Column Hans Goslinga

Den Haag in greep van grimmige status quo

Ed Nijpels had als fractievoorzitter van de VVD de gewoonte de bronzen kop van partijoprichter Oud op zijn werkkamer om te draaien als hij aan een bezoeker zijn ‘strategisch monisme’ uitlegde.

Dat monisme van hem hield in, ­althans in theorie, dat de ministers uitvoerden wat de fractie wilde. Nijpels was zich ervan bewust dat de dualist Oud daarvan zou hebben gegruwd. De regering regeert, de Kamer controleert. Zo moest het.

Nijpels was fractieleider in de jaren tachtig, toen zich in Den Haag de ­omslag begon te voltrekken naar de monistische regeercultuur, die nu staande praktijk is. Uitvoerige regeerakkoorden vormen daarvan de basis, geboren uit de nood van de economische crisis in de dagen van Lubbers om slagvaardig te kunnen opereren, later nooit meer teruggedraaid. Zo dominant is dat regeerakkoord geworden, dat de formatie van Rutte III een ­recordaantal van 225 dagen in beslag nam.

Onderlinge rivaliteit

Zo’n formatie is in wezen de organisatie van politieke verplichting aan een regeeravontuur, waaraan stabiliteit en bestuurskracht kan worden ontleend. De onderlinge rivaliteit wordt tijdelijk ondergeschikt gemaakt aan het landsbelang. Het regeerakkoord alleen is niet voldoende om de neuzen in dezelfde richting te houden. Daarvoor is het wekelijkse Torentjesoverleg ingesteld tussen de premier, de vicepremiers en de fractieleiders van de coalitie.

Het coalitiemonisme, dat zijn zwaartepunt heeft in dit Torentjesoverleg, houdt het land regeerbaar. Het heeft door de organisatie van de macht vanuit het midden een verlammende invloed van de polarisatie voorkomen. Dat zijn de voordelen. Maar er zijn ook nadelen, zoals de gesloten, al gauw naar binnen gerichte cultuur en de devaluatie van het politieke debat. Dat is ernstig.

Het parlementaire debat is het kristallisatiepunt in ons democratische bestel, de plaats waar na wisseling van argumenten besluiten worden genomen. Op papier bijna te mooi om waar te zijn: een arena van botsende ideeën en tegelijk de plaats waar de hartstochten die in de natie leven worden gekanaliseerd. De praktijk laat niet de dynamiek zien die Oud wenste tussen kabinet en Kamer, maar meer en meer een grimmige status quo tussen coalitie en oppositie.

Onorthodoxe coalities

De vergelijking met een loopgravenoorlog is misschien niet ver gezocht: de partijen kunnen elkaar wel ernstige schade toebrengen, maar niet op een beslissende manier. Het Hawija-debat, waarin premier Rutte tientallen keren zonder bewijs werd uitgemaakt voor leugenaar, leverde deze week de illustratie. Deze status quo is vooral toe te schrijven aan de politieke constellatie, die de verhoudingen uit de tijd van Oud drastisch heeft veranderd. Aan de ene kant de traditionele partijen die tot onorthodoxe coalities worden gedwongen, aan de andere kant populistische partijen die door hun extreme of onconstitutionele standpunten geen alternatief bieden.

Van een gezonde dynamiek tussen coalitie en grote delen van de oppositie is dus geen sprake. Dat relativeert de zonde van het gebrek aan dualisme, dat in zijn zuivere vorm overigens nooit heeft bestaan, en maakt het in elk geval verklaarbaar dat een coalitie de rijen zoveel mogelijk gesloten houdt om de oppositie geen aanvalsvlakken te bieden. Rutte II steunde op twee vroegere rivalen, die elkaar lange tijd uitsloten; Rutte III bestaat uit vier partijen die ideologisch ook niet dicht bij elkaar staan. Ongemakkelijk en lastig.

Lijfspreuk van Winston Churchill

De recente coalities worden dus niet alleen bijeen gehouden door een regeerakkoord, maar ook door het ontbreken van een reëel alternatief. Het besturen van het land heeft dus ook voor een groot deel het karakter van redderen. Keep buggering on, naar de lijfspreuk van Winston Churchill. Dat is misschien onbevredigend voor wie het paradijs verlangt, maar wel zo praktisch en zelfs inspirerend als het perspectief van politieke handelen wel scherp duidelijk wordt, zoals bij Churchill in de jaren dertig.

De noodzaak tot redderen is harder nodig bij heterogene kabinetten, maar is ook inherent aan de democratie als afspiegeling van het menselijk kunnen zowel als van het menselijke ­tekort. Van de Amerikaanse politieke denker Reinhold Niebuhr is de uitspraak: “Het vermogen van de mens tot gerechtigheid maakt democratie mogelijk, de neiging van de mens tot onrechtvaardigheid maakt de democratie noodzakelijk.” Niebuhr (1892-1971) stond een ‘christelijk realisme’ voor. Hij wantrouwde zowel cynisme als idealisme als politieke drijfveer. In de menselijke wereld is niets geheel goed of geheel kwaad. Je moet daarin een verantwoordelijke houding innemen en naar besluiten zoeken die ­altijd een compromis zullen zijn tussen ideaal en werkelijkheid. Dit ­gezichtspunt kan een wat mildere kijk op de Haagse politiek ingeven.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden