Column

Waar eindigt deze tattoogekte?

Beeld Trouw

Twee foto’s uit sportkaternen van maandag. Op de eerste, in Trouw, zag ik drie Nederlandse turners. In het midden stond Bart Deurloo. 

Zijn rechterarm was door blauwe inkt helemaal opgevreten. Alsof een bende ultramarijne processierupsen zich onder zijn huid had genesteld om vervolgens omhoog te klauteren. Het lichaamsdeel was in een soort flou artistique gefotografeerd, zo wazig dat je de details van Deurloo’s tattoo niet kon waarnemen. Bleef over die blauwe rechterarm, die een dermate asymmetrisch contrast met de onbevlekte linker vormde, dat ik me afvroeg of turnjuryleden de atleet, bij elke oefening, geen punten in mindering brengen. 

Spinneweb met ­Maori-allures

Op de foto stond ook turner Casimir Schmidt maar dan met zijn rug naar de lens. Zijn nekharen waren tot halverwege de schedel geschoren zodat je zijn nektattoo goed kon bewonderen. Het was een soort spinneweb met ­Maori-allures. Vet en ongetwijfeld zweterig na elke inspanning. Maar omdat je de achtpotige zwarte weduwe niet in dat web van inkt kon waarnemen, bekroop mij de vrees dat mevrouw Arachnida al in de hersenen van de turner gekropen moest zijn. Die twee sporters zijn nog jong en hun lijf wacht waarschijnlijk nog een toekomst van tsunami-blauw. Oksels, testikels en voetzolen zullen ook eraan moeten geloven. Vorig jaar in NRC Handelsblad zei Bart Deurloo: “Als je me over dertig jaar tegenkomt, denk ik dat je nauwelijks witte plekken op mijn lichaam zult zien”.

De ochtend was nog jong en het sportkatern van de Volkskrant wachtte. Daar, op pagina drie, was Memphis Depay bezig een duel van de Duitse voetballer Hummels te winnen. Zijn linkerbeen en zijn beide armen dropen nog van de inkt, zo leek het. Als de huid van Depay niet getint zou zijn maar blank, zou hij aan een ambulante schimmelkaas doen denken. Op internet vond ik nog meer foto’s van hem, zijn gehele blote rug door een blauwe leeuwekop in beslag genomen. Op de site Voetbalzone zei hij bescheiden: “De leeuw op mijn rug representeert mijzelf; ik heb een leeuwehart”.

Waar zal deze waanzin eindigen? Onze voorouders de holbewoners waren tenminste nog slim genoeg om hun fantasie, angst en hoop niet in hun lijf te kerven, maar op de muren van hun grotten. Deze zomer in Italië had ik al gemerkt dat het tattoovirus de universele schoonheid had geïnfecteerd. Hoeveel mooie belle donne zag ik niet met armen bevolkt door doodshoofden, schorpioenen en slangen? Dergelijke vrouwen zou je als man nog niet met een pincet willen aanraken. 

Ho, ho, mannetje wie ben je om zo te oordelen? In de jaren negentig wilde ik mijn herstart in de liefde markeren met iets geks en ondeugends. Ik liep naar Tattoo Bob op de Rotterdamse Pleinweg. Op mijn rechterschouder zette hij een eenhoorn van een kleine vijf centimeter. Nu hoor ik dat hij failliet is en de hoorn van het beest zit al meer dan 20 jaar scheef op mijn huid. Toen ik mister tattoo vroeg of hij er ook eentje onder zijn kleren verborg, antwoordde hij koeltjes: “Aan mijn lijf geen polonaise”.

Drie keer per week schopt Sylvain Ephimenco in Trouw heilige huisjes omver.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden