Archiefbeeld (2012) van de bemanning aan boord van de onderzeeboot Hr. Ms. Bruinvis, tijdens een opleiding ten westen van Schotland. Beeld Sjoerd Hilckmann, ministerie van defensie
Archiefbeeld (2012) van de bemanning aan boord van de onderzeeboot Hr. Ms. Bruinvis, tijdens een opleiding ten westen van Schotland.Beeld Sjoerd Hilckmann, ministerie van defensie

Marine

De tijd dringt voor nieuwe Nederlandse onderzeeboten

In de tergend langzame en kostbare aanbesteding van nieuwe onderzeeboten werd vorige week een mijlpaal bereikt – drie werven mogen een offerte gaan doen. Het bedrijfsleven maakt zich zorgen over de betrokkenheid van Nederland.

Christoph Schmidt

Dit moet toch wel de meest onwaarschijnlijke plek op aarde zijn om de geur van versgebakken brood op te snuiven: in de benauwde ruimte van een onderzeeboot. En dat moet je je dan indenken op een diepte van driehonderd meter, middenin de Atlantische Oceaan.

De bemanning van de Zr. Ms. Zeeleeuw – doorgaans veertig à vijftig man, plus een klein aantal vrouwen – moet het wekenlang doen zonder de normale dagelijkse bezigheden van het aardoppervlak. Appen met geliefden en vrienden bijvoorbeeld, of hun Instagramaccount bijhouden. Maar die geur van versgebakken brood maakt veel goed.

Aan boord van de Nederlandse onderzeeboot, die momenteel een onderhoudsbeurt ondergaat op het marineterrein in Den Helder, is bijna alles krap: de stapelbedjes (vier boven elkaar), de doucheruimtes, de twee cafetaria-tafels waaraan maximaal tien à vijftien matrozen tegelijk kunnen eten. Maar de kombuis is naar verhouding groot. De kwaliteit van de chef-kok kan de sfeer tijdens een missie van de Zeeleeuw (of van de andere drie boten van de Walrus-klasse) maken of breken.

Sinds 2013 is al duidelijk dat er nieuwe boten moeten komen

Het dagelijkse genoegen van die verse broodgeur daargelaten komt het leven op een onderzeeboot vooral neer op hard en geconcentreerd werken: zes uur op, zes uur af. Deelname aan een Walrus-missie is een uitputtingsslag. De onderzeedienst is en blijft een apart onderdeel van Nederlandse krijgsmacht (zie kader voor de taken daarvan).

Nut en noodzaak

De vier Nederlandse onderzeeboten hebben de volgende eigenschappen en taken:

– Ze zijn het meest onzichtbare grote wapen van de krijgsmacht (het motto van de onderzeedienst is ‘ongezien doeltreffend’)
– Hun slagkracht tegen vijandelijke acties is uiterst precies (torpedo’s)
– Ze kunnen speciale operaties uitvoeren (bijvoorbeeld evacuaties voorbereiden)
– Ze verzamelen inlichtingen
– In conflictsituaties dienen ze als afschrikking, alleen al door hun aanwezigheid

Dat die dienst bibberende tijden tegemoet gaat, is al een tijdje duidelijk. Na jaren van Haags gedraal heeft Defensie pas dit jaar ferme stappen gezet naar de broodnodige vervanging van de vier Walrus-boten. De noodzaak daarvan is al in 2013 aangekaart door toenmalig minister Jeanine Hennis-Plasschaert. Negen jaar en twee kabinetten later gebeurt er pas iets concreets.

De Walrus-klasse is al ruim dertig jaar in de vaart. Technisch gesproken zijn de boten rond 2025 helemaal op. Twee van de vier boten moeten echter nog minimaal tien jaar langer doorvaren, waarschijnlijk op het tandvlees.

Drie werven dingen mee

Staatssecretaris Christophe van der Maat van defensie nam deze pijnlijke beslissing dit voorjaar, omdat inmiddels duidelijk was dat nieuwe onderzeeboten niet in het lang gehoopte jaar 2028 klaar zullen zijn. Als alles meezit (en dat heeft het tot nu toe nooit gedaan in dit verhaal) komt de tweede boot in 2035. Omdat Defensie in ieder geval twee onderzeeërs in vaart wil hebben, is levering van dat tweede nieuwe exemplaar een sleutelmoment in het hele proces – dan pas kunnen de oude boten echt weg.

Vorige week werd de volgende mijlpaal bereikt. Na jaren van vooroverleg met kandidaat-bouwers stuurde Defensie de offerteaanvraag voor vier nieuwe onderzeeboten naar drie grote werven: het Franse Naval (dat samenwerkt met Koninklijke IHC uit Kinderdijk), het Zweedse Saab Kockums (waarbij het Nederlandse Damen is aangehaakt) en het Duitse ThyssenKrupp.

In die offerteaanvraag staan de precieze eisen die Nederland stelt aan de nieuwe vaartuigen. Vanwege dat hoge militaire detailniveau zijn de documenten geheim. Maar de grote lijnen weten we wel. “De offerteaanvraag is gebaseerd op een uitvraag van vier expeditionaire, middelgrote, conventionele (niet nucleair) aangedreven onderzeeboten met aanzienlijke maritieme slagkracht”, zoals Van der Maat het op 30 september formuleerde in een brief aan de Tweede Kamer.

Het komt erop neer dat Nederland vasthoudt aan de Walrus-kenmerken, met als voornaamste nieuwigheid dat de nieuwe boten behalve torpedo’s ook kruisraketten moeten kunnen afschieten.

Nederlandse boten onderscheiden zich van die van de militaire wereldmachten

Met het behoud van de voornaamste Walrus-eigenschappen kan Nederland zich blijven onderscheiden van andere (onder)zeevarende landen. De onderzeeërs van de militaire wereldmachten (Verenigde Staten, China, India, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk) draaien allemaal op kernenergie. Doordat die vaartuigen groter zijn, kunnen ze minder goed uit de voeten in ondiep water en vlakbij de kust. Dat is juist de toegevoegde waarde van de Nederlandse boten. Die varen op batterijen die onderweg worden opgeladen met dieselmotoren. Dat maakt ze ook stiller.

Een andere kracht van de huidige en – als ze er ooit komen – toekomstige Nederlandse onderzeeërs is dat ze ver van huis kunnen worden ingezet, onder meer in de Cariben en de Indische Oceaan. In dat laatste gebied verdedigen ze onder meer handelsroutes tegen piraterij. Zweedse onderzeeboten bijvoorbeeld, kunnen niet zo ver varen en zijn alleen gebouwd op bescherming van de eigen wateren.

Het trans-Atlantische bondgenootschap de Navo, die de toegevoegde waarde van de Nederlandse boten hoog heeft zitten, kijkt dan ook met angst en beven toe hoe de beoogde vervanging van de Walrus-klasse verloopt. In het slechtste scenario zijn de nieuwe boten in 2035 nog lang niet klaar terwijl de Walrussen dan écht rijp zijn voor de sloop. Van de situatie die dan ontstaat (capability gap in jargon, ofwel een Nederlandse onderzeedienst zonder onderzeeërs) liggen sommige militairen en politici nu al wakker.

De Hr. Ms. Bruinvis voor de kust van Schotland in 2012.  Beeld Sjoerd Hilckmann
De Hr. Ms. Bruinvis voor de kust van Schotland in 2012.Beeld Sjoerd Hilckmann

Lastige keuzes over tien jaar

Voorlopig zijn alle inspanningen erop gericht om het leven van de twee jongste Walrus-boten zo lang mogelijk te rekken. Dat zijn de Dolfijn en de Bruinvis, in dienst sinds respectievelijk 1993 en 1994. De twee oudere exemplaren, de Walrus en de Zeeleeuw, worden gestaag uit de vaart genomen. Het is de bedoeling dat de onderdelen ervan de andere twee op de been houden.

De onderhoudskosten van de oude boten zullen jaar na jaar toenemen, evenals de twijfel over vervanging van onderdelen of systemen. Hoeveel mag zo’n nieuw systeem kosten als ze in Den Helder weten dat ze over een jaar een nieuwe boot krijgen – moet het duur en goed, of toch goedkoper? Want wat ze daar ook weten, is dat je dat ene jaar koste wat het kost moet blijven varen. Dat worden lastige keuzes, over ruim tien jaar.

Die financiële onzekerheid is nog niets vergeleken met de totale tast in het duister over de uiteindelijke prijs van de vervanging. In het vorige decennium begonnen de schattingen bij zo’n 2,5 miljard euro. Inmiddels noemt Defensie geen bedrag. Er is zelfs geen bovengrens meer. ‘Wat de gek ervoor geeft’, zullen de concurrerende drie werven misschien denken, al zullen zij onderling hard moeten concurreren op juist die prijs.

De Walrus-affaire leer dat de kosten totaal uit de hand kunnen lopen

Met alleen al de prijsontwikkelingen van dit jaar is de kans klein dat het eindbedrag onder de 5 miljard komt. Daarmee zal de aanschaf van vier nieuwe onderzeeboten waarschijnlijk de duurste militaire order worden in de Nederlandse geschiedenis, duurder dan 46 gevechtsvliegtuigen van het type F-35 (vroeger bekend als de JSF, aanschafprijs uiteindelijk ruim 5 miljard).

Dat Defensie voorlopig wel beter uitkijkt om een streefbedrag te noemen, heeft ook te maken met de zogeheten Walrus-affaire. In 1978 werd de prijs van twee Walrus-onderzeeboten (gebouwd door de Rotterdamse Droogdok Maatschappij) geschat op 445 miljoen gulden (teruggerekend is dat ruim 200 miljoen euro). Zeven jaar later was dat opgelopen tot 940 miljoen, zonder dat de Tweede Kamer dat tijdig te weten kwam.

Over de Tweede Kamer gesproken: wanneer krijgt die iets te zeggen over de nieuwe order? De Kamer is het afgelopen jaar al geregeld bijgepraat door het ministerie, soms vertrouwelijk. Nu is het wachten op de offertes van de drie werven. Die moeten uiterlijk eind juli volgend jaar binnen zijn.

Weer een paar maanden later (naar verwachting rond deze tijd volgend jaar) wijst Den Haag de winnende werf aan. Verschillende politieke en economische belangen zullen botsen bij die beslissing. Die ligt niet alleen bij het ministerie van defensie, maar ook bij de departementen van financiën, buitenlandse zaken, economische zaken en algemene zaken. Helemaal bovenaan de beslisboom staat de minister-president. In de eerste helft van 2024 zou de Tweede Kamer kunnen debatteren over de mega-aanschaf en hoe die tot stand is gekomen.

De overgangsperiode werpt hindernissen op, ook bij het werven van nieuw personeel

Zo ziet de ideale planning eruit. Die kan meteen al overboord als geen enkele van de drie werven volgend jaar met een geldige offerte komt: te duur, kwalitatief ondermaats of een te lange bouwtijd. Voor zo’n scenario schijnen noodplannen klaar te liggen, maar daar wil Defensie uiteraard niets over kwijt. Een alternatief zou zijn om de bestelling te beperken tot drie in plaats van vier boten.

Mocht er eind volgend jaar wel een werf als winnaar uit de bus komen, dan zal die ook een uiterst gedetailleerd werkschema moeten overleggen, met de harde eis dat de tweede boot er in 2035 moet zijn. Den Helder zal dat schema bij wijze van spreken van dag tot dag in de smiezen houden, met een schuin oog op de conditie van de oude Bruinvis en de Dolfijn. De woorden capability gap wil niemand horen. De werf moet leveren.

De overgangsperiode van oude naar nieuwe boten zal ook hindernissen opwerpen bij het aantrekken van gemotiveerd personeel. Wie krijg je over pakweg tien jaar nog enthousiast om te solliciteren bij de onderzeedienst, in de wetenschap dat de nieuwelingen nog een paar jaar met praktisch afgedankte boten moeten leren werken? Door personeelstekorten draait de dienst nu al op 80 procent van de benodigde sterkte, zo blijkt uit het recente landenrapport van de Navo.

Den Helder wordt als alles goed gaat een centrum van bedrijvigheid en werkgelegenheid

Een ander gevoelig onderwerp, zowel politiek als economisch, is de beoogde betrokkenheid van Nederlandse bedrijven als leveranciers van onderdelen of systemen van de nieuw te bouwen boten. Tijdens het Kamerdebat van vorige week over de defensiebegroting stipte een aantal fracties die al aan. Volgens het kabinet worden de offertes mede beoordeeld op de mate van die Nederlandse betrokkenheid, maar harde garanties zijn er niet.

“Verschillende provincies en het Nederlandse bedrijfsleven maken zich grote zorgen”, aldus ondernemersorganisaties FME en VNO-NCW op 13 november in een gezamenlijk persbericht. “Het Nederlandse maritieme cluster dreigt hierdoor in het eindspel van de bieding alsnog buitenspel te komen te staan. Door de huidige opzet van de aanbesteding kiest het kabinet voor een zeer reëel risico dat we afscheid moeten nemen van zeer gespecialiseerde kennis en hoogwaardige technologie in Nederland en dat is een grote slag voor onze strategische autonomie en het innovatief vermogen van Nederland.”

Volgens staatssecretaris Van der Maat zijn die zorgen onterecht. In zijn Kamerbrief van 30 september schept hij hoge verwachtingen voor Den Helder. Het marineterrein daar moet een heuse submarine maintenance valley worden, met een en al bedrijvigheid en werkgelegenheid.

Zowel de werkgeversorganisaties als kritische Tweede Kamerleden zullen die belofte in het achterhoofd houden – al zal niet zozeer Van der Maat, maar zijn verre opvolger daarop worden afgerekend, op z’n vroegst over twaalf jaar.

Politiek

Tweede Kamerlid Alexander Hammelburg (D66) volgt de onderzeeboot-kwestie met argusogen. Hij behoort tot de groep Kamerleden die soms vertrouwelijk wordt bijgepraat over de offerteaanvraag. “Defensie lijkt het allemaal goed te hebben doordacht. Ze hebben een goede risico-reservering gemaakt. Ik maak me wel zorgen omdat de aanloop zo lang is geweest. Daardoor blijft het spannend of het vervolg wel goed gaat.”

Collega Jasper van Dijk van de SP is principieel tegen de aanschaf van nieuwe onderzeeboten. “Wij zijn voor een krijgsmacht die bepaalde taken uitvoert, maar zien niet de meerwaarde in van wapensystemen zoals de JSF-gevechtsvliegtuigen en de onderzeeboten. Bij een land als Nederland past een slanke krijgsmacht, zonder peperdure prestigeprojecten.”

Lees ook:
Wie mag de grootste militaire aankoop sinds de JSF gaan bouwen?

Wie gaat de vier Nederlandse Walrus-onderzeeërs vervangen? In 2018 was het Nederlandse bedrijf Damen favoriet voor de grootste militaire aankoop sinds de JSF. Maar ervaren buitenlandse werven azen ook op de miljardenorder.

Defensie wil Nederlandse onderzeeboten kopen, maar andere ministeries aarzelen

Krijgt het Nederlandse Damen de opdracht nieuwe onderzeeërs te bouwen? Defensie zei in 2019 ‘ja’, andere ministeries waren er nog niet uit.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden