null

EssayDaan Roovers

Denker des Vaderlands: Mooi als burgers het gezamenlijke gazon maaien, maar daag ze nou eens uit om écht mee te doen

Denken jij en je buren dat jullie het plantsoen voor de deur beter kunnen onderhouden dan de gemeente? Dien een plan in en misschien mag je het - tegen betaling - overnemen. Dat bepaalt het uitdaagrecht. Best aardig, schrijft Denker des Vaderlands Daan Roovers, dat grasveldjes maaien. Maar het uitdaagrecht mag wel wat radicaler. 

“Wat is politiek?”, vroeg ik mijn oudste zoon, tijdens het overhoren voor zijn proefwerk geschiedenis. “Politiek betekent: het leven als actief burger in de stadstaat. Het woord is afgeleid van het Griekse polis, wat stadstaat betekent”, dreunde hij het correcte antwoord op. “Ik dacht eigenlijk dat politiek iets met de regering betekende”, mompelde hij voordat we dieper in het ontstaan van de democratie doken.

De eenvoudige en elegante definitie uit het geschiedenisboek stamt uit de Griekse oudheid en legt de basis van politiek bij de burger, niet bij een regeringsvorm. Geen woord over bestuur, macht of regelgeving. Alles wat wij nu in de 21ste eeuw onder politiek verstaan – Den Haag, een kabinet, Europese regelgeving – het zijn, als je de oorsprong van het woord even tot je laat doordringen, allemaal artefacten van uit de kluiten gewassen politieke gemeenschappen. Politieke instituties zijn nooit een doel op zichzelf geweest, maar kunstgrepen die in dienst staan van een zelfbesturende gemeenschap.

Het Athene uit de oudheid, waar de democratie ontstond, was uiteraard een heel andere samenleving dan de onze. Het was een directe democratie, waar stemgerechtigde mannen, dat wil zeggen een ‘vrijgestelde klasse’ (alleen mannen, en alleen van een bepaalde klasse) het politieke handwerk per toerbeurt onder elkaar verdeelden, een soort politieke dienstplicht. Wie bij de volksvergadering aanwezig was, mocht meebeslissen. Een groot verschil met onze tijd was dat de volksvergadering een stadstaat bestuurde – een stad ter grootte destijds van zo’n 300.000 mensen, waarin slechts ongeveer 50.000 mensen de status van ‘burger’ hadden.

Een gigantische schaalvergroting van politieke gemeenschappen

Deze democratieën verdwenen een paar eeuwen na hun ontstaan, en als we met zevenmijlslaarzen verder door de geschiedenis stappen, zien we in de tijd van de Verlichting, na de Franse Revolutie, de representatieve democratie ontstaan: de gekozen volksvertegenwoordiging. In de eeuwen daarna zal de democratie zich verder verfijnen en worden uitgebreid met het ontstaan van politieke partijen, grondrechten en algemeen kiesrecht. Met name de gigantische schaalvergroting van politieke gemeenschappen tot samenlevingen van tientallen miljoenen burgers heeft een enorme groei aan instituties en bestuurslagen veroorzaakt. Zo sterk dat we politiek nu in de eerste plaats associëren met die instituties, en de actieve betrokkenheid van de burger naar de achtergrond verdrongen lijkt.

Leden van Stichting Steenbreek zetten zich in om de leefomgeving te vergroenen. Beeld Sjon Heijenga
Leden van Stichting Steenbreek zetten zich in om de leefomgeving te vergroenen.Beeld Sjon Heijenga

Maar het tij lijkt te keren. De afgelopen jaren staat actief burgerschap weer volop in de belangstelling. Politieke partijen van links tot rechts omarmen begrippen als participatie en burgerinitiatieven. Ook ondersteunende adviesraden (de Raad voor Openbaar Bestuur, de WRR) zien de oplossing voor diverse maatschappelijke problemen in meer burgerbetrokkenheid.

Een van de instrumenten om burgerinitiatieven mee aan te jagen is het uitdaagrecht, geïnspireerd op het Britse Right to Challenge, waarbij burgers de mogelijkheid krijgen om gemeentelijke taken en het bijbehorende budget over te nemen om hun buurt te verbeteren.

Een breed gedragen wens, zonder echte tegenstanders

In 2017 vindt het uitdaagrecht voor het eerst zijn weg naar de officiële voornemens van een nieuw kabinet. In het regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst noteert de coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie de afspraak om via het uitdaagrecht ‘burgers en lokale verenigingen de mogelijkheid [te] geven om een alternatief voorstel in te dienen voor de uitvoering van collectieve voorzieningen in hun directe omgeving’. 

 Een actievere betrokkenheid van de burgers op lokaal niveau kent brede politieke steun. In drie van de verkiezingsprogramma’s (CDA, D66 en CU) wordt het uitdaagrecht genoemd – in één adem met zeggenschap, participatie en democratische vernieuwing. De VVD noemt het uitdaagrecht niet expliciet, maar vraagt wel meer ruimte voor ‘bewonersinitiatieven’. Kortom, een breed gedragen wens (ook onder andere partijen in de Tweede Kamer, waaronder de PvdA en GroenLinks) zonder echte tegenstanders. En dus stuurt de minister van binnenlandse zaken in oktober 2019 een brief naar de Kamer met het voorstel om het uitdaagrecht te verankeren in de Gemeentewet.

Laten we, alvorens in te gaan op de specifieke mogelijkheden van het uitdaagrecht, nog even inzoomen op de Nederlandse traditie van samenwerken tussen burgers en overheid. Die overlegcultuur is in Nederland van oudsher sterker dan in de ons omringende landen. Al vanaf de middeleeuwen, in de 13de eeuw toen in Noord-Holland de eerste stukken land werden drooggelegd, ontstond noodgedwongen een overlegcultuur tussen burgers onderling. Volgens historicus Herman Pleij ligt hier de basis van ons latere politieke poldermodel: het overleg tussen bestuurders en samenleving over de inrichting van het land. De verhouding tussen burger en overheid is zeker in Nederland al snel een driehoeksverhouding geworden waarin de derde poot werd gevormd door het bedrijfsleven. We hebben, in onderling overleg, in het verleden niet alleen grote delen van het land drooggelegd, maar de laatste decennia ook akkoorden gesloten tussen werkgevers en werknemers.

Niemand spreekt nog van volkshuisvesting, het gaat over de woningmarkt

De krachtsverhoudingen in de polder zijn veranderd. Met een kleine overheid als ideaal zijn grote delen van voorheen publieke taken overgenomen door semipublieke organisaties en partijen, zoals woningcorporaties en zorgverzekeraars. (Dat hoor je ook terug in het taalgebruik. Zelden spreekt nog iemand over volkshuisvesting – tegenwoordig gaat het vooral over de woningmarkt). Het is veelzeggend dat het poldermodel in Van Dale omschreven wordt als ‘het Nederlandse economische bestel waarin overleg tussen sociale partners en een gematigde loonontwikkeling centraal staan’. Niet de politiek, maar de economie staat centraal.

De poldertraditie is geleidelijk aan van gesprekken tussen burgers onderling overgegaan in gesprekken tussen overheid en bedrijfsleven en belangenorganisaties. Het uitnodigingsbeleid van de klimaattafels weerspiegelt die moderne polder, waarin in de eerste plaats gesproken wordt met een lange lijst van vertegenwoordigers van bedrijven en belangenorganisaties, en de burger aan het einde de resultaten, in de vorm van een torenhoge energierekening, gepresenteerd krijgt. De burger was daar aan tafel even buiten beeld.

Burgerinitiatieven, zoals het uitdaagrecht, worden gezien als versterking van de lokale democratie: ze overbruggen de kloof tussen burger en politiek, en de kloof tussen burgers onderling. Beslissingen en initiatieven die ‘van onderop’ komen, hebben vaak meer draagvlak in de samenleving en ze brengen mensen samen. 

Er ontstaan gemakkelijk conflicten

Vanuit de gedachte dat elke bestuurlijke laag per definitie een artefact is, is het teruggeven van politieke verantwoordelijkheid aan de burgers toe te juichen. De decentralisatie, die al zo’n dertig jaar gaande is, schaalt zoveel mogelijk verantwoordelijkheid af naar de oorspronkelijke bestuurbare omvang van de stadsstaat (circa 30.000-60.000 bewoners). 

Ingewikkeld is het ook. De complexiteit schuilt erin dat veel lokale projecten onlosmakelijk verbonden zijn met provinciale, landelijke of Europese richtlijnen, en er dus gemakkelijk conflicten ontstaan. Zoals de plaatselijke windmolen, die na een lange lobby van enthousiaste initiatiefnemers veel draagvlak heeft, maar uiteindelijk vanwege een provinciaal besluit niet solitair geplaatst mag worden. 

Hier loert een van de grootste bedreigingen van het uitdaagrecht: regelrechte frustratie. Burgers die, soms uit onvrede, maar vaak uit enthousiasme zich verenigen, hun mouwen opstropen en na maanden, soms jaren touwtrekken en lobbyen met hun vingers tussen de deur van andere bestuurslagen komen. Allemaal praktische bezwaren, ik weet het, maar als deze aan het einde van een maandenlang traject ineens opdoemen, zullen ze uiteindelijk op de betrokkenheid van de burger een volstrekt averechts effect hebben.

Politiemedewerkers onderweg naar het Binnenhof in 2018 waar ze een burgerinitiatief aanbieden waarin ze aandacht vragen voor het pensioen.  Beeld ANP
Politiemedewerkers onderweg naar het Binnenhof in 2018 waar ze een burgerinitiatief aanbieden waarin ze aandacht vragen voor het pensioen.Beeld ANP

In sommige gevallen is een burgerinitiatief nauwelijks te onderscheiden van privatisering. De gemeente wil ergens vanaf en ziet, enigszins opportunistisch, ruimte voor een burgerinitiatief dat de bezuiniging aan het zicht onttrekt, zoals de Dierenweide uit Bergschenhoek. De gemeente vond het onderhoud te begrotelijk worden en wilde de dierenweide sluiten. Een bewonersinitiatief heeft met hulp van een aantal sponsoren het beheer van de weide kunnen overnemen. Prachtig dat het dierenpark is gered, maar de motivatie om dit af te stoten, was in eerste instantie een economische. We hollen de discussie over democratische vernieuwing uit als dít de invulling is van burgerbetrokkenheid die we beogen.

Durf radicaal anders te denken

Om de lokale democratie te versterken, moeten we radicaal anders durven te denken: we moeten het publieke domein niet uithollen maar juist oprekken naar domeinen waarin de publieke sector haar verantwoordelijkheid laat liggen. In plaats van burgers alleen maar als uitvoerders te zien die heel goed hun eigen gezamenlijke grasveld kunnen maaien, zou ik willen opperen om het uitdaagrecht ambitieuzer aan te pakken.

Een voorbeeld: het in 2018 opgerichte initiatief De Vrije Uitloop in Breda bestaat uit ‘scharrelondernemers’, die vanuit de bijstand hun eigen bedrijfje proberen op te bouwen onder de vleugels van een coöperatie. De gemeente is inmiddels toegetreden als ‘sociaal aandeelhouder’ en er zijn aangepaste afspraken over sollicitatieplicht en terugbetaling van de uitkering. De situatie is: de gemeente doet iets níet, waarvan bewoners vinden dat het nodig is. De bewoners zetten het op, en de gemeente participeert in tweede instantie en ondersteunt waar nodig. Dat is geen privatisering maar investering.

Ander voorbeeld: als de energietransitie te lang­zaam gaat, zouden dan burgers niet, ondersteund met ­publieke middelen, meer invloed moeten kunnen krijgen?

Met name als er publieke belangen op het spel staan, zoals CO2-reductie of toegang tot de arbeidsmarkt, zouden gemeenten burgers moeten uitdagen om taken die de gemeente níet uitvoert, of te lang laat liggen op te pakken. Burgers zouden dan, zowel financieel als beleidsmatig, geholpen kunnen worden in het heroveren van de zeggenschap en de uitvoering van deze functies. Gemeenten doen er goed aan hun inwoners niet alleen desgevraagd de verantwoordelijkheid voor een gezamenlijke gazon te geven, maar werkelijke publieke zeggenschap te creëren.

En dan moet die burger ook er ook nog eens zin in hebben

Het uitdaagrecht zou een gevoel voor timing moeten ontwikkelen om precies in te springen op de momenten dat de private of semipublieke sector terrein braak laat liggen. Zo vergroten we de publieke zeggenschap in plaats van haar te beperken.

Voor Aristoteles is een van de belangrijkste kenmerken van de democratische vrijheid ‘dat men om de beurt wordt geregeerd en zelf regeert’. Het kost ook wat. Zo’n burger moet veel vrije tijd hebben, en dat is niet iedereen gegeven. Daarbij moet die burger beschikken over de benodigde capaciteiten om de lokale politiek te doorgronden – een aanwijzing dat het uitdaagrecht vooral de hogeropgeleiden zal aanspreken – en een bestaande kloof zal versterken, een gevaar dat niet lichtzinnig genegeerd moet worden. Vervolgens moet die burger ook nog eens zin en interesse hebben om zich met lokaal beleid bezig te houden. Ook dat is niet vanzelfsprekend.

Het uitdaagrecht is een uitvloeisel van de ‘doe-­democratie’. Het is geen panacee voor meer burgerbetrokkenheid; hooguit een schroevendraaier, ontoereikend om het hele huis te verbouwen. De agenda van actief burgerschap gaat niet alleen over doen, maar ook over beslissen. Daarvoor bestaan instrumenten als gelote burgerpanels of referenda. Voor de toekomst van de democratie hoop ik dat we deels het spoor terug volgen van de oude Grieken: Denk bij politiek niet langer aan Den Haag, aan Mark Rutte of aan de burgemeester. Denk aan uw eigen actieve leven. 

Daan Roovers (1970) studeerde geneeskunde en filosofie. Ze is docent publieksfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam en sinds maart 2019 Denker des Vaderlands, voor een periode van twee jaar. 

Lees ook:

Vakantiehuis als hoofdprijs van dorpsloterij: hoe zelfvoorzienend dorp Oosterwolde het anders doet

Oosterwolde is een schoolvoorbeeld van hoe burgerparticipatie werkt. Gemeenten uit het hele land kwamen de afgelopen jaren naar het dorp om het kunstje af te kijken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden