ColumnHans Goslinga

Zetelrovers zijn niet het echte probleem van het parlement

De Tweede Kamer heeft ­enkele jaren geleden de huisregels aangepast om afsplitsingen van fracties te ontmoedigen en op die manier fragmentatie tegen te gaan. Het heeft niet geholpen en de vraag is zelfs of de beperkingen in spreektijd en faciliteiten niet indruisen tegen de Grondwet. 

In twee artikelen is de Grondwet heel duidelijk over de positie van Kamerleden. Zij vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk en zij stemmen zonder last. De legendarische Kamervoorzitter Vondeling gaf van deze artikelen in zijn boek ‘Tweede Kamer: lam of leeuw?’ een bondige vertaling: ‘Niemand kan een Kamerlid opdragen in de volksvertegenwoordiging iets te doen of te laten. De partij niet, de fractie niet’.

De Grondwet spreekt niet eens van fracties, laat staan van partijen, dus wat Vondeling zei, was zo klaar als een klontje. Hij stelde de zaak wel iets te rooskleurig voor, want zo vreemd is het niet dat er bij elke afsplitsing weer wordt getwist over de vraag aan wie de Kamerzetel toebehoort, aan het Kamerlid of aan de partij?

Bij de poging van de Tweede Kamer tot ontmoediging was de versplintering door ‘zetelroof’ de voornaamste drijfveer in te grijpen. In de vorige periode nam het aantal fracties toe van 11 tot 17. Niet goed voor het debat en voor de slagvaardigheid van de democratie, maar kennelijk een symptoom van een beweging die zich niet met paardemiddelen laat bestrijden, de teloorgang van de bindingskracht van partijen.

Maar eerst de staatsrechtelijke kant. Hoewel de Grondwet niet van fracties en partijen rept, is Nederland sinds de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging een eeuw geleden feitelijk een partijen­democratie. Dat betekende bij de verkiezingen een ingrijpende verandering: Kamerleden beschikten niet meer over een persoonlijk mandaat, maar kwamen het parlement binnen ‘op de slippen van de lijsttrekker’.

Gebrek aan bindingskracht wreekt zich binnen én buiten  de Kamer

Niet iedereen was daar enthousiast over. De historicus Huizinga noemde het nieuwe stelsel in 1938 ‘een noodlottige misvatting, die ons opscheepte met een vorm waaruit om de vier jaar ­dezelfde pudding tevoorschijn komt’. Voor D66 was deze starheid reden voor terugkeer naar het districtenstelsel te pleiten. Hans van Mierlo achtte in 1966 de tijd, gekenmerkt door ontzuiling, ontideologisering en individualisering, daarvoor rijp. Dat was buiten de veerkracht van de zuilpartijen gerekend. Zijn analyse klopt nu ­beter. De partijen die de politiek in de vorige eeuw beheersten, hebben sterk aan bindingskracht verloren; nieuwkomers zijn in het gat gesprongen en veroorzaken een dynamiek die verkiezingsuitslagen minder voorspelbaar maakt dan in Huizinga’s dagen.

Het is onlogisch te veronderstellen dat deze dynamiek bij de deuren van de Tweede Kamer ophoudt. Het gebrek aan bindingskracht wreekt zich ook intern, bij de snel gevormde onvrede- en one-issuepartijen nog meer dan bij de traditionele partijen. Partijtoppen kenden vroeger hun pappenheimers, nu veel minder. Kandidaten worden niet louter meer uit de eigen geledingen gerekruteerd, maar komen via een sollicitatie binnen. Dat leidt ­weleens tot misgrepen, maar dat is nog geen reden afsplitsers te gebieden hun zetel op te geven of het parlementaire leven te bemoeilijken. Zo nodig is het opruimen van wildgroei aan de kiezers.

Dat zou pas echt zetelroof zijn

Met de spanning tussen de zuivere regel van de Grondwet en de altijd wat modderige praktijk valt te leven. Het districtenstelsel is geen beter alternatief, zoals de Verenigde Staten laten zien. Daar zijn volksvertegenwoordigers door de polarisatie zozeer de gevangenen van hun eigen kiezers geworden dat een werkbaar midden is verdwenen. In ons land is de partijmacht enigszins verminderd ten gunste van kiezersmacht door het verlagen van de drempel om met voorkeursstemmen te worden gekozen.

Het is mogelijk die voorkeursdrempel nog wat verder te verlagen. Liever dan het tegengaan van versplintering door het verhogen van de kiesdrempel. Dat zou pas echt neerkomen op zetelroof door de grotere partijen, en in mindering komen op de vernuftigheid van ons stelsel, de verfijnde representatie van geluiden uit de samenleving.

De staatsrechtelijke oplossingen nemen het onderliggende verschijnsel van de afnemende bindingskracht uiteraard niet weg. Dat de ‘grote verhalen’ zijn verdwenen, werd een halve eeuw terug als een grote stap vooruit gezien. Maar was het dat wel, als je ziet wat er aan kleine en kleingeestige verhalen voor in de plaats is gekomen? Cort van der Linden, die van Nederland in 1917 een volwaardige democratie maakte, zei dat het beginsel de basis is van politiek. Alleen als je ‘vertegenwoordiger van iets groters’ bent, kun je in de ­politiek echt iets tot stand brengen. Dat is voor Rutte, Hugo de Jonge en Asscher iets om op te kauwen.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden