Interview Christ Klep

Christ Klep: Ons leger zit klem tussen ambtenarij en krijgsbedrijf

Christ Klep Beeld Patrick Post

We verwachten van ons leger dat het de hoogste ethische normen hanteert. Wat burgers, ambtenaren en politici vergeten is dat een leger bedoeld is om te vechten, meent Christ Klep.

 Veel Nederlandser dan de discussie over de verplaatsing van de mariniers van Doorn naar Vlissingen krijg je het niet, meent Christ Klep. “Het gaat om leden van een elitekorps met als wapenspreuk Qua patet orbis (Zo wijd de wereld strekt). Eens een marinier, altijd een marinier. Dan wordt een verhuizing aangekondigd, al tien jaar van tevoren: mooie nieuwe kazerne, prachtige oefenterreinen, de aan zee gelegen stad van Michiel de Ruyter. Zestig procent blijkt dan af te haken. Onder meer met het excuus dat de partner zo moeilijk een baan krijgt in Zeeland. In Amerika is zoiets ondenkbaar. Als de commandant daar zegt: “Over twee weken zit je drie jaar op de Filippijnen”, dan denkt de marinier “Oh, shit!” en zegt hij “Yes, sir.” Het martiale botst in Nederland heel erg met het ambtelijk-burgerlijke.”

Militair historicus en universitair docent Christ Klep houdt in zijn nieuwe boek ‘Van wereldmacht tot ‘braafste jongetje’. Onze militaire identiteit door de eeuwen heen’ beeld en zelfbeeld van het Nederlandse leger tegen het licht. Een mondiale macht was Nederland in een ver verleden. Rond 1600 veranderde prins Maurits de wetten van de oorlogsvoering. Schepen met de vaderlandse driekleur heersten op de wereldzeeën. Zo’n grote broek aantrekken past allang niet meer bij de internationale verhoudingen.

Zijn we inmiddels echt ‘het braafste jongetje’?

“Voor publicatie hebben de uitgever en ik stevig gediscussieerd of ‘braafste jongetje’ tussen aanhalingstekens moest. Militairen zelf worden niet graag afgeschilderd als het braafste jongetje. Die willen presteren, als het er echt om gaat in een gevecht. Maar Defensie wil graag een ander beeld uitdragen en giet graag een ethische saus over alle activiteiten, een dikke morele laag met de boodschap ‘geweld is er om goed te doen’. In een wervingspotje zie je dan: een militair tijdens de Watersnoodramp van 1953 die een oude man uit het water trekt, en dat gaat naadloos over in het beeld van een soldaat die in Afghanistan een kind uit het oorlogsgeweld redt. Een soort gewapende ontwikkelingshulp. In een van de handboeken voor Nederlandse militairen staat: wij zijn een bovengemiddeld morele natie. Dat is nog net niet: wij zijn op ethisch gebied perfect. Dat ondergraaft de essentie van het militaire vak. Want ga met die instelling maar eens slag leveren. Een béétje krijgshaftig, dat bestaat niet.”

Hoe pakt dat uit?

“De Tweede Kamer zegt: jullie mogen robuust optreden, maar hier heb je nog een map met geweldsinstructies. De meeste militairen zeggen dan: als een gillende Taliban­strijder op me af komt, ga ik geen waarschuwingsschoten afvuren, niet vragen wie hij is. Ik schiet hem gewoon neer. Maar bij een spelend meisje met een bal volgen we de regels.

“Militairen zijn slim genoeg om op basis van gezond verstand te handelen. Maar het blijft wel een spagaat. De bemoeizucht van de politiek strekt zich nog veel verder uit: tot en met de kwaliteit van de in het inzetgebied gebruikte containers. Wat betreft militaire cultuur lijken we op landen als België en Oostenrijk, maar nergens – misschien met uitzondering van Duitsland op grond van de geschiedenis – praat de politiek vooraf zo sterk mee over feitelijke inzet als in Nederland.”

En achteraf ook.

“Tijdens lezingen in binnen- en buitenland vertel ik over onze omgang met het Srebrenica-drama. Een Amerikaanse militair zei ooit na afloop: ‘Chris, get over it! War sucks’ ­ – hou er toch over op, oorlog is smerig. Hij begreep niet waarom wij na bijna 25 jaar nog discussiëren.”

Waarom hecht Nederland zo aan dat morele aspect?

“In de negentiende eeuw dringt het besef door dat Nederland geen grootmacht meer is. Fransen noemden ons in die tijd nog een heel erg wreed koloniaal land, maar dat wilde Nederland niet horen. In Indië werd ethische politiek bedreven, was een beschavingsoffensief gaande. Nu is het beeld: Nederland is het land van recht en vrede, van Hugo de Groot en het internationaal zeerecht, van de grote vredesconferenties en van het Internationaal Strafhof. Je ziet het terug in de terminologie: de term oorlog wordt gemeden. Dan gaat het over politionele acties of wederopbouwmissies.”

Gelooft de burger in dat morele verhaal?

“Als de vraag gaat spelen ‘waarom zou mijn zoon of dochter bij de krijgsmacht moeten of willen?’, dan weten de burgers heel goed waar het om gaat. Het is gewoon een gevaarlijk vak, in vergelijking met werken bij de garage op de hoek. Je kunt doodgaan.

“Dat besef is terug te zien in een consequent hoog waarderingscijfer voor militairen. Defensie is en blijft een sterk merk. Ondanks alle grappen over Afghanen opleiden met Playmobil en ‘pang, pang’ moeten roepen bij oefeningen, is dat een soort basale erkenning van de waarde van het leger. Tegelijkertijd staat tegenover de 70 procent die het bestaansrecht van het leger erkent een schamele 15 procent die vindt dat we in geval van een aanval ook grootschalig moeten vechten om het vaderland te verdedigen.”

U spreekt in het boek in dat verband van ‘zelfbaga­tel­li­se­ring’ en ‘de arrogantie van de onmacht’.

“Nederland heeft op zijn minst iets schizofreens, een gespleten militaire identiteit. Laat de mensen een lijstje met belangrijke collectieve goederen maken en de krijgsmacht belandt op een lage plaats. Als een ziekenhuis om de hoek wordt gesloten, staat iedereen op zijn achterste benen. Als een kazerne dichtgaat, zal het wel. Dat is dan een mooie plek om studenten te huisvesten of om iets anders mee te doen.”

Tijdens kabinetsformaties lijkt Defensie vooral een rest­post, er is geen schroom om weinig martiale types als Joris Voorhoeve en Frank de Grave minister te maken.

“Voor de Tweede Wereldoorlog werden meestal oud-militairen benoemd, vaak echte houwdegens. Tegenwoordig lijkt men ook heel visueel te willen maken dat de politieke controle op het militaire apparaat wordt uitgeoefend door burgers. In Amerika behoort de minister van defensie met die van binnenlandse en buitenlandse zaken tot de top drie. Dat is de veiligheidsdriehoek. In Nederland komt Defensie ver achteraan in de rij. Met Buitenlandse Zaken kan een politicus scoren. Met Defensie minder. Dat is het ministerie van dodelijke slachtoffers, van gedoe.”

Beeld Patrick Post

En de militaire wereld is steeds minder zichtbaar.

“Tijdens de Koude Oorlog waren militaire colonnes op de weg heel gewoon en zag je overal dienstplichtige militairen, bijvoorbeeld in de trein. Nu is militairen vanwege de terreurdreiging afgeraden om nog langer in uniform over straat te gaan. In het buitenland zijn – in tegenstelling tot Nederland– al slachtoffers onder militairen op straat gevallen, maar daar is zoiets ondenkbaar. In Nederland is er dan wel intern protest, zoals in militaire vakbladen, maar dat is het dan. Het uniformverbod werd vrijwel geruisloos geaccepteerd.

“Andere landen laten hun krijgsmacht iets martiaals ­uitstralen in symbolen en ceremonieel. Die houden militaire parades. Trump wil nu weer op ceremoniële momenten luchtmachttoestellen in formatie over laten vliegen. Dat heeft hij bij de Franse president Macron afgekeken. Een minister die zulke zaken in Nederland voorstelt, wordt weggelachen. De in Nederland ingebakken reactie is dan ‘Doe normaal’. Voor de marine en de luchtmacht is dat nog een enigszins beperkt probleem. Met de nieuwste onderzeeërs, fregatten en gevechtsvliegtuigen kun je jezelf nog wel sexy maken. Maar de landmacht heeft een probleem.”

In zo’n land zou je dan ook geen heldenverering verwach­ten, maar met de uitreikingen van de Militaire Willems­- orde probeert men toch iets in die richting.

“Vroeger werd zelfs die hoogste onderscheiding bijna als koek uitgereikt. Sinds de Koreaoorlog niet meer. De koning reikt een Willems-Orde persoonlijk uit. Hij geeft een klap op de schouder. Je treedt toe tot een koninklijke ridderorde. Defensie zag risico’s bij het uitreiken van de nieuwe Willemsordes. In eerste instantie niet in de persoon van de eerste onderscheiden militair, Marco Kroon, maar meer in het uitreiken zelf. Zo’n onderscheiding voor een wederopbouwmissie? Dat betekende toch een erkenning dat er zwaar was gevochten. Gelukkig waren daar de commando’s, die een beetje buiten die missie waren opgetreden. Ze hadden op terroristen gejaagd, dat goed gedaan en ook veel complimenten gekregen. Het leek een vrij veilige zet, net als de persoon van Marco Kroon. Opgeklommen door de rangen. Krijgshaftig type, een jongen van de gestampte pot.”

Dat pakte anders uit.

“We weten allemaal wat daarna gebeurde. De daaropvolgende uitverkorenen voor de Willemsorde, Gijs Tuinman en de Apachepiloot Roy de Ruijter, werden daarom door Defensie nadrukkelijk gepresenteerd als de ideale schoonzoon. Minister Bijleveld zegt gewoon letterlijk: ja, we hebben nu ook goed naar het karakter van de nieuwe helden gekeken. Andere politici suggereerden dat Kroon aan PTSS leed. Dat zijn nogal stevige uitspraken.”

Oordeelt Nederlandse publiek op dezelfde manier?

“Dat weet best het onderscheid te maken. Uit onderzoek blijkt dat er nog een vrij groot respect bestaat voor de man Marco Kroon en zijn prestaties, een zeker medelijden ook voor wat hem is overkomen.”

Nederland is volgens u gaan vertrouwen op de machts­balans in Europa: Fransen, Britten en Duitsers zouden nooit tolereren dat een van hen Nederland zou inpikken. Later schuilden we onder de veiligheidsparaplu van de VS. Speelt dat leunen-op-denken nog een rol nu de discussie over het meedragen van Navo-lasten door Amerika steeds harder wordt gespeeld?

“Zeker. Dat zit heel erg tussen de Nederlandse oren.”

Stilaan zou het denken met Europa als speelbal van groot­machten als VS, Rusland en China misschien ook moeten verschuiven van oorlogen naar keuze (de missie van de af­ge­lopen decennia) naar noodzakelijke oorlogen, de lands­- verdediging zoals tijdens de Koude Oorlog.

“In legerkringen zie je dat al gebeuren. In militaire vakbladen verschijnen weer artikelen over het grootschalig conventioneel gevecht: tanks, vliegtuigen, artillerie. Op dit moment heb je de forward presence in de Baltische staten, en daar komen allerlei positieve berichten vandaan. Lekker oefenen. Grote oefenterreinen. Met bataljons oefenen. Internationale brigades opzetten. Met artillerie schieten. Je merkt heel sterk de hunkering naar datgene waar de krijgsmacht eigenlijk voor is, namelijk grootschalig vechten.”

Maar de politiek wil opbouwmissies?

“Ja. Sinds kort speelt mogelijk meedoen in Syrië. Nederland is welwillend. Dat is politieke taal voor ‘We gaan het doen’. Daar zijn minstens vierduizend militairen een paar jaar zoet mee. Dat legt de komende tijd de herstructurering van de krijgsmacht stil. Terwijl het juist zo goed zou zijn om de krijgsmacht op orde te brengen.”

En niemand die daar dan met de vuist op tafel slaat?

“Sinds veertien jaar heeft Nederland een commandant der Strijdkrachten. In andere landen ben je dan een stem van gewicht in discussies over inzet. Maar hier heeft die man dezelfde rang als de hoogste ambtenaar op Defensie. Weer dat ambtelijk-burgerlijke. En Buitenlandse Zaken heeft een zware stem. Meedoen aan missies betekent als middelgroot –misschien wel gewoon klein – land in aanmerking komen voor functies, een plek in de Veiligheidsraad opeisen, invloed kunnen uitoefenen.”

Al met al lijkt ons beeld van het leger en het zelfbeeld van militairen sterk op het algemene denken over de Nederlandse identiteit.

“Ja. Je ziet dezelfde zaken terugkomen: de vermeende nuchterheid, het polderen. Maar bij alle mooie prestaties die de krijgsmacht levert, leidt dat ook tot te veel bureaucratie, doorgeschoten managementdenken, bedrijfsmatigheid en verkokering, en te weinig improviserend vermogen.” 

Christ Klep (1959) is militair historicus, gepromoveerd op de manier waarop landen zijn omgegaan met onfortuinlijk verlopen vredesmissies. Hij is verbonden geweest aan diverse universiteiten en instituten, en werkt tegenwoordig als freelance auteur.

Lees ook: 

Het leger moet contact met de Nederlandse samenleving houden

Mijmeren over state-of- the-artgevechtsvliegtuigen en hightech-onderzeeboten is voor menigeen een boeiende bezigheid. Praten over maatschappelijk draagvlak voor de krijgsmacht komt dan al snel een stuk ‘softer’ over. Onterecht, betogen Rein Bijkerk en Christ Klep.

De militair anno 2018 vindt zijn gezin net zo belangrijk als het leger

De verhuizing van de marinierskazerne van Doorn naar Vlissingen stuiten op weerstand. Van oudsher stelden militairen hun privéleven helemaal in dienst van hun vak, maar dat verandert.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden