null Beeld

ColumnHans Goslinga

Zo lost een extra-parlementair kabinet de problemen op

De huidige politieke toestand heeft wel wat weg van de situatie na de Nacht van Kersten in 1925, waarin het eerste kabinet-Colijn ten val kwam. De crisis leidde tot een voor die tijd lange formatie van vier maanden, die uitmondde in een extra-parlementair kabinet. Misschien biedt zo’n kabinet vanwege de lossere band met het parlement een uitweg uit de bijna-patstelling die nu in politiek Den Haag is ontstaan en komt het tegemoet aan de roep om meer dualisme.

Het struikelblok in de Nacht van Kersten was het gezantschap bij de Paus, een gruwel in de ogen van dominee Kersten, die in 1918 de SGP had opgericht als onversneden anti-papistische partij. In de Eerste Wereldoorlog was het gezantschap als tijdelijke post ingesteld vanwege het belang van Vaticaanstad als diplomatiek knooppunt in hectische tijden. Het SGP-amendement om het op te heffen, voordat het permanent werd, kreeg steun van een meerderheid, waaronder de protestantse CHU, waarna de rooms-katholieke ministers zich uit het kabinet-Colijn terugtrokken en de crisis een feit was.

De betekenis reikte verder dan alleen de val van een kabinet. De breuk in het christelijke kamp liet zien dat het cement dat protestanten en katholieken bijeen had gehouden in de Schoolstrijd, begon los te laten. Dat opende uitzicht op gemengde coalities, al bleek het nog net te vroeg voor grote doorbraken. De vrijzinnig-democraat Marchant, de politieke betovergrootvader van Sigrid Kaag, steunde het amendement-Kersten louter met het politieke doel de weg te banen naar een kabinet met katholieken en socialisten.

Dat was een misrekening. Het wantrouwen van Rooms in Rood was nog te groot, en groter dan de gekrenktheid over het luidruchtige anti-papisme, dat Nederland als ‘protestantse natie’ beschouwde en van de katholieken eiste dat ze dat zouden erkennen. Het identiteitsdenken speelde toen net zo’n splijtende rol in de politiek en de samenleving als nu.

De val van het derde kabinet-Rutte in januari vanwege het toeslagenschandaal maakte niet meteen een breuk in de coalitie zichtbaar. Die breuk voltrok zich pas na de Kamerverkiezingen in een nacht die je op naam van Kaag zou kunnen schrijven, omdat zij de zwaar geladen motie van afkeuring tegen VVD-leider Rutte indiende. Die motie beoogde aan het premierschap van Rutte op termijn een einde te maken. Daardoor is politiek ook nu een onbestemde situatie ontstaan, met blokkades en moeilijk begaanbare wegen. Rutte staat niet helemaal klem, Kaags streven naar een kabinet over links is lastig te realiseren. Bijna pat.

Een normaal parlementair kabinet zit er politiek niet in en misschien is dat vanwege de verstikkende cultuur van het coalitiemonisme wel een vermomde zegen. Deze cultuur brengt niet alleen een dik regeerakkoord mee, dat de coalitie in het gelid houdt en de oppositie buitensluit, maar ook een verschuiving van de regeermacht naar de coalitietop, bestaande uit de premier, de vicepremiers en de fractievoorzitters van de coalitie.

Feitelijk regeert niet het kabinet, maar dit politieke Sanhedrin. Door de grote nadruk op beheersen, komt als vanzelf de controlerende taak van het parlement in het gedrang. Dat is voor iedereen duidelijk geworden. De Kamerleden Omtzigt (CDA) en Leijten (SP) deden hun spitwerk in het toeslagendossier tegen de verdrukking in.

Een extra-parlementair kabinet, waarbij coalitiepartijen zich niet op voorhand aan een akkoord binden doch een houding aannemen van ‘welwillende afwachting’, zou met de naar binnen gerichte cultuur kunnen afrekenen. Het kabinet-De Geer, dat na de Nacht van Kersten als ‘intermezzo-kabinet’ aantrad, was in zoverre doorbrekend dat het voor het eerst een politiek gemengd (christelijk-liberaal) karakter had, zij het dat nogal wat ministers geen uitgesproken kleur hadden.

De keerzijde is dat het niet veel tot stand bracht, wat het gemeen heeft met het kabinet-Den Uyl, dat voor de helft extra-parlementair was (de coalitiepartijen KVP, ARP en PPR hielden afstand). Het sprak wel sterk tot de verbeelding, wat zichtbaar werd in de hoge opkomst bij de Kamerverkiezingen van 1977, met 88 procent nog altijd een record. Dat is uit het een en het ander nu wel duidelijk: het zal niet gemakkelijk zijn een nieuw evenwicht te vinden tussen stabiliteit, slagkracht en openheid.

De open stijl van het kabinet-Den Uyl, waarbij de ministers volgens oppositieleider Wiegel ‘rollebollend over straat gingen’, kreeg geen navolging, maar was voor coalities nadien juist de drijfveer de deuren dicht te gooien en het gematigd dualisme bijna ongemerkt te transformeren in het doorgestikte monisme van onze dagen. Die cultuur is op zijn grenzen gelopen.

Tijd voor stappen in een andere richting, desnoods via een intermezzo-kabinet.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden