Veertig jaar CDA

Alles wat er mis kon gaan, ging mis. Hoe 1994 een rampjaar werd voor het CDA

Brinkman en Lubbers tijdens een verkiezingsbijeenkomst van het CDA in februari 1994.Beeld Hollandse Hoogte/Roel Rozenburg

Het CDA viert op 10 oktober dat het veertig jaar geleden is ontstaan uit een fusie van KVP, ARP en CHU. Trouw beschrijft in een driedelige serie enkele sleutelmomenten. Vandaag deel 2: rampjaar 1994.

Hoe kan een politieke partij die op haar toppunt van haar macht staat, veruit de grootste fractie in de Tweede ­Kamer heeft, een populaire premier levert en een aantrekkelijke maatschappijvisie heeft, dat binnen een paar jaren allemaal verspelen? Het is het drama van het CDA begin jaren negentig.

“Niemand in de partij zag dit aankomen”, zegt Theo Brinkel, de historicus die ‘Haagse Jaren’ optekende, de memoires van de toenmalige minister-president, Ruud Lubbers. Als medewerker bij het Wetenschappelijke Instituut voor het CDA maakte hij de jaren van opkomst en ondergang mee, culminerend in wat ‘rampjaar 1994’ is gaan heten. Kroonprins Elco Brinkman, die door Lubbers was aangewezen als zijn opvolger, behaalde als lijsttrekker slechts 34 zetels, 20 zetels minder dan vier jaar daarvoor. Hij werd niet de verwachte premier, maar vertrok gebutst via de achterdeur van het Binnenhof. “De dag na de verkiezingen ging ik op mijn fiets naar het partijbureau”, herinnert Brinkel zich. “Ik dacht: het doet er allemaal niet meer toe. Het is voorbij.”

‘We run this country’, riep het CDA-Kamerlid Joost van Iersel ooit overmoedig. Het was een teken van de arrogantie van de machtspartij, die dankzij een straf bezuinigingsbeleid onder leiding van Ruud Lubbers in 1986 met 54 zetels de grootste fractie ooit werd. KVP-politica Marga Klompé had Lubbers gewaarschuwd: met het begin van het premierschap, begint het bederf al. Ze kreeg gelijk. Al wist het CDA het nog een tijdje uit te stellen dankzij een meegaande PvdA (die dolgraag weer wilde regeren), een verdeelde VVD en door met een visie te komen – de verantwoordelijke samenleving – die aansloeg.

Maar vooral dankzij het charisma en de gave van besturen die Lubbers eigen was. De vraag van Lubbers ‘Mag ik even met je meedenken?’ was voor menig minister een moment om goed op te letten, maar daardoor kwamen er wel de nodige compromissen tot stand. De CDA-fractie werd geacht die klakkeloos goed te keuren.

Twee dagen nadat zijn derde kabinet aangetreden was, in november 1989, viel de Muur. Dat leek het einde van de geschiedenis in te luiden, maar ook het verval van de christen-democratie. In het kerstnummer van Elsevier van dat jaar wees Lubbers fractievoorzitter Elco Brinkman aan als zijn opvolger, want hij wilde in 1994 vertrekken. Daarmee begon de ellende. “Ik zei tegen Ruud: ben je niet wat te vroeg?”, zegt Wim Deetman, die toen voorzitter van de Tweede Kamer was. “Op het moment dat je aankondigt dat je weggaat, ben je al bezig aan je afscheid. Hij zag dat niet zo, maar ik vrees dat ik gelijk heb gekregen.”

Theo Brinkel zag dat meteen de neuzen in de richting van Brinkman gingen. “Heel begrijpelijk, want hij was de komende man. Maar elke kritiek van hem op het kabinet werd ook meteen gezien als kritiek op de aanvoerder ervan.” Dat hij een eigen profiel ontwikkelde om niet als kopie van zijn voorganger te worden afgeschilderd, was volgens Deetman heel begrijpelijk. Die ruimte hoort de opvolger te krijgen.

‘Nederland is ziek’

Brinkman spoort het kabinet aan tot daadkracht en roept dat ‘het speelkwartier voorbij is’. Dat laat Lubbers over zijn kant gaan, want met coalitiepartner PvdA is het inderdaad lastig afspraken te maken, bijvoorbeeld over het terugdringen van het aantal arbeidsongeschikten. “Nederland is ziek”, waarschuwt premier Lubbers. Het aantal WAO’ers nadert het miljoen.

Een kabinetsvoorstel duur en hoogte van de uitkering te versoberen leidt in 1991 bijna tot de val van PvdA-leider Wim Kok, die als minister van financiën die aanpassing voor zijn rekening neemt. Hij weet met moeite de achterban achter het plan te krijgen, maar bij de uiteindelijke uitwerking ervan proberen de sociaal-democraten steeds de scherpe kantjes ervan af te schaven.

Als de PvdA in januari 1993 opnieuw aan een compromis gaat morrelen, krijgt Brinkman van Lubbers de vrijheid met de VVD een deal te sluiten. Dat lukt. Tegelijkertijd wordt gepoogd er toch met de PvdA uit te komen, met instemming van Brinkman. Ook dat slaagt, dankzij het dreigement van CDA-minister Bert de Vries van sociale zaken anders af te treden. Lubbers en Brinkman zijn beiden bij het crisisoverleg bij De Vries thuis in Bergschenhoek. Onder het genot van nasi goreng van de plaatselijke Chinees stemmen Wim Kok en PvdA-fractievoorzitter Thijs Wöltgens in met het compromis. De afspraak heet vanaf dat moment, vreemd genoeg, het ‘Bami-akkoord’.

Achter de rug van een persfotograaf zoekt Ruud Lubbers de hand van Elco Brinkman, die op het CDA-congres in januari 1994 werd gekozen tot lijsttrekker.Beeld Hollandse Hoogte/Bert Verhoeff

Brinkman is teleurgesteld, want hij hoopte dat de sociaal-democraten uit het kabinet zouden stappen. Mokkend beweert hij dat de spelregels tijdens het spel veranderd zijn. Iets wat Bert de Vries, jaren later, nog steeds verbijstert: “Het klinkt als een verwijt, terwijl hij er toen zelf bij zat toen we deze strategie afspraken. Hij nam bewust de gok dat we er met de PvdA niet uit zouden komen. Maar dat gebeurde dus wel.”

Door de VVD en de media worden Brinkman vanaf dat moment als onbetrouwbaar neergezet. Lubbers beseft dat hij zijn kabinet net op tijd heeft gered, maar wantrouwt vanaf die dag zijn kroonprins. In zijn memoires klaagt Brinkman dat ze hem dankbaar moeten zijn dat hij geen ‘vadermoord’ heeft gepleegd. ‘Zelfoverschatting’ noemt De Vries dat nu, van Brinkman en zijn entourage, onder wie destijds CDA-voorlichter Frits Wester, de mannetjesmaker die hem als toekomstig premier in de markt zette. Volgens Lubbers zou het partijbestuur nooit hebben geaccepteerd dat Brinkman het kabinet ten val had gebracht.

Daarna gaat alles mis wat maar mis kan gaan. Soms door meningsverschillen, maar ook gewoon uit misverstanden en soms domme pech. Zo valt bij de presentatie van het nieuwe verkiezingsprogram de term ‘waterscheiding’, dat Lubbers geïrriteerd opvat als een afzetten tegen het kabinetsbeleid. Terwijl met dat woord de wereld na de val van de Muur werd bedoeld. In dat program komt te staan dat alle uitkeringen bevroren moeten worden. “Ook de AOW?”, vraag een journalist. Bij bevestiging daarvan verliest het CDA het vertrouwen van de natuurlijke achterban, de ouderen. Terwijl Brinkman zelf, achter de schermen, zich tegen deze maatregel had verzet.

‘Rambo-benadering’

In zijn memoires verwijt Lubbers dat Brinkman en zijn fractie door hun ‘rambo-benadering’ het beeld van het CDA als betrouwbare partij ondermijnen. De lijn van ‘zorgvuldige maatvoering’ wordt doorbroken door een kille technocratie. Deetman: “Hij formuleert het wat hoekig, maar daar zat wel wat in. Elco had een scherp sociaal-economisch profiel en we waren als CDA te veel een bestuurderspartij geworden, die het contact met leden en kiezers verloren had.”

Voor dit artikel wil Brinkman niet meer reageren, maar in zijn herinneringen ‘Bouwen en bewaren’ schrijft hij dat er een verschil was in de psyche van de twee politici. Lubbers zocht naar compromissen, terwijl hijzelf van het knopen doorhakken was. “Dat klopt”, meent Deetman. “Ruud kon heel hard zijn, zowel in de ministerraad als in de fractie. Maar het was de kracht van Ruud dat hij wel probeerde in een dialoog met anderen te overtuigen. Daarbij onderzocht hij altijd of er iets in de argumenten en motieven van de ander zat dat ook waardevol was.” Maar er valt weinig meer te redden. Een commissariaat van Brinkman bij het bedrijf Arscop van een ooit van fraude beschuldigde oom verzwakte zijn positie verder, omdat het iets zou zeggen over zijn inschattingsvermogen.

Na de rampzalige verkiezingen van het CDA voor de gemeenteraad in maart 1994, stapt voormalig vicevoorzitter Rob van de Beeten naar twee oudgedienden, oud-premier Biesheuvel en oud-KVP-leider Schmelzer. “Ik heb toen beiden voorgesteld een beroep te doen op Lubbers om nog een keer beschikbaar te zijn als minister-president teneinde zo het tij nog enigszins te keren. Dat bleken ze zelf al te hebben gedaan.” Lubbers weigerde, maar die gedachte was al wel bij hem opgekomen, zo weinig vertrouwen had hij in zijn opvolger.

Brinkman zingt het Wilhelmus mee aan het slot van het CDA-congres in januari 1994.Beeld Hollandse Hoogte/Tweede Camera

De premier was op dat moment zo wanhopig, dat hij een conceptbrief schreef aan de Tweede Kamer waarin hij het ontslag van het kabinet aanbood. Ook Deetman kreeg de brief onder ogen en adviseerde hem met klem daarvan af te zien. Deetman: “Er was geen enkele objectieve reden om het kabinet te laten vallen. Om vlak voor de verkiezingen af te treden vanwege problemen in het CDA was volstrekt ongeloofwaardig. Geen kiezer zou dat begrijpen.”

Dat Lubbers het niet meer zag zitten en de weg kwijt was, vond Bert de Vries ver-schrikkelijk. “Dat was een triest einde voor iemand met zo’n staat van dienst. Dat verdiende hij niet.”

In maart 1994 begon een jonge jurist als beleidsmedewerker voor de CDA-fractie. Groen als gras zag Sybrand Buma zich het drama voor zijn ogen voltrekken. Lubbers dacht dat alles wat hij opgebouwd had zou afbrokkelen, zegt de huidige burgemeester van Leeuwarden, terugkijkend op die spannende periode. “Maar bij een wijziging van personen mag er een andere koers gevaren worden. Brinkman deed gewoon wat de fractie en de partij wilde, het derde kabinet Lubbers liep gewoon minder. De fractie wilde doorpakken, maar dat lukte niet.”

Magie was uitgewerkt

Het onderliggende sentiment was dat de fractie zich wilde ontworstelen aan de dominantie van Lubbers, die in de loop van de succesvolle jaren bepalend was geworden. Ook de Eerste Kamerfractie deed daartoe pogingen. De magie van de leider was uitgewerkt.

Het was Onno Ruding, zijn minister van financiën in de eerste twee kabinetten-Lubbers, die hem hiervoor gewaarschuwd had. Na zeven jaar vertrok hij in 1989 uit de politiek, omdat hij als econoom wist dat alles conjunctuurgevoelig is. “Op het hoogtepunt moet je weggaan, daarna kan de kentering komen. Ik vertelde dat tegen Ruud en hij zei: je hebt gelijk, maar ik ga door en neem dat risico. Het gevolg is bekend: gedonder tussen de vertrekkende en komende man.”

Aan de andere kant was er twijfel gerezen of Brinkman wel de juist opvolger was. Het christen-democratisch profiel brengt hij niet sterk naar voren, vond Kees Klop, CDA-ideoloog in die dagen. Over zijn wat frivole mediaoptreden werd hij door minister De Vries en staatssecretaris Heerma in Vrij Nederland openlijk gekapitteld: ‘We zijn er niet om mensen te amuseren.’ Maar het ­waren uitzonderingen. De rest van de partij zweeg. Ze konden ook niet meer terug, omdat Brinkman al in maart 1993 – snel na het Bami-akkoord – door het bestuur tot lijsttrekker gekozen was.

Elk woord van Lubbers werd in het licht gezien van hun onderlinge verwijdering. Op het CDA-verkiezingscongres bood hij een ‘doosje met incasseringsvermogen’ aan Janneke Brinkman aan, Elco’s echtgenote. Theo Brinkel zat op de eerste rij en legde zijn hoofd in zijn handen. Hoe zou dat weer opgevat worden? Het dieptepunt was de aankondiging van Lubbers dat hij op nummer 3 zou stemmen, Ernst Hirsch Ballin. Als morele steun voor alle kritiek die de minister had gekregen op een uitspraak over abortus op een gehandicapte foetus. ‘Ook dat nog’, verzuchte Brinkman, die het als een regelrechte aanval op hem zelf zag. Buma: “Ik dacht: nu is het gebeurd.”

Een commissie onder leiding van oud-minister Til Gardeniers onderzocht wat er allemaal mis was gegaan. Van volkspartij was het CDA verworden tot een zelfvoldane bestuurderspartij. Ook het sociale gezicht van de partij was verdwenen. Verwijten die zestien jaar later na de val van het kabinet-Balkenende IV opnieuw werden gemaakt. De partij was hardleers. Het was voor Bert de Vries reden om het CDA toen te verlaten. De koers werd hem te ‘neoliberaal’. “Maar de kiem is zonder meer gelegd in de periode rond 1994. Helaas.”

Sybrand Buma werd jaren later partijleider en zag toen scherper dan in 1994 wat er was gebeurd. “Het CDA was met 54 zetels onnatuurlijk groot. Iedereen in de partij dacht dat het land verliefd was op het CDA. Dat was een vertekend beeld, door de populariteit van Lubbers. Dat klinkt misschien gek, maar de partij zag na de nederlaag pas wat het echt waard was.”

In 2012 belandde Buma zelf op het dieptepunt van 13 zetels, na een aanvankelijk oplevering onder Jan Peter Balkenende. Elke politieke partij komt aan de beurt, weet Buma nu. De PvdA beleefde dat in 2017. “De VVD staat nu op 40 zetels, maar iedereen weet dat de partij veel kleiner is zonder Rutte. Ieder politieke partij heeft gewoon een kleinere basis dan ze zelf denkt. De les die ik heb geleerd is dat je als politieke partij nooit gemakzuchtig moet zijn. Je moet voor iedere zetel knokken.”

Lees ook: 

De kruisraket liet het CDA bijna ontploffen

Het CDA viert 10 oktober dat het veertig jaar geleden is ontstaan uit een fusie van KVP, ARP en CHU. Trouw beschrijft in een driedelige serie de sleutelmomenten. Vandaag deel 1: de discussie over kruisraketten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden