruggedraaid wordt.”

En zoals het te vroeg is om het neoliberalisme af te schrijven, wil Sherman dat dus ook nog niet met linkse politiek doen. Ze somt op: “De ongelijkheid is angstaanjagend hoog, sociale mobiliteit is belachelijk laag, je gezondheid wordt meer dan ooit bepaald door je economische status… De vorm die linkse politiek de komende jaren zal krijgen, is ongewis. Maar het verlangen naar een eerlijker en gelijker samenleving blijft natuurlijk bestaan.”

Lees ook:

Het kapitalisme is hopeloos geflopt

Interview | Na Thomas Piketty heeft links een nieuwe spreekbuis. De Britse journalist Paul Mason krijgt veel gehoor met zijn plan voor een post-kapitalistische maatschappij. In zijn toekomst is automatisering juist deel van de oplossing.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden