Voorpublicatie

Een interview met Adolf Hitler uit 1933: ‘Hoe beoordeelt u uw anti­semitische beleid?’

Beeld Hollandse Hoogte / Sueddeutsche Zeitung Photo

Sinds begin 1933 stond Adolf Hitler aan het roer in Duitsland. Journalisten stonden te trappelen om hem te bevragen over wat hij wilde – ook als dat al bleek uit de praktijk. Anne O’Hare McCormick interviewde de Führer op 10 juli 1933 voor The New York Times. Dit is een voorpublicatie uit de bundeling van vooroorlogse interviews met Adolf Hitler, die komende week verschijnt.

Vier maanden na de Rijksdagbrand is de Gleichschaltung (‘gelijkschakeling’) die Hitler heeft beloofd goed op pad. Sinds de Machtigingswet die de Rijksdag op 23 maart 1933 goedkeurt, verzet geen enkele bij wet ingestelde instantie zich nog tegen zijn macht. Er is alleen nog de – vooral theoretische – weerstand van president Von Hindenburg, wiens gezondheid met de dag verslechtert. Op 31 maart wordt de federale structuur van de Duitse staat opgeheven ten gunste van een streng gecentraliseerde reorganisatie, waarbij de beginselen van het Ermächtigungs­gesetz worden toegepast op de deelstaten. Op 7 april wordt de Berufsbeamtengesetz aangenomen, die het de regering mogelijk maakt Joodse of het regime vijandig gezinde ambtenaren de laan uit te sturen.

Op 2 mei ten slotte krijgen de vakbonden de keuze: of ze worden verboden, of ze treden toe tot het Arbeidsfront, dat is opgericht ter vervanging van de Duitse vakbondsfederatie ADGB. Tegelijkertijd wordt het repressieve apparaat gestroomlijnd met de oprichting van de Gestapo (Geheime Staatspolizei) onder leiding van Göring (in 1936 komt Himmler aan het hoofd te staan van alle politiediensten), en met de bouw van de eerste concentratiekampen.

Het nazistische bouwwerk bereikt op 14 juli zijn voltooiing met de invoering van het eenpartijstelsel onder de NSDAP, terwijl alle bestaande jongerenorganisaties opgaan in de Hitlerjugend en paramilitaire bewegingen deel gaan uitmaken van de SA of SS. Vijf dagen voordien, op zondag 9 juli, ontvangt Hitler, die dat weekend bij wijze van uitzondering in Berlijn is, de Amerikaanse journaliste Anne O’Hare McCormick van The New York Times in zijn privévertrekken in de kanselarij. De journaliste die in 1937 een Pulitzerprijs zal winnen, heeft een interviewaanvraag ingediend omdat ze de balans wil opmaken van het eerste halfjaar waarin de nationaal-socialistische beweging aan het bewind is. Die dag zal ze worden verwelkomd door een opperbest gehumeurde Hitler. De dictator kan namelijk goede economische statistieken voorleggen.

Beeld Hollandse Hoogte / Sueddeutsche Zeitung Photo

Zo zijn alleen al in de voorafgaande maand (juni 1933) 126.000 werklozen weer aan de slag geraakt. De eerste vraag van de journaliste betreft echter de internationale actualiteit, want ze wil graag de mening van de Führer horen over Franklin Roosevelt, die drie maanden eerder het Witte Huis heeft betrokken. De nieuwe president heeft onlangs Frankrijk en Groot-Brittannië in de kou laten staan, die op de Conferentie in Londen hebben gepleit voor herinvoering van vaste wisselkoersen.

Roosevelt is volstrekt tevreden met een zwakke dollar, want hij is naarstig op zoek naar nieuwe exportmogelijkheden voor de industrie, gestimuleerd door zijn New Deal.

‘Zijn ogen zijn zachtblauw (...) een blauw dat je alleen bij heel jonge kinderen ziet’, zo noteerde de Franse journalist Robert Chenevier in 1938 in zijn vraaggesprek met Adolf Hitler.

Hitler zag journalisten als voertuigen van zijn propaganda. De Duitse pers had hij al snel ‘gelijkgeschakeld’. De buitenlandse journalisten die hem mochten interviewen, maakten het hem ook niet te moeilijk, zo maakt de samensteller van ‘De vergeten gesprekken met Hitler’ duidelijk. De bundel plaatst de interviews in historisch perspectief.

Hitler selecteerde welke buitenlandse journalisten hem mochten interviewen. Zij schreven niet voor nationaal-socialistische kranten – dat lezers-pu­bliek had hij immers al aan zijn zijde. Franse journalisten wilde Hitler vooral overtuigen van zijn vreedzame bedoelingen; de beschuldiging dat hij op oorlog uit zou zijn, zei hij ‘beledigend’ te vinden.

Adolf Hitler: “Het is natuurlijk niet aan mij om ja of nee te zeggen tegen het beleid van president Roose­velt. Maar ik ben ervan overtuigd dat hij bij al zijn beslissingen primair de belangen en het welzijn van het Amerikaanse volk afweegt. En zo hoort dat ook.

“Het enige wat ik vraag is dat men mijn beleid op dezelfde manier bekijkt. Ik denk dat het tijd is dat naties elkaar leren respecteren, dat wil zeggen dat ze niet oordelen over de procedures die elk land kiest om de eigen problemen in het licht van de eigen belangen op te lossen. Eerlijk gezegd vind ik het vreemd dat onze jonge staat ongevraagd advies krijgt van buitenlandse regeringen die soms zo’n rampzalig beleid voeren dat ze er beter aan doen wat beter naar zichzelf dan naar anderen te kijken.”

Is dat ook wat u doet, als het gaat om de economische toestand in Duitsland?

“Volledig! Ik denk in allereerste instantie aan al degenen hier in Duitsland die in vertwijfeling leven, die al drie jaar wanhopen. Vorige week hebben we het aantal werklozen met 126.000 kunnen verminderen. Wat doet de rest ertoe? Wie ligt wakker van andere zaken? Als wij onze doelen maar bereiken.

“U treft een gelukkig man vanmorgen, want ik heb net werk gevonden voor duizenden mannen door de aanleg te beginnen van het eerste tracé van de autosnelweg van Frankfurt naar Heidelberg via Darmstadt en Mannheim!

“Wat ik van plan ben te doen op het economische front, vraagt u? Wel, de eerste stap is een grootschalig programma voor openbare werken. Maar laat mij eerst vertellen wat onze problemen zijn en waarom we vastberadenheid aan de dag moeten leggen om die op te lossen.

“Hoe zag de situatie eruit toen ik aan het bewind kwam? We zaten met 6 à 7 miljoen werklozen. Het regeringsapparaat had geen gezag. Onze burgers hadden geen oog voor de belangen van de staat. In onze branche- en vakbondsorganisaties vierde egoïsme hoogtij en lag de focus vooral op enkele particuliere doelen.

“Om die algehele verlamming te verhelpen, om de bedrijvigheid weer op gang te brengen, moet het bedrijfsleven zich bedienen van nieuwe methoden, nieuwe principes huldigen en van mentaliteit veranderen. Duitsland is bijvoorbeeld nog altijd niet gemotoriseerd. De auto-industrie is en wordt nu gereorganiseerd om auto’s te produceren die burgers met een laag inkomen zich kunnen veroorloven.

“Dat ik Henry Ford bewonder, is niet zozeer omdat hij baanbrekend werk heeft verricht om productieprocessen te standaardiseren, maar omdat hij voor de massa produceert. Die kleine auto van hem heeft meer dan wat ook bijgedragen tot het verdwijnen van klassenverschillen. Iemand die een betere auto heeft dan jij kun je wel benijden, maar je haat hem niet.

“De tweede remedie is een volledig nieuwe visie op bestuurlijk niveau. We snijden op dit moment drastisch in de ambtelijke rompslomp. De bureaucratische hiërarchieën die ons al zo lang verlammen ploegen we grondig om. We moeten zowel de bestedingen als de omvang van de overheid terugdringen.

“Ten derde staat de natie nu in een andere relatie tot de economie en de politiek. De gedachte daarachter is dat we willen afrekenen met het klassenegoïsme en het volk willen leiden naar het gewijde, collectieve egoïsme dat ‘de natie’ belichaamt. Politieke partijen hebben er alles aan gedaan om dat te beletten. Die zijn nu verdwenen. Het parlement was tegen mijn hervormingen. Ook dat bestaat niet langer. In Duitsland en elders hebben parlementen laten zien ten enenmale niet in staat te zijn een antwoord te bieden op de kolossale uitdagingen van de afgelopen tien jaar.

“Bedenk goed dat ik mijn remedies alleen Duitsland voorschrijf, niet de hele wereld. Geen enkele kritiek van buitenaf zal mij doen afwijken van de weg die ik heb uitgestippeld.

“Ik bewonder premier Mussolini vooral zo omdat hij ­jarenlang hard heeft doorgewerkt aan zijn plannen, hoezeer hij ook werd bespot en gedwarsboomd. Ik heb ook sympathie voor president Roosevelt omdat hij afstevent op zijn doelen zonder zich te storen aan het Congres, lobby’s en een halsstarrige bureaucratie.

“De tijd is rijp voor een economische inhaalslag, voor nieuwe wegen, metro’s, geëlektriseerde treinen, het is tijd om de industrie terug te eisen en te decentraliseren, om nieuwe ambachten de ruimte te gunnen.”

Acht u het mogelijk dat na vier jaar dicta­tuur – of misschien twintig jaar – de parlementaire democratie wordt hersteld in Duitsland?

“Ja, maar met een ander en beter soort parlement, waarin volksvertegenwoordigers op technische, professionele gronden zetelen. Een dergelijke ontwikkeling zien we nu in Italië met zijn corporatieve staat.”

Wat komt er in de tussentijd in de plaats van de oppositie?

“Eerst moet het beginsel van één centrale overheid degelijk zijn gevestigd en dat moet koste wat het kost in stand worden gehouden. Daarvoor neem ikzelf de volledige verantwoordelijkheid. En als ik faal zal ik niet met pensioen gaan in een villa in Zwitserland!

“Aangezien elk afdelingshoofd volledig verantwoordelijk is om zijn afdeling te behoeden voor fouten is het in zijn belang te luisteren naar het advies van deskundigen en naar kritiek. Kijk naar de lijst van mijn dagelijkse afspraken en u zult zien dat ik veel suggesties, complimenten en tegenwerpingen hoor, niet alleen van vrienden of partijleden, maar van allerlei mensen. Op zoek gaan naar welgemeende kritiek hóórt bij mijn werk.”

Eric Branca De vergeten gesprekken met Hitler Vert. Hans E. van Riemsdijk New Book Collective; 320 blz.; € 25

Hoe zit het met de Joden? Hoe beoordeelt u op dit moment de voor- en nadelen van uw anti­semitische beleid?

“Wat betreft deze zogenaamd vervolgde Joden – die u hier rustig over straat kunt zien wandelen en ziet dineren in de beste restaurants van Berlijn – zou ik maar al te blij zijn als de staten die zo begaan zijn met het lot van die Joden hun deuren voor hen zouden openzetten. Het klopt dat we discriminatoire maatregelen hebben getroffen, maar die zijn niet zozeer gericht tégen de Joden als wel vóór het Duitse volk – om de meerderheid gelijke economische kansen te bieden.

“U zegt dat Joden het zwaar hebben, maar dat geldt ook voor miljoenen anderen. Waarom zouden de Joden niet delen in de ontberingen die het hele land teisteren?

“U moet in gedachten houden dat wij onze strijd niet primair tegen de Joden als zodanig voeren, maar tegen de communisten en alle andere elementen die ons moreel ondermijnen en ons vernietigen. Als ik een proces begin tegen een communist vraag ik ook niet of hij afkomstig is uit Saksen of Pruisen. Ik bedoel: ik kan een communist niet ontzien omdat hij Joods is.”

Welke plaats ziet u voor vrouwen onder het nieuwe regime?

“Aha, vrouwen! Wel, vrouwen zijn sinds jaar en dag mijn vurigste aanhangers. Mijn overwinning beschouwen ze als hún overwinning! Zij weten dat ik hun zaak dien door te werken aan de heropleving van de Duitse jeugd, aan een nieuwe maatschappelijke orde, aan het herstel van hoop en gezondheid.

“Gelukkig neemt het vrouwenoverschot in de bevolking af. En hoewel we met onze doelstellingen vrouwen aanmoedigen om te trouwen en thuis te blijven, kunnen ongehuwde vrouwen op de arbeidsmarkt in alle vrijheid de concurrentie aangaan met mannen. Alleen het leger, de magistratuur en bepaalde politieke functies zijn voor hen gesloten.”

Welk historische figuur bewondert u het meest? Caesar, Napoleon, Frederik de Grote?

“Nee. Ik bewonder eerder Oliver Cromwell. Ik geloof niet dat deze man van bescheiden komaf de grootste aller tijden was, maar hij heeft wel Engeland gered van een crisis – even ernstig als de crisis die we nu doormaken ­– door het parlement zijn plaats te wijzen en het land te verenigen.

Hoe zou u de nationaal-socialistische beweging in één zin definiëren?

“Als de mooiste ervaring die ik heb gehad sinds de Grote Oorlog. Ik lag verblind door Frans gas in een lazaret. Ik was blind maar toen zag ik het opeens. Een visioen was het, een ingeving.” 

Lees ook:

Hitler was gek, noch origineel

Wie de nazi-ideologie ziet als een irrationele aberratie van het verlichte westerse denken, vergist zich, aldus de Franse politieke filosoof Jean-Louis Vullierme. Het enge is juist dat Hitler zijn ideeën opdeed bij andere Europese leiders.

‘Voor ons joden begon de oorlog in de Kristallnacht’

Wolfgang Kotek (bijna 89 jaar) woonde als jonge Joodse jongen in Wuppertal toen de Kristallnacht losbarstte. “De oorlog begon voor ons Joden op die nacht van 9 op 10 november 1938.”

‘Als Adolf Hitler al een vriend heeft gehad, ben ik het geweest’

Albert Speer, architect van het Derde Rijk, hield in de cel twintig jaar dagboeken bij - op toiletpapier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden