Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wout van Aert: honderd keer kunnen sterven, en daarna nog een keer

Opinie

Marijn de Vries

Marijn de Vries © Maartje Geels
Column

Een hoopje is er van hem over. Een hoopje stoffige teleurstelling. “Hij zat er verslagen bij”, zo zullen de officiële krantenberichten Wout van Aert vandaag wel beschrijven, vlak na het passeren van de finishlijn in het Vélodrome van Roubaix.

Tijdens het interview, live op tv, wordt het hoopje steeds kleiner. Misschien omdat het besef dat hij met minder pech op het podium had gestaan steeds duidelijker doordringt. Misschien omdat de haag verslaggevers die als een paraplu boven hem hangt steeds verstikkender wordt. Hij kijkt niet eens op als hij antwoord geeft. Zijn stem wordt zachter. Hij wil weg. Verdwijnen. Dekbed over zich heen. Treuren. Hij zegt dat hij zich verschrikkelijk voelt. Dat hij stikkapot is. En dat er niet veel over vandaag te zeggen is.

Lees verder na de advertentie

Terwijl er zo veel over vandaag te zeggen is. Er is een boek over te schrijven. Wout van Aert heeft in de zes uur dat hij aan het fietsen was meer meegemaakt dan de meeste mensen in een maand.

Mathieu van der Poel en Wout van Aert koersen met een leeuwenhart

Een lekke band op de kasseien van Wallers. Een ketting die vervolgens vastslaat. Een fietswissel. Op het karretje van ploeggenoot Pascal Eenkoorn moet hij verder, en reken maar dat dat niet fijn fietst. Eindelijk op glad asfalt. Een wissel terug naar de eigen fiets. Uitglijden in een bocht en ongenadig hard op zijn kokosnoot gaan. Sterretjes zien. En pijn. Niet uit frustratie zijn fiets van zich afsmijten en er de brui aan geven, maar opnieuw op gang geduwd worden met een ‘hup jongen, haal ze in’.

Leeuwenhart

Wolken stof en uitlaatgassen, alles rijdt kriskras, toetert, piept, rammelt en remt en Wout van Aert moet er tussendoor, er onderdoor, er overheen. Hoe hij erin slaagt het peloton weer in te halen, is me nog steeds een raadsel. Hoe hij vervolgens in de kopgroep terechtkomt, zal ik nooit begrijpen. Maar ik moet wel telkens aan Mathieu van der Poel denken, aan een week geleden, aan óók een inhaalrace.

Die twee namen vallen al jaren in één adem samen. In de cross, en nu ook op de weg. Met een onzichtbaar draadje lijken ze met elkaar verweven. Ik begin steeds meer te zien waarom. Die twee, ze koersen met een leeuwenhart. In het veld valt dat veel minder op: een uur en een kwartier door muren rammen, hoort nu eenmaal bij die tak van sport. Maar op de weg doen ze hetzelfde.

Niet berekenend. Geen angst voor pijn. Honderd keer kunnen sterven, en daarna nog een keer. En nog een keer. Geen energie sparen, want er is altijd een extra vaatje. Tot het laatste vaatje op is. Wanneer dat is, weet niemand. Bij Wout van Aert was het op een viaduct. Had toch gespaard jongen, hoor je ervaren koerskijkers zeggen. Was niet op kop gekomen. Dan had je misschien mee gekund tot aan de meet, tot aan de finish in Roubaix.

Misschien. Misschien niet. Misschien was het ook met op kop rijden wel gelukt. De onbevangheid van die twee mannen is wat er voor zorgt dat mijn hart telkens een sprong maakt als ik ze koersen zie. O ja, die onbevangenheid gaat verdwijnen. Door ervaring en door mores gaan ze vanzelf wel leren sparen. Worden ze voorzichtiger. Vlammen ze niet het ene gat na het andere meer dicht.

Maar ik zal het missen. Sterker, ik voel nu al weemoed als ik aan de dag denk dat Mathieu van der Poel en Wout van Aert echte wegrenners geworden zullen zijn.

Journalist, voormalig profwielrenster en KNWU-bestuurslid Marijn de Vries (Sleen, 1978) fietst met u elke maandag door het sportweekend. Lees hier meer van haar columns. 

Deel dit artikel

Mathieu van der Poel en Wout van Aert koersen met een leeuwenhart